Archief (oude wiki)
Vakpagina's uit de oude MediaWiki-versie van de examenwiki (tot 2021) die niet (volledig) naar de nieuwe wiki werden overgezet. Hersteld uit webarchieven.
- Biomedische laboratoriumtechnologie (farmaceutische en biologische) – fase 2
- Biomedische laboratoriumtechnologie (medische) – fase 2
- Biomedische laboratoriumtechnologie (medische) – fase 3
- Biomedische laboratoriumtechnologie – fase 1
- Fysiologie (1LB)
- Maatschappelijke en ethische vorming (1LB)
- Mechanica (1LB)
- Menselijke biologie (1LB)
- CC – fase 3
- CP – fase 3
- Chemie – fase 1
- Chemie – fase 2
- LV – fase 3
- Psychologie deel 3 en Ethiek (3LV)
- Toegepaste Dieetleer 3 (3LV)
- Voeding en Farmacologie bij bijzondere doelgroepen (3LV)
- Voeding en Fysieke activiteit (3LV)
- OR – fase 2
- Toegepaste informatica – fase 1
- Bedrijfsbeheer (1TX)
- Bedrijfsinformatiesystemen (1TX)
- Communicatie in het Engels - deel 1 (1TX)
- Communicatie in het Frans - deel 1 (1TX)
- Maatschappelijke en ethische vorming (1TX)
- Programmeren van administratieve toepassingen (1TX)
- Project & Procesbeheer (1TX)
- Technieken voor datamodellering (1TX)
- Wiskunde - deel 2 (1TX)
- Toegepaste informatica – fase 2
- BS-Data Warehousing en Datamining (2TX)
- BS-Supply Chain Management en Cust Rel. Man. (2TX)
- Bedrijfsbeheer 2 (2TX)
- Beroepsgerichte communicatie (2TX)
- Communicatie in het Engels - deel 2 (2TX)
- Communicatie in het Frans - deel 2 (2TX)
- Databanken (2TX)
- Financieel management (2TX)
- IT & Management (old) (2TX)
- Internetprogrammeren (2TX)
- SN-Netwerkbeheer - deel 1 (2TX)
- SO-Digitale beeldbewerking (2TX)
- SO-Geavanceerde technieken voor webapplicaties (2TX)
- Statistiek (old) (2TX)
- Wiskunde 3 (2TX)
- Wiskunde voor informatici - deel 2 (2TX)
- Toegepaste informatica – fase 3
- BIS-EIM (3TX)
- Capita selecta (3TX)
- Communicatie in het Engels - deel 3 (3TX)
- Communicatie in het Frans - deel 3 (3TX)
- ERP (3TX)
- IT en management (3TX)
- Keuzevak-Ethische en soc. vraagstukken in de informatica (3TX)
- Keuzevak - Artificiële intelligentie (3TX)
- Keuzevak - Communicatiebeleid (3TX)
- Keuzevak - Extreme programming (3TX)
- Keuzevak - Flash (3TX)
- Keuzevak - Intensive program (3TX)
- MIS-Enterprise Resource Planning (3TX)
- MIS-Geavanceerde technieken in informatiebeheer (3TX)
- Project & Procesbeheer (3TX)
- SN-Netwerkbeheer - deel 2 (3TX)
- SO-.NET (3TX)
- SO-C++ (3TX)
- Voedings- en dieetkunde – fase 1
- Voedings- en dieetkunde – fase 2
- Casusexamen (2VX)
- Epidemiologie (2VX)
- PDO (2VX)
- Voedingsleer - deel 2 (2VX)
- Voedingsleer van de volwassene (2VX)
- Wetenschappelijk Engels (2VX)
- Wetenschappelijk bronnenonderzoek (2VX)
- Voedings- en dieetkunde – fase 3
Biomedische laboratoriumtechnologie (farmaceutische en biologische) – fase 2
Biofarmaceutische analyse (2LF)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-19). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Dit vak stemt overeen met 2LM (behalve onderdeel Farmacopee). Alle examenvragen zijn bijgevolg hieronder geplaatst: http://diana.be/examenwiki/index.php?title=2LM_Analytische_biochemie:_theorie_en_lab
Ziekteleer (2LF)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2012
- Tekenen van het hart en linkerdecompensatie uitleggen, 2 oorzaken geven en symptomen.
- Wat is jicht.
- Voorbeeld van fysiologische hypertrofie.
- Oorzaak syndroom van Simmonds.
- Voorbeeld van pathologische hyperplasie.
- Invultekst over ideopathische hyperplasie? (weet ik niet meer juist).
- Invultekst over nefrotisch syndroom + eigenschappen geven.
- 3 oorzaken van cellulaire schade.
- 3 dingen geven om prikwonden te vermijden.
- Wat is er beschadigd bij een 3de-graadsverbranding.
- Gevolg van vasculaire veranderingen na inflammatie.
- Chronische nefritis is irreversibel/reversibel (schrappen wat niet past).
- Leg triple test uit.
- Hoe voert men een vruchtwaterpunctie uit.
- Wat zijn petecchiën, en hoe ontstaat dit.
- Geef de pathogenese van Alzheimer.
- Leg translocatie uit met behulp van een tekening.
- Welke abnormaliteiten onderzoekt men bij karyotypering, wanneer doet men dit, en waarom.
- Vraag over die toxische zware metalen (lood, cadmium, arseen en kwik).
- 2 voorbeelden van: Roken vermenigvuldigt het risico op andere carcinogene invloeden.
- Leg 1 toxisch effect uit van het alcoholmetabolisme.
- Toxisch effect van cocaïne.
- 2 symptomen van vitamine A tekort.
- Meer dan 80% van de nierstenen bestaat uit ......
- Hoe bepaalt men bij een patiënt obesitas.
- Leg uit: Bij oedeem vindt er een gereduceerde plasma-osmotische druk plaats.
- Leg uit: systemische trombo-embool.
- Leg uit: Wat is trombose.
- Factoren die de ontwikkeling van een infarct beïnvloeden.
- Septische shock uitleggen.
- Definitie van hartfalen.
- Oorzaken van respiratory distress syndrome.
- Gevolgen van hypogonadisme.
- Hoe ontstaat intracraniale druk en 2 oorzaken geven.
- Zeggen wat MS is (iets in die aard).
- Verschil tussen colitis ulcerosa en ziekte van Crohn.
- Wat doet insuline met het glad spierweefsel.
- 2 oorzaken van hyperthyroïdie.
- Protease-antiprotease-evenwicht uitleggen.
- 2 symptomen geven van syndroom van Simmonds (met dank aan Jolien).
- saturday night palsy uitleggen.
- geef de belangrijkste oorzaak van aneuploïdie.
- spina bifida: leg uit.
- wat is een embool ?
Januari 2010
Dit zijn nog examenvragen van S. Opsomer
GROEP 1
- Syndroom van Klinefelter
- 5 voornaamste oorzaken hypertensie uitleggen (adhv schema)
- ontstaan renale osteodystrofie
GROEP 2
- carcinogenese schematisch + uitleggen hoe RNA-virussen hierin een rol spelen
- verloop tbc + symptomen
- symptomen bij nefrotisch syndroom verklaren adhv pathofysiologie
Januari 2011
- Bespreek de verschillen en de gelijkenissen van ziekte van crohn & colitis ulcus (op 10 punten)
- Bespreek het verloop van atherosclerose (op 8 punten)
- Bespreek de symptomen van achondroplasie en soort overerving?(op 10 punten) Leg FISH uit (op 10 punten)
- Leg kort en kernachtig uit (op 4 punten): - Occlusie
- Retrosternaal
- Hypercapnie
- Microcefalie
Biomedische laboratoriumtechnologie (medische) – fase 2
Ziekteleer (2LM)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-19). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
- Zie ook: 2LF Ziekteleer
Januari 2011
- Bespreek de pathofysiologie + klinisch beeld van Mucoviscidose (op 10 punten)
Bespreek de mogelijke test(s) voor deze ziekte (op 10 punten)
- Bespreek rechter hartdecompensatie (op 8 punten)
- Bespreek de ademtests van de gastro-enterologie. Op welk principe berusten ze en hoe werken ze? (op 8 punten)
- Leg kort en kernachtig uit (op 4 punten):
- Polyurie
- Aneurysma
- Ulcus
- Metaplasie
2009-2010
Juni
- Wat is een tumormarker en leg uit waarom PSA tot nu toe "de beste tumormarker" is.
- Geef het verband tussen roken, atherosclerose en myocardinfarct.
- Syndroom van Cushing: oorzaken, pathofysiologie en symptomen geven.
Augustus
- Leg de pathofysiologie, symptomen, … uit van CO-intoxicatie.
- Leg de werking en neveneffecten van Peritoneaaldialyse uit.
- Leg uit Diabetes mellitus Type II. Welke plasmamarkers moet men opvolgen bij Type II en waarom?
Biomedische laboratoriumtechnologie (medische) – fase 3
Beroepsethiek (3LM)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-25). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Geen examen van, er zijn 8 individuele opdrachten die je moet maken. + 3 groepswerkjes doen.
Capita selecta (3LM)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-25). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Juni 2019
Radioprotectie
- 3 isotopen van Waterstof geven
- verval reeks van radium 226 geven + tekenen
- Welke onderzoeken bij een persoon als hij bestraald is geweest?
- waarom I-126 en I-131 gebruiken
- geef een krachtige beta straler + kenmerken
- verschil klasse II en klasse III geven
- Ionisatiekamer tekenen + uitleggen
- I-121 gemorst welke type meter gebruiken + uitleg waarom
- ...
Wetgeving 1 Pagina
- Juist/fout geen uitleg geven
- Hoe noemt het als meerder diagnostische testen niet tegelijk aangevraagd mogen worden ofzoiet --> cumulregel
- casus: patient belt en wilt test CMV bijaanvragen mag dit?
Toxicologie
- Begrippen uitleggen: kinetische homogeneïteit, first pass effect, pharmaceutische fase, eerste orde.
- Welk antidotum geeft men aan iemand met een rattenvergiftoxicatie. Leg uit waarom!
- Welk orgaan wordt beschadigd wanneer met te veel paracetamol inneemt? Leg uit hoe dit gebeurt en welk antidotum men kan geven. Wat doet men als er schade is?
- IV 2 compartiment systeem geven + uitleg bij geven
- Juist/onjuist vragen over eigenschappen + bijvragen beantwoorden (indicaties, distributievolume, proteine-binding) van antibiotica (o.a. theophilline, ethanol, digoxine, rattenvergif etc).
- Aan wat kunnen antibiotica binden in het bloed. Geef een voorbeeld van een antibioticum met een zwakke binding en een sterke binding. Welke factoren kunnen deze binding beïnvloeden?
- Oefening met ethanol: man op spoed 73 kg, etc, dit gepaard met juist/fout vragen die aangevuld moeten worden.
- Oefening met paracetamol: meisje van 40 kg, 19 x 500 mg paracetamol genomen. Bereken de serumconcentratie (distributievolume en soortelijk gewicht zijn gegeven)
- GHB wat is heet + streetname ervan geven, MDMA/MMA/MDEA wat zijn ze?
- ...
Moleculaire diagnostiek
5 Pagina's
- Leg begrippen uit: Ct, cffDNA, MRD
- Multiplex PCR met Taq uitleggen
- juist/fout over thalassemie
- Juist fout is een puntmutatie te bepalen met: conventionele karyotypering/CGH/CCA/NGS
- testen + staaltypes om Down te detecteren geven
Januari 2015
Radioprotectie 1 Pagina
- Wat is de eenheid van straling? Schrijf volledig
- Hoeveel natuurlijke achtergrondstraling per jaar?
- Geef een orgaan dat vatbaar is voor straling
- Geef de 3 basisprincipes van radioprotectie.
- Welke onderzoeken bij een persoon als hij bestraald is geweest?
- Kenmerken gamma-straling geven.
- ...
Wetgeving 1 Pagina
- Wat is de cumulregel?
- In België voor IVD en bact met resistentie (gegeven), welke in Europa de overdraagbare ziekten?
- Juist/Fout vraag, er zijn meerdere antwoorden mogelijk.
- Wat doet het fonds van beroepsziekten?
Toxicologie 5 Pagina's: veel vragen
- Begrippen uitleggen: kinetische homogeneïteit, first pass effect, distributievolume, farmacodynamiek.
- Welk antidotum geeft men aan iemand met een rattenvergiftoxicatie. Leg uit waarom!
- Welk orgaan wordt beschadigd wanneer met te veel paracetamol inneemt? Leg uit hoe dit gebeurt en welk antidotum men kan geven. Wat doet men als er schade is?
- Halfwaarde tijd van een GM gegeven, geef grafiek met alle gegevens op. (steady-state etc)
- Juist/onjuist vragen over eigenschappen + bijvragen beantwoorden (indicaties, distributievolume, proteine-binding) van antibiotica (o.a. theophilline, ethanol, digoxine, rattenvergif etc).
- Aan wat kunnen antibiotica binden in het bloed. Geef een voorbeeld van een antibioticum met een zwakke binding en een sterke binding. Welke factoren kunnen deze binding beïnvloeden?
- Oefening met ethanol: man op spoed 73 kg, etc, dit gepaard met juist/fout vragen die aangevuld moeten worden.
- Oefening met paracetamol: meisje van 40 kg, 15 x 500 mg paracetamol genomen. Bereken de serumconcentratie (distributievolume en soortelijk gewicht zijn gegeven)
- ...
Moleculaire diagnostiek
5 Pagina's
- Leg begrippen uit: Ct, NIPT, SNP
- Wat is de rol van Taq polymerase in real-time kwantitative PCR?
- Juist/onjuist vragen over FISH, dubbel gekleurd
- Principe nested PCR
- Waarom is EBV viral load opvolgen belangrijk bij transplant patiënten?
- Principe emulsie PCR
Augustus 2014
Radioprotectie
- Wat is het verschil tussen radio-activiteit en dosis?
- Illustreer: strooistraling.
- Hoe reageert de ooglens op straling?
- Geef de 3 basisprincipes van radioprotectie.
- Geef twee organen die weinig gevoelig zijn voor straling.
- Geef de twee voornaamste bronnen van straling waaraan de Belgische populatie wordt blootgesteld.
- Wat is de eenheid van activiteit en geef de afkorting?
- Wat zijn X-stralen?
Wetgeving
- Wat is diagnoseregel?
- Wat zijn peillaboratoria?
- Waar of niet waar:
• Het beroepsgeheim geldt voor iedere Belgische werknemer.
• Iemand die moet getuigen voor de rechtbank is verplicht geheime info prijs te geven indien dit wordt gevraagd.
• In geen enkel geval mag geheime info doorverteld worden aan derden.
Toxicologie
- Begrippen uitleggen: osmol gab, kinetische homogeneïteit, first pass effect, distributievolume.
- Welk antidotum geeft men aan iemand met een ethyleenglycolintoxicatie. Leg uit waarom!
- Welk orgaan wordt beschadigd wanneer met te veel paracetamol inneemt? Leg uit hoe dit gebeurt en welk antidotum men kan geven.
- Beschrijf uitvoerig welke gastro-intestinale weg een geneesmiddel aflegt wanneer het oraal wordt ingenomen.
- Teken de grafiek van een IV dosis 1-compartiment. Geef ook alle wiskundige formules.
- Juist/onjuist vragen over eigenschappen (indicaties, distributievolume, proteine-binding) van antibiotica (o.a. theophilline, ethanol, digoxine).
- Aan wat kunnen antibiotica binden in het bloed. Geef een voorbeeld van een antibioticum met een zwakke binding en een sterke binding. Welke factoren kunnen deze binding beïnvloeden.
- Oefening: kind van 4 jaar weegt 18 kg en heeft 50 ml porto (22 v/v %) gedronken. Het distributievolume van ethanol is 0.65 L/kg. Soortelijk gewicht van ethanol is 0.8 kg/L en t1/2 is 5 uur. Bereken de ethanol plasmaconcentratie in g/L.
Moleculaire diagnostiek
- Bespreek FISH.
- Wat is de rol van Taq polymerase in real-time kwantitative PCR?
- Juist/onjuist vragen over array-CGH.
- Geef het principe van multiplex PCR.
- Welke structurele afwijking vindt men bij CML? t(9,22) BCR-ABL fusiegen
Juni 2014
Radioprotectie Korte antwoorden geven op vragen:
- 3 eigenschappen van alfa-straling
- leg uit proportionele teller of zoiets
- wat is de oude eenheid voor activiteit en de afkorting
- geef twee organen die weinig stralingsgevoelig zijn
- wat houdt groep II in bij de wetgeving van ARBIS (ofzoiets)
- wat zijn deterministische effecten
Wetgeving
korte antwoorden op vragen:
- leg de verschillende types labo uit: L1, L2, L3, L4
- aanduiden welke van de 4 stellingen juist waren (iets over erkenning vooraleer het RIZIV terugbetaald ofzo)
- welke instantie regelt in België, welke in Europa de overdraagbare ziekten bla bla (ik dacht WIV en ECDC)
Toxicologie
2 oefeningen, 8 vragen met enkele MKV, begrippen uitleggen:
- juist/fout vragen (maar die weet ik niet meer)
- zo'n berekening van hoeveel alcohol in bloed
- zo'n berekening van hoeveel paracetamol in bloed (geen idee hoe)
- teken grafiek van intraveneus 2-compartiment-gedoe
- methanol : welk orgaan tast het aan, welk antidota geef je, welk metaboliet wordt er gevormd, met welke techniek opsporen
- uitleggen wat fase 1 en fase 2 ofzoiets was (geeeeen idee)
- hoe worden geneesmiddelen gebonden in het bloed, wat kan dit beïnvloeden
- verklaar distributievolume
Moleculaire diagnostiek
7 vragen, voor elke vraag 1 blad dus uitgebreid beantwoorden
Januari 2012
Radioprotectie
- hoe kan je beschermen tegen radioactiviteit
- wat zijn deterministische gevolgen.
- Hoeveel msV krijg je normaal binnen in belgië?
Wetgeving
- Wat is de cumulregel
- mag een dokter tegen het advies van de gezondheidsraad ingaan?
- wat zijn de drie voorwaarden om MLT diploma te krijgen.
Toxicologie
Veel vragen, oefeningen zoals in de les.
- Je moet al die medicaties goed kennen ook hoe je analyse doet: salicylzuren, methanol etc. Ook de symptomen goed kennen.
- En een oefening.
Moleculaire diagnostiek
- Wat is real time PCR: Vooral vragen van de eerste les.
- Wat is nested PCR?
- Hoe kan je met PCR de evolutie van aids opvolgen?
Juni 2011
Radioprotectie
- rangschikken van isotopen volgens halfwaarde tijd
- rangschikken van isotopen volgens meest gevaarlijk
- Welke bescherming tegen alfa, beta, gamma stralen, en wat bij ze alle 3
- Hypertyroïde schildklier bestralen met welk isotoop? Leg uit hoe dit in zijn werk gaat.
- Teken ionisatiekamer + leg uit
- Meerkeuze vragen over welke isotopen afsterfbaar zijn
Wetgeving
- grondwet rangschikken
- patiëntenrechten
- CE-label
- 2 oefeningen schappen wat niet past (klein vraagjes)
Toxicologie:
- Uitleggen: halfleven, hepato-entero-circulatie, ...
- (was 14 pagina's, maar weet de vragen niet meer)
Moleculaire diagnostiek
- Real-time PCR in verband brengen met Light cycler principe
- Translocatie en verband met FISH uitleggen
- Tumorsuppressorgenen in verband met retinoblastoma uitleggen
- Pre/anterale testen
- cytogenetisch (karyotype) en moleculaire PCR van CML kunnen geven
- Array-CGH volledig uitleggen
Capita selecta - deel 1 (3LM)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-25). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Moleculaire diagnostiek (Nancy Boeckx)
1) Real-time PCR in verband brengen met Light cycler principe
2) Translocatie en verband met FISH uitleggen
3) Tumorsuppressorgenen in verband met retinoblastoma uitleggen
4) Pre/anterale testen
5) cytogenetisch (karyotype) en moleculaire PCR van CML kunnen geven
6) Array-CGH volledig uitleggen
Juni 2011
Radioprotectie:
- rangschikken van isotopen volgens halfwaarde tijd
- rangschikken van isotopen volgens meest gevaarlijk
- Welke bescherming tegen alfa, beta, gamma stralen, en wat bij ze alle 3
- Hypertyroïde schildklier bestralen met welk isotoop? Leg uit hoe dit in zijn werk gaat. - Teken ionisatiekamer + leg uit - Meerkeuze vragen over welke isotopen afsterfbaar zijn
Wetgeving: - grondwet rangschikken - patiëntenrechten - CE-label - 2 oefeningen schappen wat niet past (klein vraagjes)
Toxicologie: - Uitleggen: halfleven, hepato-entero-circulatie, ... - (was 14 pagina's, maar weet de vragen niet meer)
Integrale kwaliteitszorg: - die cirkel van PDCA (plan, do, check, act) - en nog 2 grote vragen.
Kwaliteitszorg (3LM)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-25). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Kwaliteitszorg
2016
1. verschil primaire en secundaire preventie 2. duid aan op x chart: bias, random error
2018
Vanstapel Vragen over kwaliteitssysteem: onderdelen, voordelen... Vragen over random en bias errors, aanduiden op grafieken Vragen over interne auditing. Tekstje gegeven over een interne audit. Vragen: zijn dit verdedigbare stellingen? Ga je akkoord? Naar wat kan er nog gekeken worden?
Wouters Voordelen van procesoptimalisatie voor klant en labo (voor elk 4 geven) Hoe wordt de deviatie index berekend en geef aan hoe deze moet zijn Vraag over weegschaal en afwijkingen (welke klasse)? 2 stalen met elkaar vergelijken en beoordelen op 2 criteria Hoe worden zwevende stoffen bepaald (mkv) en geef 2 redenen waarom deze slecht zijn voor een bepaling MKV over de eenheid van conductiviteit
9/01/2015
Vanstapel
Vraag 1: Verschil Aufbau en Ablauf en 3 toepassingen kwaliteitssysteem
Vraag 2: Duid aan op een X en een R-chart: z-..... (normalisatie), persisterende systematische errors, random error
Vraag 3:
- Iets met wat is een definitie
- Wat is een checklist? Hoe moet deze zijn?
- In welke wijze wordt de zin (in een protocol?) geschreven? (actief/passief)
- Duid het verschil aan met weten/kunnen/kennen
Wouters
- Batch en single proces uitleggen met voorbeeld
- Meerkeuzevraag over conductiviteitsmeting µS/cm, omgekeerde van MΩ/cm anorganische stoffen of omgekeerde voor meting anionen/kationen Ω/cm etc...
- Vraag over gewichten: juiste keuze klasse gewichten bij weegschaal voor 200g met 0,0005 nauwkeurigheid (d berekenen etc)
- Vraag wat Z-score, hoe beoordeel je een resultaat?
- Vorige toepassen op 2 resultaten: klopt het dat deze 2 resultaten juist zijn? (de 2de heeft negatieve Z-score en u-score)
- Meerkeuzevraag: Met wat kan men deze zwevende stoffen verwijderen? + geef redenen waarom ze moeten verwijderd worden, effect op bepaling etc
- Vraag met y = 1,598x - 0,835 (welke methode, toepassing, wanneer 2 methodes gelijk?, hoe noemen 1,598 en -0,835)
- Vraag vergeten
Wouters (? jaar)
- verschil primaire en ondersteunende processen
- KPI
- Validatie implementatie
- CLSI water type II (meerkeuzevraag)
- z-score
- Hardheid van water berekenen
- Vergelijking 2 stalen en of deze aanvaardbaar zijn volgens 2 criteria
- Zwevende stoffen (waarom deze niet nuttig zijn in bepaling)
- Met wat kan men deze zwevende stoffen verwijderen? (meerkeuzevraag)
Biomedische laboratoriumtechnologie – fase 1
Fysiologie (1LB)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Augustus 2012 (Opsomer)
1a. Verklaren hoe longalveolen zuurstof kunnen opnemen. (tip: denk aan voorwaarden voor diffusie en pas toe).
1b. De opname van zuurstof vergemakkelijkt de afgifte van CO2. Verklaar.
2a. Uitleggen hoe de filtratie van het bloed gebeurt in de nieren. (waar? wat? hoe?)
2b. Heeft de systeembloeddruk een invloed? Waarom of waarom niet?
3. Invultekst over hormonen: ACTH, Cortisol en hGH.
4. 10 juist/fout/ik weet het niet-vragen
_____
Juni 2012 (Opsomer)
1. Verklaar het verschil tussen de actiepotentiaal van de gestreepte spier en de hartspier (2 grafieken gegeven).
2a.verklaar symport + geef een voorbeeld uit de proximale tubulus van de nier
2b. verklaar osmose terhoogte van de proximale tubulus van de nier
3. invuloefening hormonen (waar geproduceert, werking,..)
4. juist/fout/ik weet het niet vragen
herexamen: oefening over hormonen door middel van tekst waar je woorde moet invullen.
_____
1) Verklaar het verschil tussen repolarisatiefase van de actiepotentiaal van de gestreepte spier en de actiepotentiaal van de hartspier (2 grafieken gegeven). 2) a. Teken symportcarrie van de proximale tubulus, wat zijn de eigenschappen hiervan en de gevolgen voor de urine.
b. Osmose in de proximale tubulus uitleggen en de voorwaarden voor osmose.
3) kader met hormonen invullen (aldosteron, parathormoon) 4) 10 juist/fout vragen
Juni 2011 (Opsomer)
1. Verklaar het verschil tussen de actiepotentiaal van de gestreepte spier en de hartspier (2 grafieken gegeven).
2. Invuloefening over hormonen.
3. Hoe werkt de negatieve feedback-regeling van hormonen? Geef een concreet voorbeeld.
4. Hoe worden de hersenen gewaar over de sterkte van een prikkel?
5. Hoe worden de hersenen gewaar over pijn? (acute pijn <--> chronische zeurende pijn)
6. Wat is het Haldane-effect?
7. Welke effecten hebben ADH en aldosteron op de werking van de nieren? Leg uit adhv een tekening.
8. 15 juist/fout/ik weet het niet vragen met giscorrectie.
Juni 2010 (Opsomer)
Vraag 1: Geef de verschillende manieren van iontransport over het celmembraan. Geef een beknopte beschrijving, de belangrijkste kenmerken en een concreet voorbeeld uit het menselijk lichaam.
Vraag 2: Teken de actiepotentiaal bij de prikkeling van de hartspiercel, benoem en verklaar de verschillende processen.
Vraag 3: Invuloefening cortisol, aldosterone, groeihormoon en calcitonine.
Vraag 4: a) Teken de proximale tubuluscel en duid aan hoe NaHCO3, NaCl, calcium en glucose uit de voorurine wordt geresorbeerd.
b) Op welke manier wordt water getranspoteerd in de proximale tubulus, toon aan hoe aan alle voorwaarden voor dit transport voldaan is.
Vraag 5: a) Wat word afgebeeld? (saturatiecurve)
b) Wat kun je hieruit afleiden?
c) Hoe verklaar je de verschuiving van de curve naar rechts onder invloed van een daling van de pH en onder invloed van een stijging van de pCO2
Vraag 6: Juist/fout/ik-weet-het-vraag --> gokken kost je punten!
1. Dankzij het discriminerend vermogen van sensoren, zullen mensen die naast een spoorweg wonen na verloop van tijd de trein niet meer horen tenzij ze er attent op worden gemaakt.
2. Het bijniermerg functioneert als een orthosympatisch ganglion waarbij de transmittor afgescheiden worden door endocriene cellen in plaats van door postganglionaire neuronen.
3. Vitamine D ondersteunt PTH in de absorptie van Ca2+ uit de darm, in de reabsorptie van calcium uit de voorurine en in de absorptie van calcium uit het bot.
4. Wanneer de pH in het bloed de neiging heeft om te dalen zal de O2 saturatie van hemoglobine dalen.
5. Bij indirecte prikkeloverdracht word de transmitter steeds verijgezet in een synaptische spleet en bevinden de receptoren zich op de celmembraan van de post synaptiche spleet.
Juni 2009, (Opsomer)
Schriftelijk examen
Vraag 1: Hoe kunnen ionen worden getransporteerd doorheen het membraan? Geef bij elke transport ook een voorbeeld uit het menselijk lichaam.
Vraag 2: bespreek de grafiek van de zuurstofassuratie in verband met de druk.
Vraag 3: Teken in een proximale tubulus het transport van glucose, NaCl, H2Co3 en hoe wordt water getransporteerd (bijvraag)
Vraag 1: Wanneer pH in het bloed de neiging heeft om te dalen zal de bicarbonaatbuffer ervoor zorgen dat de pH binnen bepaalde grenzen constant wordt gehouden. Hierbij zullen zowel de ademhaling als de nier een belangrijke rol spelen. Verklaar de stelling.
De bicarbonaatbuffer in de nier. (teken schematisch en leg uit)De bicarbonaatbuffer bij de ademhaling.
Vraag 2: Vul in of schrap.
Anti- diuretisch hormoon wordt geproduceert in …………………. en wordt vrijgezet door …………………..in ………………………onder invloed van …………………………..en ………………………….
Thyeriodstimulerend hormoon is een peptide/steriod hormoon met receptoren ter hoogte van……………………………………………………………………………………….
Vrijzetting van TSH door …………………. wordt geregeld door…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Groeihormoon heeft op volwassen leeftijd effect op het metabolisme:
KH(Koolhydraat):…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..
Vetten:…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….
Eiwitten:………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………...........
Vraag 3:
Meerkeuze vragen, er zijn meerdere antwoorden mogelijk, duid dan ook alle antwoorden aan die van toepassing zijn.
1) Actief membraantransport onderscheidt zich van passief membraantransport doordat het:
• onafhankelijk is van een concentratie verschil
• onafhankelijk is van een elektrisch potentiaal verschil
• energie vraagt aan de cel
• enkel door poriën in de membraan mogelijk is
• alleen ongeladen deeltjes betreft
2) Wanneer bij een cel \[1]e = ……………………………………………………………………………….
(wordt nog aangevuld)
3) Wanneer men een sensor prikkelt met zijn adequate prikkel:
• zal deze prikkel steeds voort geleid wordt naar het CZS
• zal de amplitudo van de actiepotentiaal ter hoogte van de sensor afhankelijk zijn van de sensor afhankelijk zijn van de sterkte van de prikkel
• zal de snelheid waarmee de prikkel wordt voorgeleidt over het afferente neuron afhankelijk zijn van de sterkte van de prikkel
• zal het aantal depolarisaties per tijdseenheid over het afferent neuron afhankelijk zijn van de prikkelsterkte
• zal het centrale zenuwstelsel wordt geïnformeerd over de sterkte en de duur van prikkel op voorwaarde dat de prikkeldrempel overschreden wordt.
4) Neuromusculaire prikkeloverdracht:
• is steeds een vorm van directe transmissie
• zal bij prikkeloverdracht van een motorsiche neuron op een gestreepte sier steeds gebeuren door middel van ACH dat bindt op een nicotine receptor
• Zal bij prikkeloverdracht van een orthosympatische neuron op een gladde spier steeds gebeuren door noradrenaline dat bindt op een beta-receptor
• Zal bij prikkeloverdracht van een parasympatisch neuron op een gladde spier steeds gebeuren door adrenaline dat bindt op een alfa-receptor.
• Kan bij een parasympatische prikkel geremd wordt door atropine
5) Cortisol
• is een glandotroop hormoon
• wordt geproduceerd door de bijnierschors
• heeft zijn receptoren ter hoogte van de celmembraan van alle lichaamscellen
• verhindert de vrijzetting van glucose uit glycogeen in de spiercellen
• verhindert de opname van aminozuren in de spiercellen
Vraag 4: In welk deel van de nier wordt bloed gefilterd
Hoe verloopt de filtratie
Is de filtratie afhankelijk van de systeem bloeddruk? Waarom of waarom niet?
Juist of fout vragen:
1) waneer de adenohypofyse veel adosterone vrijzet in de bloedbaan, zal de urine weinig geconcentreerd zijn.
2) In de weefsels zal de opname van CO2 in de bloedbaan er mee voor zorgen dat hemoglobine makkelijk O2 zal afstaan
3) Ionen kunnen zich over een celmembraan verplaatsen door middel van carriers door heen ion kanalen of door osmose.
4) Prikkels zullen sneller naar het CZS worden geleid over sensibele neuronen dan over C- vezels met nocisenoren
5) In de urine komen normaal gezien geen aminozuren voor omdat aminozuren niet worden gefilterd.
Augustus 2009, Opsomer
Schriftlijk examen
Vraag 1: Teken of bespreek het transport van glucose, NaHCO3, NaCl en calcium in de proximale tubulus van de nier.
Vraag 2: Invuloefening Acetycholine
Ach wordt geproduceerd in ....................................... en vervoerd door hun.......................................................... door middel van.....................................................,
een actieve/passieve vorm van membraan transport, wordt ach vervolgens vrijgezet in .............................................................................. .
Dit gebeurt wanneer.................................
Vervolgens zal ach getransporteerd worden naar zijn receptor door middel van............................., een vorm van actief/passief transport.
De receptoren voor ach op de gestreepte spiercel noemen we ................................................. . Deze receptoren kunnen geblokkeerd worden door................................ wat een spierverlamming zal teweeg brengen.
Effecten van ach op de receptor van de gestreepte spiercel zijn:
.................................................................................................................................................................................
.................................................................................................................................................................................
Vraag 3: Bespreek de ventilatie in de longen
Vraag 4: Bespreek Cortisol:
- productie ter hoogte van:
- productie onder invloed van:
- soort hormoon:
- receptoren ter hoogte van:
- binding van cortisol heeft de volgende effecten:
.....................................
........................................
.........................................
........................................
.......................................
.......................................
.......................................
.....................................
- de concentratie van cortisol wordt geregeld door:
Meerkeuze vragen, alle mogelijke antwoorden aan duiden.
1) Op het einde van de proximale tubulus
- is de voorurine hypertoon ten opzichte van het bloedplasma
- is de concentratie creatinine in de voorurine hoger dan bij het begin van de proximale tubulus
- is de concentratie eiwitten hoger dan bij het begin van de proximale tubulus
- zit er geen glucose meer in de voorurine
- zit er geen NaCl meer in de voorurine
- is de concentratie ureum even hoog als bij het begin van de proximale tubulus
2) Het ademhalingscentrum zal de ademhalingspieren een prikkel tot contractie geven als:
- de pCO2 in de arterie carotis strijgt
- de pH in het bloed stijgt
- de bronchioli maximaal openstaan
- er weinig lucht doorheen de trachea stroomt
- er en hogere luchtdruk heerst
- de pO2 in het rechter atrium stijgt
3) Volgende hormonen zorgen ervoor dat de glucose concentratie in het bloed stijgt:
- insuline
- glucagon
- aldosterone
- cortisol
- groeihormoon
- thyroxine
Vraag 5: Juist/fout of ik weet het niet vragen, fout gokken kost punten!
1) in het opstijgend deel van de lis van Henle heeft enkel osmotisch watertransport plaats
2) de vrijzetting van O2 uit het bloed verloopt sneller als de pO2 hoog is
3) de adequate prikkel van de smaaksensoren moet een chemische vluchtige stof zijn die vetoplosbaar is.
4) als Hb splitst van O2 kan het binden met H+ en zo de pH in het bloed beïnvloeden
Maatschappelijke en ethische vorming (1LB)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Ethiek
Van dit vak is er geen examen. De puntenverdeling gebeurt door elke week of om de paar weken een klein opdrachtje ivm ethiek in te leveren. Op het einde van het semester moet je een presentatie voor je reeks geven over een onderwerp en de ethische kant hiervan toelichten.
Enkele voorbeelden van onderwerpen zijn:
- chocolade
- ivf
- pseudohormonen
- verslavingen
- Weesziekten
- GGO's
- Allergieën
- Klonen
- Transhumanisme
- ...
Juni 2011 (W. Pinxten)
Je krijgt 2 theorie vragen + 1 casus die je moet bespreken.
Theorievragen:
- In welk ethisch denkmodel hoort het pareto-optimum thuis? Leg uit. (ook voorbeeld geven)
- Zijn waarden en normen universeel? Waarom wel/niet?
- "Cultiveren is beter dan controleren". Leg uit.
- Wat is een moreel dilemma?
- Wat is rechtvaardigheid, geef een voorbeeld.
- wat is medische ethiek, leg dit uit aan de hand van een voorbeeld.
- Geef drie voorbeelden van deugden
Juni 2012 (G. de Vleeschouwer)
je krijt twee vragen uit een lijst die je opvoorhand kreeg
- Leg uit wat de invloed is geweest van de moderne wetenschap (de opkomst ervan) op ons mens- en wereldbeeld (op de beleving van onszelf). Maak in je antwoord ook duidelijk wat de kloof tussen zingeving en kennis betekent, en bespreek of deze kloof problematisch is of niet (gaat het om een conflict of niet)?
- Leg uit wat existentialisme is en licht dit eventueel toe aan de hand van de film Play it Again, Sam.
Mechanica (1LB)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Dit vak is samengevoegd geweest met 1LB Elektromagnetisme en thermofysica: th., oef. & lab naar het nieuwe vak 1LB Toegepaste fysica
Januari 2011
Reeks 4
Theorie
1. Het bewijs van die veerconstante/harmonische trilling
2. - In een glas water zit een ijsblokje, glas is tot de rand gevuld. Als het ijsblokje smelt loopt het glas dan over? Nee dit loopt niet over(Ja, verschil in dichtheid van ijs en water)
- Een plankje drijft op een vloeistof, met verschuift het met een kracht F. Als de opp vergroot, vergroot dan oo, de kracht? ( Ja, verband halen uit formule viscositeit)
- Voorwerp heeft als versnelling functie a(x) = ... . Is dan v(x) = ... de functie die de snelheid weergeeft? En wat is dan de c in v(x) (Checken of de integraal klopt, de c is dan de beginsnelheid
- In een stationaire stroming hebben vloeistof druppels allemaal een stroomlijn, kunnen deze stroomlijnen kruisen?
- De laatste weet ik niemeer :)!
Ze stelt ook wel nog enkele bijvragen maar dit is het belangrijkste
Oefeningen
- Een kanonkogel wordt op een gebouw geschoten van 12 meter. Je krijgt beginsnelheid, de hoek en de afstand tot het gebouw.
- - Je moet uitrekenen of hij de top raakt of niet. (Oefening op schuine worp dus).
- - Je moet uitrekenen of hij de top raakt of niet. (Oefening op schuine worp dus).
- Oefening op golven. Je krijgt een paar gegevens ( Amplitude, periode, golfsnelheid, de uitwijking in de oorsprong op t1).
- Bereken de uitwijking op t1 op 10 cm van de oorsprong.
- Wat is de snelheid in dat punt.
- Een oef op hydrostatica/dynamica
Januari 2012
Theorie
1. Afleiding van oppervlaktespanning + verklaar het begrip
2. - Functievoorschrift van harmonische trilling gegeven --> periode gevraagd
- Is de luchtdruk op de Mont Blanc dezelfde als bij ons? (Neen, de druk daalt exponentieel met toenemende hoogte dus de druk zal er lager zijn dan bij ons)
- Gegeven : een massa, een straal en een omwentellingssnelheid Gevraagd : centripetale kracht --> via F = m.a = m.R.(omega²)
- Vraag over Magnusffect --> effect van een voetbal (volgt een banaanvormige curve en gaat dus niet recht naar het doel) Oplossen met wet van Bernoulli
oefeningen 1. twee mensen op een schaatsbaan die naar de overkant schaatsen. De afstand is gegeven de snelheid moet je voor het meisje aflijden uit een snelheidsdiagram (veranderd vaak)zij krijgt ook 10m voorsprong op de jongen. De jonge heeft een constante versnelling van 1 m/s. Gevraagt is hoelang de verplaatsing van het meisje duurt en wanneer de twee mensen elkaar inhalen en of ze elkaar inhalen.
2. Bereken het depied van een vat met onderaan een opening die op het einde nog eens versmalt. Gegeven was denk ik de doorsnedes van de doorgang en de versmalling. De snelhied in het vat is verwaarloosbaar. tweede vraag was ook de druk in de doorsnede.
Theorie
(23/01/2012 van lector R.Vermeylen)
1)Capillaire opstijging en depressie (bij welke gaat er depressie optreden en bij welke opstijging: water en kwik)
2)Formule van harmonische trilling is gegeven (deze is ingevuld met waarden, jij moet de waarde van de pulsatie geven (w))
3)Geef de formule van de centripetale kracht
4)Is de luchtdruk hoger of lager in de Mont Blanc dan hier (leg uit)
5) Leg Magnuseffect uit (wet van Bernoulli)
Oefeningen
1) Rutger en Annouck schaatsen over een ijsbaan. De ijsbaan is een rechthoek, heeft een lengte van 60,0 m en een breedte van 30,0 m. Rutger staat aan het ene uiteinde van de ijsbaan en schaatst naar de andere kant.
Annouck schaatst in dezelfde richting maar start met 10,0 m voorsprong op Rutger
- Wanneer bereikt Annouck het einde van de ijsbaan
- Rutger schaatst met een constante versnelling 1 m/s2. Zal hij Annouck inhalen, indien ja wanneer, indien nee wat is zijn achterstand?
2) Op een waterbuisleiding is een venturimeter geplaast. De manometer is met kwik gevuld en geeft een hoogteverschil van 30 cm. De doorsnede van de waterleidingsbuis heeft een oppervlakte van 8 cm2, aan de vernauwing is de oppervlakte 4 cm2
- Bereken de doorstroomsnelheid van het water in de vernauwing
- Bereken het debiet
(24/01/2012 van lector R.Vermeylen)
Theorie
1)Leg de werking van een bunsenbrander uit (wet van Bernoulli). (zeggen dat de druk in de bunsenbrander lager is dan de luchtdruk buiten dit is omdat de snelheid in de bunsenbrander hoger is en buiten wordt als windstil beschouwd.) je moet ook nog een ander voorbeeld van de wet van Bernoulli zeggen vb.: de vleugel van een vliegtuig.
2)Bereken de centripentale kracht straal,omwentelingssnelheid en massa gegeven.
3)Een punt dat 2pi rad/s draait start bovenaan. Waar bevindt dit punt zich 1,5s later?
4)Is de luchtdruk hoger of lager in de Mont Blanc dan hier (leg uit)
5)2 Capillairen gegeven met verschillende straal. Ze staan in zuiver water gevraagd is of het een capillaire opstijging of daling is en geef het hoogteverschil.
Oefeningen
1) Rutger en Annouck schaatsen over een ijsbaan. De ijsbaan is een rechthoek, heeft een lengte van 60,0 m en een breedte van 30,0 m. Rutger staat aan het ene uiteinde van de ijsbaan en schaatst naar de andere kant. Annouck schaatst in dezelfde richting maar start met 10,0 m voorsprong op Rutger Wanneer bereikt Annouck het einde van de ijsbaan Rutger schaatst met een constante versnelling 1 m/s2. Zal hij Annouck inhalen, indien ja wanneer, indien nee wat is zijn achterstand?
2) Op een waterbuisleiding is een venturimeter geplaast. De manometer is met water gevuld en er is een drukverschil van 0.3atm. De doorsnede van de waterleidingsbuis is 20cm en het smallere gedeelte een doorsnede van 10cm. de waterleidingsbuis is gevuld met kerosine ... kg/m^3 Bereken de hoogte van de manometer. Bereken het debiet.
(26/01/2012) Vetgedrukte tekst=== Theorie ===
Vraag 1
a) Geef de afleiding voor de formule van capillaire opstijging.
b) Bereken de hoogte van de opstijging van Dreft in een capillair (gegeven: alpha, dichtheid van Dreft, straal capillair, oppervlaktespanning) Bijvragen: hoe zorgt Dreft ervoor dat de capillaire opstijging verschilt aan de opstijging van zuiver water.
Vraag 2
a) y(t) = 3.sin(4t + pi/4) Periode T hieruit halen.
b) Verschilt de luchtdruk op de Mont Blanc met die van ons?
c) Gegeven: straal, massa en omwentelingssnelheid. Bereken de centripetale kracht.
d) Magnus-effect (voetbal) uitleggen adhv Bernoulli.
Oefeningen
Vraag 1 Idem als vorige examens (Annouck & Rutger).
Vraag 2 Op een waterbuisleiding is een venturimeter geplaast. De manometer is met kwik gevuld (dichtheid en delta h gegeven). De oppervlakte van de waterleidingsbuis is 8cm^2 en het smallere gedeelte een oppervlakte van 4cm^2. de waterleidingsbuis is gevuld met water. Bereken de doorstroomsnelheid in het smalle gedeelte. Bereken het debiet.
Menselijke biologie (1LB)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Augustus 2012
- Terminologie : van medische term naar betekenis en omgekeerd en 2 tegengestelde
- Vergelijk de microscopische bouw van de trachea en de bronchiolus
- Tekening van het hart
- Geef schematisch de bloedsvoorziening van de lever weer
- Beschrijf de bouw van de wand van de lege urineblaas
- 10 stellingen : juist/fout/weet ik niet
Januari 2012
- Medische terminologie: van medische term naar betekenis en omgekeerd en 2 tegengestelde
- Bespreken van de bouw van de wand van de arteriën, arteriool en venen
- Invultekst over adenhalingsstelsel
- 3 meerkeuzevragen (gis-correctie)
- Nefron tekenen + benoemen van alle delen, filtermembraan tekenen en uitleggen
- Tekening over de lever,gal en pancreas + microscopische bouw van de pancreas geven
- 5 stellingen: Juist/fout/weet het niet vragen (gis-correctie)
Januari 2011
- Begrippen uitleggen, synoniemen,...
- Teken de bloedsomloop (zoals januari 2010) + duid de prikkelgeleiding aan
- Uit wat is lymfe opgebouwd, leg uit adhv het aanmaken van lymfe. Is alle lymfe hetzelfde?
- Alveolo-capillaire membraan
- 5 meerkeuze (-1 bij fout)
- Hoe is de maagwand aangepast aan zijn functie
- Tekening: macroscopische bouw van de nier
- 5 stellingen: goed/fout/weet het niet
Januari 2010
- Begrippen uitleggen, synoniem, tegengestelde,...
- Teken de bloedsomloop, benoem alle belangrijke delen van het hart, duidt grote en kleine bloedsomloop aan, zuurstofrijk en -arm bloed, bloedstroom, geleiding,...
- Afbeelding van het liquorsysteem, benoem de delen en leg de werking uit.
- Beschrijf de wand van de dikke darm.
- 10 stellingen: juist, fout of ik weet het niet.
2009-2010
Augustus
- tekenen van een nefron + distale tubulus
- terminologie : glomerulus, ontsteking van de lever, hypotensie, caecum, speekselklier, muscularis mucosa
- epitheelweefsel van de trachea
- prikkelgeleiding van het hart
- meerkeuze oefening (aankruisen van de juiste bolletjes)
- tekening van de organen: aanvullen
- juist/ fout/ ik weet het niet (5 vragen)
Januari
- Begrippen kunnen uitleggen, begrip kunnen geven bij een uitleg
- Teken een nefron en benoem alle delen.
- Je krijgt een tekening van leverlobjes, benoem alles. Geef de functies van de lever.
- Invuloefening over de bloedsomloop.
- 10 stellingen: juist, fout of "???". Indien fout moet je de fout verbeteren en indien juist uitleggen. Als je ???" aankruist krijg je geen punten, maar als je fout gokt krijg je minpunten.
CC – fase 3
Retrosynthese en ringsluiting (3CC)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
tip a: Google 'retrosynthesis examples' of 'retrosynthesis exercises'. Hier staan veel uitgewerkte oefeningen bij (bijvoorbeeld http://www.massey.ac.nz/~gjrowlan/chem312/tutorial.pdf) die Faes soms letterlijk gebruikt in zijn lessen op zelfs op zijn examen!
tip b: 2 oefeningen uit extra oefeningen retrosynthese. Maak deze al eens thuis, het is toch open boek. En vergeet de website http://www.organic-chemistry.org/ niet. Daar staan alle naam reacties goed op uitgeschreven. De docent haalt deze website zelf vaak aan. Voor mijn examen heb ik er een hele hoop afgedrukt en tussen mijn nota's gestoken. Dit hielp wel om bepaalde reacties terug te vinden.
Examen januari 2015:
Vraag 1: Verklaar volgende synthese (3 punten)
[afbeelding uit de oude wiki niet gearchiveerd]
Vraag 2: Retrosynthese van volgend molecule (2 punten)
[afbeelding uit de oude wiki niet gearchiveerd]
Vraag 3: Retrosynthese van volgende moleculen (8 punten)
[afbeelding uit de oude wiki niet gearchiveerd]
Vraag 4: Pericyclische reacties (4 punten)
[afbeelding uit de oude wiki niet gearchiveerd]
Vraag 5: iets gelijkaardig zoals bij vraag 1 (3 punten)
Spectroscopie (3CC)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 37% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Schriftelijk examen Januari 2019 (H. Roex)
Theorie
1. Doorstreep wat niet juist is en motiveer ja antwoord.
a) Gegeven is aan molecule met nitriet en koolstoffen zijn genummerd. Ondervindt H1 deshileding/shielding. Gaat dit dan gepaard met hoog/laag magnetisch veld en geeft dit een hogere/lagere chemische shift?
b) Omdat y dezelfde/verschillend is krijgen we verschillende pieken in IR-spectrometrie.
c) weet niet meer
2. MALDI-TOF uitleggen (principe, formule, voor welke moleculen)
Oefeningen
1. Oefening met IR + 1H NMR
2. Oefening met massaspectrometrie waarbij bepaalde pieken moeten aangetoond worden met de fragmentaties
3. Combo oefening
Schriftelijk examen Augustus 2017 (H. Roex)
Theorie
1. Rangschik volgende 3 molecules volgens dalende frequentie waarbij ze zullen vibreren. Er moest gekeken worden naar de Mesomere en inductieve effecten.
2. (Niet kunnen oplossen, denk dat het ongeveer het volgende was) Teken en beschrijf wat er gebeurt bij een magnetische pulsvector van 90°.
3. Waarom wordt er in het massaspectrum bij een chemische ionisatie (CI) een moleculaire ionpiek verkregen die 1 hoger is als de verwachte massa van het molecule (omdat bij een CI een proton wordt gedoneerd aan het molecule zodat er een (MH+)-ion ontstaat. Geef 1 voor & nadeel dat je hebt bij deze CI en 1 voor & nadeel dat je hebt bij EI (elektron ionisatie). (Antwoord denk ik: ze zijn complementair - bij CI heb je weinig fragmentatie en goede moleculaire ionpiek & bij EI heb je bijna geen moleculaire ionpiek maar wel veel fragmentatie).
Oefeningen
1. Oefening met IR + 1H NMR
2. Oefening met massaspectrometrie waarbij bepaalde pieken moeten aangetoond worden met de fragmentaties
3. Combo oefening
Schriftelijk examen Januari 2016 (H. Roex)
Theorie
1. Wat gebeurt er met de netto magnetisatievector als er een puls wordt aangelegd + teken dit ook.
2. Magnetische analysator uitleggen + formule(s) geven
3. Enkele waarden verklaren in een IR-spectrum van twee moleculen (de waarde voor NH en nog een functionele groep). (Dit a.d.h.v. de theorie, dus bijvoorbeeld a.d.h.v. mesomere effecten, waterstofbruggen, conjugatie,... [De informatie in het schuin wordt niet gegeven, heb ik er maar bij gezet om het duidelijk te maken])
Oefeningen
1. A.d.h.v. een IR-spectrum en een 13C NMR spectrum de juiste structuur vinden (brutoformule is gegeven).
2. 4 pieken verklaren in een massaspectrum a.d.h.v. fragmentatie (structuur is gegeven).
3. Combinatie-oefening waarbij 4 spectrums gegeven zijn (13C NMR-, 1H NMR-, IR- en massaspectrometrie). Bepaling van de structuur uit deze 4 spectrums (brutoformule gegeven).
Wat ik opgevangen heb uit andere groepen (examen 1 & 2) is niet volledig uitgeschreven maar mijn examen zelf (examen 3) is wel bijna volledig uitgeschreven.
Examen 1
Theorie (mondeling):
- Een vraag over de Fourier transformatie, met die Michelson interferometer uitleggen
- 2 stellingen, juist of fout en verantwoorden
Oefeningen (schriftelijk):
- Een oefening met enkel IR en NMR
- Symmetrie terug vinden in een trichloorbenzeen molecuul
- Een gecombineerde oefening
Examen 2
Theorie (mondeling):
- De EI en CI techniek uitleggen
- 2 stellingen, juist of fout verantwoorden
Oefeningen (schriftelijk):
- Een oefening met enkel IR en 1H NMR
- Een oefening met enkel 13C NMR
- Een gecombineerde oefening
Examen 3
Theorie (mondeling):
1.
a. Er werd een MALDI-TOF techniek gebruikt. Wat is hier de massa analysator?
b. Bespreek deze massa analysator aan de hand van het principe en mogelijk enkele formules.
c. Wat is het voordeel van met een matrix te werken?
2. Zijn de stellingen juist of fout. Verantwoord/beargumenteer je antwoord, eventueel wiskundig indien nodig.
a. Is een golflengte van 8µm hetzelfde als 1250 cm-1? (het werd beter verwoord zoals een echt vraagstukje maar dit was de essentie)
b. Kan je met een broadband onkoppelde 13C NMR spectrum de types van de koolstoffen achterhalen?
Oefeningen (schriftelijk):
3. Een oefening met enkel een IR en 1H NMR spectrum en een brutoformule.
4. Er zijn 4 ongelabelde potjes teruggevonden in het labo. Er werd een 1H NMR en 13C NMR van genomen. De stoffen die er in gevonden zijn: 1,1-dibroompropaan, 1,2-dibroompropaan, 1,3-dibroompropaan en 2,2-dibroompropaan. In welk potje zat welke stof? Link de stoffen aan de gegevens van de spectra.
a. Bij 13C NMR waren er 3 koolstof resonantiesignalen en bij de 1H NMR waren 3 signalen, de meest intense piek was een (hier stond zoiets als singlet, dublet, triplet, ...) bij ... ppm
b. Bij 13C NMR waren er 2 koolstof resonantiesignalen en bij de 1H NMR waren 2 signalen, de meest intense piek was een (hier stond zoiets als singlet, dublet, triplet, ...) bij ... ppm
c. Bij 13C NMR waren er 2 koolstof resonantiesignalen en bij de 1H NMR waren 1 signalen, de meest intense piek was een (hier stond zoiets als singlet, dublet, triplet, ...) bij ... ppm
d. Bij 13C NMR waren er 3 koolstof resonantiesignalen en bij de 1H NMR waren 3 signalen, de meest intense piek was een (hier stond zoiets als singlet, dublet, triplet, ...) bij ... ppm
5. Een gecombineerde oefening met enkele specifieke vragen:
a. Bepaal de pieken van het MS spectrum met een (*) bij. Geef de manier van splitsing en het ion alsook de M/Z.
b. Bepaal het gebied tussen 3000 en 1500 cm-1 van het IR spectrum.
c. Bepaal de pieken op het 1H NMR spectrum.
d. Verklaar piek 198 ppm en 60 ppm op het 13C NMR spectrum en vermeld welke koolstof het is in de structuurformule.
Aan de hand van dit laatste uitgebreid examen voorbeeld weet je wel wat ongeveer te verwachten ook voor de andere voorbeelden.
Veel Succes!
Examen januari 2015:
theorie
1. Leg fast atom bombardement uit.
2. Leg de quadrupoolanalysator uit.
3. wat is tandem MS of MS/MS?
3. Wat is resonantieconditie?
oefeningen
1. IR en 1H NMR zijn gegeven: zoek de structuur van het molecule, verklaar deze mbv 1H NMR en IR.
2. Massaspectroscopie van een molecule.
3. IR, 1H NMR en 13C NMR zijn gegeven: zoek de structuur van het molecule, verklaar deze mbv IR, 1H NMR en 13C NMR. Doe ook massaspectroscopie van dit molecule.
CP – fase 3
Toegepaste mechanica (3CP)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januarie 2014
Vraag 1 (M): Leg NPSH uit. Teken diagramma en geef formules.
Vraag 2 (S): Geef de werking en het arbeidsdiagramma van een meerstapscompressor met koeling.
Vraag 3 (M): Geef de werking van een dubbelwerkendeplunjerpomp weer. Teken een schets en de nodige grafieken.
Vraag 4 (S): Leg uit hoe je de opvoerhoogte van een pomp in een systeem kan bepalen.
Eerder
Vraag 1: Leg uit wat een centrifugale pomp is en benoem alle delen.
Vraag 2: De verschillende stappen van een oefening theoretisch uitleggen.
Vraag 3: Geef het arbeidsdiagramma van een compressor met koeling.
Chemie – fase 1
Maatschappelijke en ethische vorming (1CX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-03-30). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Tweedejaarsvak geworden!
Maatschappelijke en ethische vorming 2017
Vraag 1: Leg uit
a) postmodernisme
b) Rank and Yank
c) the commonds
d) peer-2-peer
Vraag 2: lees de tekst
a) duidt aan waar dit in voorkomt: pré-fordisme/fordisme/postfordisme en leg uit
b) einde van het neoliberalistisch kapitalisme? leg duidelijk uit, geef ook enkele andere voorbeelden, waarom wel/waarom niet?
Maatschappelijk en ethische vorming (van Gregory De Vleeschouwer)
Drie vragen: twee inzichtsvragen (zoals uit de lijst hieronder) en een vraag waarin je je mening moet verdedigen over een van de drie discussietopics (klonen, transhumanisme en ggo's).
- Leg uit: ethiek is een vorm van zien. Kan je dit evt illustreren met een vb uit de film Crimes and Misdemeanors?
- Hoe werd de ethische dimensie in ons leven traditioneel (in de klassieke tijd en in de middeleeuwen) verklaard? Waar dacht men dat ze vandaan kwam? En wat zijn de problemen met dit antwoord?
- Leg uit wat de grootste tegenstelling is tussen de traditionele en de moderne ethiek.
- Geef de twee voornaamste stromen van de moderne ethiek en leg ze kort uit. Waarin bestaat het grootste verschil met de traditionele ethiek?
- Leg uit welke invloed het ontstaan van de moderne wetenschap heeft gehad op de traditionele beleving van de wereld.
- Kan je uitleggen waarom er fascinatie uitgaat van de 'onttovering' van de werkelijkheid? Wat is er zo aantrekkelijk aan de idee dat we in een 'onherbergzame' wereld leven waarin de mens niet thuis is? (cf. romantiek, schilderijen van Caspar David Friedrich, 'Melancholia' van Lars von Trier, ...)
- Sluiten wetenschap en zingeving elkaar uit?
- Hoe vat men de mens op in de smalle moraal? En hoe in de brede moraal? Waaruit bestaat het verschil?
- De mens is een sociaal dier. Leg uit wat dit betekent.
- Aan het feit dat de mens een sociaal dier is kleven twee gevaren. Leg het eerste gevaar uit, dat van fundamentalisme.
- Leg het tweede gevaar uit, dat van het consumentisme.
Januari 2011 (Wim Pinxten)
Je krijgt 3 vragen. Deze bestaan uit 2 theorie vragen en de derde vraag is bij iedereen dezelfde: een casus analyseren, denkmodel op toepassen en verdedigen. Het volledige examen is mondeling en je moet laten zien dat je het begrijpt dus niet letterlijk de cursus citeren. Hoe meer je verteld, hoe minder bijvragen hij stelt. De mogelijke theorie vragen staan hieronder vermeld.
- Leg een denkmodeld volledig uit. ( Deontologie, deugdethiek, communitarisme of utilitarisme)
- Geen een voorbeeld van (sociale ethiek, economische ethiek, milieu ethiek of medsiche ethiek) en verklaar je voorbeeldkeuze. Welk denkmodel zou je daarop toepassen?
- Wat bedoelt men met: "cultiveren is beter dan controleren?"
- Wat is een dillema?
- Wat is het verschil tussen een ethische vraag en een gewone vraag?
- leg uit: pareto-optimum.
- Wanneer spreek je van een ethiek?
- Wat heeft het experiment van Milgram met ethiek te maken?
- Wat is de is-ought spanning?
Chemie – fase 2
Organische chemie - deel 2 (2CX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-23). 56% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Voor een inhoudstafel zie: https://docs.google.com/viewer?a=v&pid=explorer&chrome=true&srcid=0B_gDI_tSM_A7NDQzNjYwMmQtNGY2Yi00NzQ3LWE2MGUtZTEyZmE1MjA2MTll&hl=en&authkey=CJPT0MkO
Vragen zullen na het examen worden toegevoegd.
Augustus 2016
Kostermans:
1) kruisreactie -> aan welke voorwaarden moet je voldoen?
2) Eindproduct met verschillende groepen => hoe maken?
3) Pd-katalyse reactie met Sonogashira koppeling (gebruik van CuI en Et3N)
Mens:
1) Nitrering bij 2x -I<+M (para tov van elkaar)
- gaat het vlot? + waar komt de elektrolyt? + hoe je aan de elektrolyt komt + volledig mechanisme
2) Dicarbonzuur + sterke base -> ? + chloorbenzeen -> benzeenring aan dicarbonzuur
- gebeurd dit via elektrofiele substitutie, via nucleofiele aromatische substitutie of via benzyn
- schrijf mechanisme
3) Basiciteit rangschikken
Januari 2016
22/01 Kostermans:
1)
2)
3) Pd reactie
Mens:
1)
2)
3) Basiciteit, rangschikken
Januari 2011
Vraag 1:
- Hoe ga je van cyclopentanon naar onderstaande verbindingen: (krijg je 8 verbindingen die je moet maken), soortgelijke oefening is te vinden op p 120
Vraag 2:
- In japan maakt men caprolactam(je krijgt de formule) uit cyclohexaan en Cl-N=O, leg het reactiemechanisme uit. tip, radicalair. oplossing staat letterlijk op p.247
Vraag 3:
- een verbinding waar je een zuurchloride-zijketen op plaats, deze zijketen heeft een keer een C=O(als keton) er in en de andere keer niet. verklaar hoe beide ketens geaddeerd worden(je mag enkel AlCl3 gekruiken). een van de reactieproducten heeft beide zijketens, verklaar welke er eerst op moet en waarom. (opl: C=O verwijderen door te verwarmen, gaat weg als CO gas.)
Vraag 4:
- krijgen reacties over leerstof van de zelfstudie, moeten ze verklaren.
Vraag 5:
- maak volgend modelcule (benzeenring met NO2 en op en in m-positie t.o.v. deze NO2 staat een CH2=C-CH=CH2 keten (aangebouwd via 2de C) (opl; zijketen was een geaddeerd zuurcloride, zitten dan nog met ketonfunctie die je kan omwerken via wittig naar C=CH2 i.p.v. C=O)
Extra
Interessante paginas om aan te duiden met sticker: p 10; middelste reactie(was een vraag)
- p13; structuur LDA
- p26; hoe zelfcondensatie vermijden
- p30; michaeladditie; hoe bij alfa-beta onverzadigd (cycl) keton op beta R groep inbouwen
- p34; claisen ester
- p40; keton aldehyde condensatie
- p44:wittig
- p56; RMgX
- p83 pKa; ge weet mr nooit
- p125,ev; samenvattingen
- p132; C=C bindingen
- p147; van 5ring->6ring
- p156; beckmann-omlegging
- p159: hofmann/curtius; C=O weghalen
- p169; reacties met aromaten
- p175; -N2+
- p187; orienteerders
- p192; waar 3de groep
- 194; NAS
- 210; reacties met CN
- p219: EAS piperidine
- p224; arom. amine zijketens
- p231; overizcht aromaten
LV – fase 3
Psychologie deel 3 en Ethiek (3LV)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-23). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2019: Psychologie
- Ontwikkelingspsychologie
- Geef de ontwikkelingspsychologie van deze casus weer
- Geef de mogelijke problemen aan die zich hebben voor gedaan
- Geef de oorzaken hypothetisch weer
- Hoe ga je je oorzaken onderzoeken, gebruik zo veel mogelijk wetenschappelijk ondersteunend materiaal
- Geef een fictieve diëtische diagnose
- Welke behandeling ga je uitvoeren. Geen voedingsadvies
- Ethiek
- Geef de ethische vraagstelling
- Geef het ethisch stappenplan weer voor deze vraag.
Geen theoretische bijvragen, dus gewoon eens aandachtig lezen.
Lector Ann De Decker
Toegepaste Dieetleer 3 (3LV)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2019: Toegepaste Dieetleer
heel het examen was meerkeuze. +1 als juist -1 als fout aangeduid en het min op een vraag is 0
verder waren er nog berekeningsvragen
- actualiteit, de nieuwe aanbevelingen rond Arseen
- zwangerschap
- ondervoeding bij ouderen
- eetstoornissen bij kinderen
- kansarmoede (waar goedkoop winkelen) en autisme
- overgewicht bij kinderen
Lector: Lieve Pensaert
Voeding en Farmacologie bij bijzondere doelgroepen (3LV)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-23). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2019: Voeding en Farmacologie
- Theorie Voeding
- Verklaar het verschil in de aanbevelingen van zuigeling tot ouderen voor energie, eiwitten en andere belangrijke voedingswaarde.
- Leg PKU uit en geef de behandeling weer.
- Verklaar de fysiologie van verouderen en pas deze specifiek toe op: smaak en geur, het basaal metabolisme en het spijsverteringsstelsel.
- Farmacologie
Lector: Voeding: Ann-Marie Lauwers Farmacologie: Hilde Theunkens
Voeding en Fysieke activiteit (3LV)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-23). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2019
- Bepaal welke sportdranken het zijn en bepaal hoe ze kunnen bijdrage in een training in een koude omgeving
- Casus
- geef de energie behoefte van een training aan de hand van de VO2 max
- geef de energie behoefte van 1 dag weer
- geef 5 tips ivm sportvoeding
- pas het dagschema aan voor een bepaalde dag
- ...
- Grafiek gegeven. Zeggen wat deze grafiek weer geeft en waar wij dit in de les hebben besproken.
- fitnessers trainen aan 80%max HF om vetverbranding te doen. Helpt dit? Indien niet waarom trainen ze dan op deze HF?
- ...
Lector: Frank Delaere
OR – fase 2
Mens en gezondheid (2OR)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2021-10-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Organisatie van de gezondheidszorg
Verklaar en situeer de volgende begrippen: - Consolidatie - Accreditering - EDPB - Secundaire preventie
Wat is een arbeidsongeval? Hoe verloopt de vergoeding? Wie moet er verwittigd worden?
Casus: Inge en Jeroen hebben een baby en hebben niet zoveel geld. Omdat hun baby ziek is raad de huisarts hen aan om naar een specialist te gaan maar dat kunnen ze niet betalen. Wat zou jij hen aanraden? Welke sociale maatregelen werden er genomen om de gezondheidszorg voor iedereen toegankelijk te maken?
Toegepaste informatica – fase 1
Bedrijfsbeheer (1TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-19). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Bedrijfsbeheer
12 augustus 2013
Door Nancy Dierckx
Vraag 1
Waarborg wegens verpakking:
- Hoe wordt dit geboekt bij een aankoop? (Toon aan met voorbeeld)
- Hoe wordt dit geboekt bij een verkoop? (Toon aan met voorbeeld)
- Aan welke kant is dit terug te vinden na de boekingen(Balans A/P, Rekeningen, Kosten/Opbrengsten?)
- Waar moet je op letten bij het boeken van een factuur?
Vraag 2
Afschrijvingen
- Wat is een afschrijving?
- Wat is het verschil tussen een lineaire en een degressieve afschrijving?
Vraag 3
Grote boekhoudoefening met hierin:
- Berekenen van het afschrijvingspercentage
- Berekenen van het afschrijvingsbedrag
- Berekenen van verkopen & aankopen handelsgoederen + boekingen
- Loonberekening + boeking
- Voorraadwijziging boeken
- Afschrijvingen boeken
Dit allemaal moet chronologisch in het dagboek opgeschreven worden.
14 januari 2012
Examen bestaat uit 2 vragen, bij vraag 1 mag je je MAR niet gebruiken, voor de rest van het examen wel. Vergeet geen MAR mee te brengen!
Vraag 1
Je krijgt een lijst van gegevens bv:
- Gebouwen: 200000
- Vrachtwagen: 25000
- Bank: 2340
- Kas: 120
- Gestort kapitaal: 200000
- Overgedragen winst: 10000
- Leveranciers: 3000
- Leningen: 4000
- Handelsdebiteuren: 942
Met deze gegevens moet je de beginbalans opstellen. Je krijg hiervoor een 15 tal minuutjes en dan wordt dit blad opgehaald. Je mag dan beginnen aan het andere deel met behulp van je MAR en rekenmachine.
Vraag 2
8-tal boekingen die je moet doen bv:
- Aankopen HG
- Verkopen HG
- Aankopen MVA
- Verkopen MVA
- Afschrijvingen
- Vooraadswijziging
- Credit nota
- Afschrijvingspercentage berekenen (dit moet je niet boeken, gewoon berekenen)
Bedrijfsinformatiesystemen (1TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-03-30). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Algemene tips
In het begin lijkt het allemaal nog logisch en zeker voor mensen die al een bedrijfs-attest hebben maar naarmate de tijd wordt het moeilijker omdat ze zich meer concentreren op de werking van het totale bedrijf en niet alleen maar de boekhouding. Zorg voor goede notities en zorg ook dat je aanwezig bent tijdens de toetsen. Sommige leerkrachten geven een onaangekondigde toets (van boekhouden meestal). Vergeet zeker je portfolio/opdracht niet waarmee je makkelijk enkele punten mee kan scoren.
Het examen bestaat uit een mondeling en een schriftelijk gedeelte. Iedereen krijgt eerst zijn mondeling examen, waar hij maximaal een uur aan mag werken en dan wordt het examen ingeleverd en wordt het schriftelijk gedeelte gedistribueerd.
Het schriftelijk gedeelte bestaat uit een aantal theorie vragen waar best wel wat inzicht voor vereist is (gesloten boek). Het mondeling vraagt om iets voor te bereiden en dan te gaan vertellen (15min), dit is open boek!
Juni - 2012
Deckers
Mondeling:
Vragen over boekhouden:
- Aanduiden waar je een rekening moet zetten aan de passiva of activa , en debet of credit.
- Waarom je een huis afbetaald op meerdere jaren.
- Geef de verschillende vereisten van het informatieverzorgend proces en het gegevensverwerkend proces.
- Wat verstaan we onder control. Leg uit welke betekenis control heeft in een bedrijf. Leg ook het verschil met controle uit.*
- Wat verstaan we onder de Soll-functie.
- Leg de Deming Circle uit.
Schriftelijk:
- letterlijk de vragen die waren gesteld en ging vragen uit het boekje "inleiding Administratieve Organisaties".
- Een magazijnbeheerder is een procesmanager en heeft dus zowel een planning- als controlfunctie. Leg uit wat deze functies inhouden. Geef vervolgens ook de informatiebehoeften van deze functies weer.
- Wat is precies het nut van procesanalyse?(ev. gebruik maken van Assurgen)
- Geef de knelpunten van het voorraadbeheer van goederen en diensten. Hoe kan E-commerce oplossingen bieden?
- Verschil tussen handelsbedrijfen en productiebedrijfen.
Januari - 2012
Vanovertveld
Mondeling:
- Waardekringloopproces: tekenen + uitleggen + processen onderscheiden (primaire en ondersteunende)
- Som de management-controlmodellen op + leg uit
- Maak een flowchart van het schema "Goederenontvangst bij het Magazijnproces" + leg de stappen uit
Schriftelijk:
- Leg uit:
- beheersaspecten TGKIO
- behoud van T en I
- behoud van K
- strokenplanning
- Definieer en som aspecten op van (a) gegevensverwerkend proces en (b) informatieverzorgend proces
- Wat zijn de procesfasen bij Research&Development proces + leg uit
- Werk de volgende verkoop uit in een Netwerkplanning (productie en verkoop huis; stappen, tijd en 'komt na' zijn gegeven)
K. Melaerts
Mondeling
- Bedrijf dat overzetboten bouwt. Krijgt opdrachten uit binnen-en buitenland. De boten kunnen aangepast worden aan specifieke wensen van de klant.
- Welk type bedrijf is het?
- Bespreek het productieproces voor dit type onderneming.
- Bespreek het procesverloop(=bewaking) voor
* Operationele informatiebehoeften
* Informatiebehoeften met betrekking tot de control.
4. Hoe verloopt de resultatenanalyse.
- Waar of niet waar?
Een balans wordt elke dag aangepast. + Verklaar.
Schriftelijk
- Verklaar volgende begrippen(=uitleg + duidelijk voorbeeld):
* Worflowmanagement
* Waardekringloop
- Effectiviteit is het belangrijkste aspect bij een informatieverzorgingsproces. Verklaar.
Geef ook de andere aspecten de men bij een informatieverzorgingsproces verwacht, leg elk aspect uit.
Geef enkele aspecten waaraan de informatie moet voldoen.
- Geef de voorwaarden waaraan de magazijninrichting moet voldoen, en leg uit. Geef ook bij elk een voorbeeld.
- Factuur berekenen, en in schema zetten zoals in de les gezien.
- Geef de procesactiviteiten van een inkoopproces.
Bespreek de eerste 4.
Bespreek per activiteit hoe e-commerce invloed heeft hierop.
Januari - 2011
Vanovertveld
Mondeling:
- Reisbureau: analyse en stappenplan
- Bar-restaurant: analyse en stappenplan van
- klant die bestelling plaatst
- keuke die voorraad bestelt
Schriftelijk:
- Functies en processen
- SMART
- Projecten:
- Welke onderdelen?
- Wie is deel van een projectteam?
- Waarom zijn projecten soms moeilijk onder controle te houden?
- Factoren die een project kunnen laten mislukken
- SOLL en IST voor
- Gegevensproces
- Informatieverzorgingsproces
K. Melaerts
Mondeling:
- een tekst over Dewindt NV en je moest het productieproces uitleggen
- boekhouden: 2 stellingen over het eigen vermogen en over de balans en Resultatenrekening
Schriftelijk:
- verkoopproces
- Productlevenscyclus
- magazijnproces
- een vraag over control en controle
- en een factuur
Januari - 2010 - Vanovertveld
Mondeling:
- Processchema, organisatieschema, SOLL & IST van gegevensverwerkend en informatievordering, workflow management en dan management control (planning & controle)
Schriftelijk:
- Dan waardekringloop, definitie functie en proces
Magazijnproces
Projectmanagement: Tijd, kwaliteit, mijlpalenplanning, Prince2(tekenen & uitleggen)
Bedrijfsbalans en resultatenrekening uitleggen + belangrijkste delen
Januari - 2009 - K. Melaerts
Mondeling:
We kregen een hele tekst over een verzekeringsmaatschappij Allianz die gebruik maakt van een Workflowmanagementsysteem en zo wat de basisfunctionaliteit uitgelegd. Dan kregen we 5 vragen:
- Bespreek de voordelen. Op welk vlak situeert het voordeel zich het meest: efficiëntie, doelmatigheid of ... ? Motiveer je antwoord.
- Stel dat er een nieuwe collega begint en we willen dat er controle gehouden wordt over zijn werk. Hoe zou je dat doen en op welke manier moet het systeem aangepast worden?
- Rappel: stel dat we de taak van het compleetmaken van dossiers willen wegnemen bij de schadebehandelaar en willen geven aan lager opgeleiden. We willen dat deze mensen meldingen krijgen als een dossier al X-aantal dagen oncompleet zit te wachten. Hoe ga je dat invoeren en op welke manier moet het systeem aangepast worden.
- Leg uit: managementinformatie en geef voorbeelden in dit geval.
- Het systeem werd uitgebreid door te werken met officiële schadeherstellers die een deel van het werk zouden doen etc. En dan moesten we bespreken of dat voordelen heeft (zoals vraag 1) en of we dat aantrekkelijk vonden voor de verzekeringsmaatschappij.
Schriftelijk:
- Geef de 3/4 kwaliteitseisen die van een informatieverstrekkend/gegevensverwerkendsysteem verwacht wordt en leg uit. (12ptn)
- Vraag 2 (6ptn)
- Wat verstaan we onder integratie?
- Leg uit: interne integratie en externe integratie
- Welke soorten interne integratie vindt men binnen een bedrijf? (niet helemaal zeker van de vraagstelling)
- Vraag 3 (12ptn)
- Geef het magazijnproces (primaire functies)
- Leg 4 dingen daarvan uit
- Geef 2 secundaire functies van het magazijn en leg uit.
- Binnen e-commerce kunnen de zakelijke interacties opgedeeld worden in drie delen, rekening houdende met het bedrijf en zijn omgeving. (6ptn)
- Geef deze drie subverdelingen
- Leg uit.
- Geef ook telkens een voorbeeld
Samenvattingen
Samenvatting 2010 - 2011 BIS door Thijs Nuyttens Opgeloste vragen portfolio 2010 - 2011 Samenvatting mattias mercy http://matmercy.madoka.be/doc/Samenvatting%20BIS.pdf
Communicatie in het Engels - deel 1 (1TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Als je goed bent in Engels of net uit een talenrichting komt, is het niet echt nodig alle lessen mee te volgen. Het is allemaal "pretty basic stuff". Zorg er wel voor dat je aanwezig bent als er een test is!
Inhoud
Examen
Het schriftelijk examen is hetzelfde als de testen onder het jaar.
Het mondeling examen loopt tijdens het schriftelijk examen. Om de beurte gaat er iemand mondeling afleggen, je krijgt voor het mondeling examen nog even de tijd om het voor te bereiden.
Voor het mondeling kreeg je in Januari 2010 de keuze uit een aantal stellingen (deze stonden reeds op het schriftelijk examen), je moest er één van bespreken. De stellingen zijn gelinkt met de teksten die je doorheen de lessen hebt besproken (vb: "I think violent games like Doom should be banned", iets over online dating, ...). Ook werd er gevraagd een stukje tekst voor te lezen dat je ter plaatste kreeg.
Examen augustus 2013 - Valckx
Vraag 1. Vervolledig met het werkwoord in de juist tense
- passive voice
- causative have
- question tag
- ...
Vraag 2. Verklaar het verschil tussen deze twee woorden
- pee/pea
- flee/fly
- birthday/anniversary
- ...
- ...
Vraag 3. Vormleer: maak er een werkwoord van
- strong
- dark
- ...
- ...
- ...
Vraag 4. 1 pagina van de tekst over computers vertalen van Ned/Eng
Vraag 5. Film: Sicko
- Vertel over de gezondheidszorg in GB en Frankrijk
- Vertel waarom de medicijnen in Amerika duurder zijn
Vraag 6. Mondeling, onderwerp naar keuze
Examen 21/01/2013 - Valckx
Vraag 1. Vervolledig met het werkwoord in de juist tense
Vraag 2. Verklaar het verschil tussen deze twee woorden
- break/brake
- wail/whale
- except/accept
- rise/raise
- bury/berry
- sew/saw
Vraag 3. Vormleer: vervolledig met de gevraagde vorm van het woord
- strong: verb
- assume: noun
- failure: adjective
- defect: adjective
- complete: verb
Vraag 4. Vertaal Ned-Eng
- vier zinnen in het Nederlands die uit de tekst over computers komen
Vraag 5. Comprehension
- Schrijf 10 lijnen over de veranderingen van computers vroeger en nu
- Beschrijf de situatie van de brandweermannen in de US en in Cuba
Vraag 6. Mondeling, bespreek een van deze vijf onderwerpen
- Justice in Belgium sucks
- I can't live without my cellphone
- Woman are from Venus, Men are from Mars
Examen 14/06/2012 - Valckx
- Schriftelijk
- Als eerste vraag kregen we een hoop zinnen met telkens tussen haakjes de opdracht (zet in passive voice, correcte tense gebruiken, causative 'have',...)
- Over de film 'Sicko' vertellen wat je het meeste bijbleef. + de HMO's en de socialized medicins onderlinge relatie uitleggen. + Hoe gaat alles in Cuba.
- 10 vragen van Morphology: synonyms, antonyms, nouns derived from, adjectives derived from, verbs derived from....
- 5 duo's van woorden (Homophones) en moesten we het verschil uitleggen (geen Nederlands gebruiken).
- Daarna was er nog 1 grote opdracht dat was een blad (3/4 vol) vertalen van ned naar eng (dit ging over het tekstje history of the computer) met enkele moeilijke woorden.
- mondeling
- hiervoor moest je een onderwerp kiezen uit 5 keuze's. Vrij erover praten, hij springt mee in, en het verloopt heel losjes.
Examen 06/06/2011 - Valckx
Als eerste vraag kregen we een hoop zinnen met telkens tussen haakjes de opdracht (zet in passive voice, correcte tense gebruiken, causative 'have',...) Verder moesten we over Jane Elliott: the evil eye (about racism) en over Film: Fahrenheit 9/11 telkens 10 zinnen schrijven. Ook kregen we 10 keer iets van: Morphology: synonyms, antonyms, nouns derived from, adjectives derived from, verbs derived from.... en 10 duo's van woorden (Homophones) en moesten we het verschil uitleggen (geen Nederlands gebruiken). Daarna was er nog 1 grote opdracht dat was een blad (3/4 vol) vertalen van ned naar eng (dit ging over het tekstje history of the computer) met enkele moeilijke woorden. En als afsluiter had je het mondeling, hiervoor moest je een onderwerp kiezen uit 5 keuze's. Het mondeling zelf verloopt zeer relax, geen moeilijke zaken, gewoon rustig praten.
23/06/2011: Identiek hetzelfde examen
Examen 2010 - 2011
De helft van het examen gaat over de verschillende tenses. Het probleem hierbij is dat je bij een paar oefeningen ook moet kunnen uitleggen waarom je deze tijd hebt gebruikt (grammaticale regels).
De tweede helft gaat over de adverbs, adjectives, morphology, homophones, prepositions en als laatste nog een paar vertaal zinnen.
Examen 23/06/2011 - Duerinckx
Het eerste deel van het examen is schriftelijk, en hierin stelde hij enkel vragen over grammatica, zorg dat je je conditionals goed kent, en je werkwoorden, dan zou dit moeten lukken. Het mondelinge deel start wanneer men klaar is met het eerste deel, en men moet dit aan de opzichter laten weten. Het mondelinge deel bestaat enkel uit vragen over V For Vendetta, zorg dus dat je deze film goed kan uitleggen. hij wijd ook nog een beetje uit over de film, maar hij geeft ook wel hints, dus dit deel zou ook niet voor zoveel problemen moeten zorgen.
Communicatie in het Frans - deel 1 (1TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-03-30). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Algemeen
Frans is vaak een buisvak in de IT-richting, geef de moed zeker niet op want het Frans is niet zo heel moeilijk en veel leerkrachten houden rekening of je in hun lessen aanwezig was of niet. Ook bij presentaties kan een goede voorbereiding je al de helft van de punten opleveren.
Extra examen info
Het examen bestaat uit een mondeling en een schriftelijk gedeelte. Er wordt gevraagd om eerst het mondeling voor te bereiden, als je hiermee klaar bent moet je jouw naam op het bord schrijven. In die volgorde zal dan het mondeling examen afgelegd worden.
Zodra je klaar bent met het mondeling voor te bereiden, mag je aan het schriftelijk gedeelte beginnen. Na de mondelinge verdediging mag je hier eventueel nog aan verder werken, als je het mondeling gedaan hebt en het schriftelijk klaar hebt dan mag je vertrekken.
Mevrouw Van Pelt luistert en helpt heel erg goed bij het mondeling, ze helpt wat aanvullen en stelt regelmatig vragen om je op de goeie richting te helpen. Geen examen om schrik van te hebben dus, zolang je het maar een beetje voorbereid hebt!
Je mag gedurende 4u werken aan het examen, maar het is best mogelijk om het binnen het anderhalf uur af te leggen. Bij mvr Magueritte schrijf je best je naam zo snel mogelijk op het bord anders kan het wel eens zijn dat je enkele uren moet wachten eer dat je je mondeling kan gaan doen.
Augustus 2013 - Jackers
digitaal werkboek
- 6 oefeningen vergelijkbaar met die tijdens de testen(meeste is vocabulaire)
schriftelijk:
- 10 zinnen vertalen
- email aanvullen - de in te vullen woorden staan er bij in het Nederlands
mondeling:
- verkoop van een internet/telefoon/digitale tv pakket
- Ginette: alles uitleggen over downloaden(legaal, illegaal, P2P, beveiliging, ...)
- eigen gekozen mondeling onderwerp
- 2 kleine vraagjes over de gelezen teksten
Juni 2013 - Jackers
schriftelijk:
- 10 zinnen vertalen
- email aanvullen - de in te vullen woorden staan er bij in het Nederlands
mondeling:
- verkoop van een Macbook
- Ginette: alles uitleggen over downloaden(legaal, illegaal, P2P, beveiliging, ...)
- eigen gekozen mondeling onderwerp
Januari 2012
(Groep 1) Van Pelt
schriftelijk:
- 10 zinnen vertalen
- email aanvullen - de in te vullen woorden staan er bij in het nederlands
mondeling:
- verkoop van een gsm waarvan de gegevens op het examen staan
- uitleggen hoe de pc te beveiligen (account met ww, niet op onbeveiligde sites gaan, backup maken, ...
- eigen gekozen mondeling onderwerp
Verschueren Marguerite
schriftelijk:
- 10 zinnen vertalen
- email aanvullen - de in te vullen woorden staan er bij in het nederlands
mondeling:
- Een klant komt winkel binnen en wilt een internetaansluiting. Met informatie die op het examen staat in het Nederlands.
- Downloaden uitleggen(waar? wat? hoe?), risico's/gevaren, hoe vermijden? P2P?
- eigen gekozen mondeling onderwerp
Januari 2009 (2010)
(Groep 1) Van Pelt
Mondeling:
- Ginette, uitleggen: downloaden, p2p, risico's van het downloaden, hoe veilig downloaden, manier van beschermen en voorbeelden)
- Zelf gekozen onderwerp (je weet dat op voorhand en kan dat thuis dus al een beetje voorbereiden)
- Je bent een Telenetverkoper (je krijgt hele bundels met uitleg over alle Telenetrommel) en mvr. Van Pelt is de klant die een abonnement wil maar niet weet welk. Jij moet gerichte vragen stellen en haar verder helpen.
Schriftelijk:
- 10 zinnen vertalen (NL->FR), vocabulaire moet gekend zijn en er wordt ook wel gepeild naar wat grammaticale kennis (openingsuren, verleden en toekomst, etc)
- Een e-mailbericht aanvullen. Bericht wordt gegeven en een vijftal woordjes zijn weggelaten. De in te vullen woordjes worden in het Nederlands gegeven.
(Groep 2) Van Pelt
Mondeling
- Ginette: Verklaar: "un pirate", "un virus", "un logiciel espion"
- Zelf gekozen onderwerp
- Je bent een verkoper van een Mac-winkel, mevr. Van Pelt is de klant die twijfelt of ze een Mac of een PC wilt. Je krijgt een bundel met informatie over de verschillende Macbooks ed. en moet haar kunnen overtuigen/raad geven.
Schriftelijk:
- 10 zinnen vertalen (NL->FR), vocabulaire moet gekend zijn en er wordt ook wel gepeild naar wat grammaticale kennis (openingsuren, verleden en toekomst, etc)
- Een e-mailbericht aanvullen. Bericht wordt gegeven en een vijftal woordjes zijn weggelaten. De in te vullen woordjes worden in het Nederlands gegeven. (nederlandse woorden waren: attachment, kusjes, beste, is het mogelijk en bevestigen)
Bestanden
Bestand:Frans woordenlijst.pdf
Maatschappelijke en ethische vorming (1TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-19). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Examenvragen
Samenvattingen
- 2008: 1TX Maatschappelijke en ethische vorming: Overzicht mogelijke examenvragen en -antwoorden
Overige Info
Programmeren van administratieve toepassingen (1TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-03-30). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Algemeen
Alle docenten
Leren werken met Cobol, Cobol is niet zo ingewikkeld, behalve het werken met invoer- en uitvoerbestanden is iets moeilijker. Net zoals bij alle andere vakken is oefenen de boodschap.
Doorheen het jaar worden er tijdens de lessen oefeningen gemaakt, regelmatig moet je ook een thuis een oefening maken en op de dropbox achterlaten of afgeprint inleveren. Al deze oefeningen moet je verzamelen in een portfolio. Halverwege het semester is er ook een test die meetelt voor de Permanente Evaluatie.
Het examen bestaat uit twee delen: het eerste deel is mondeling (in 2009: 5 vragen) waarbij je gebruik mag maken van je Portfolio en de cursus over Bestandsorganisatie. Als je dit af hebt, lever je het in en mag je beginnen werken aan een oefening. Je hebt hier best wel wat tijd voor nodig. Het examen zelf duurt maximaal 3,5u.
Juni 2009
Reeks 4A (09/06/09 8u30, Kemme)
Mondeling:
- ??
- ??
- ??
- ??
- ??
Schriftelijk: Het ging over een groep mensen die samen producten aankopen omdat het dan goedkoper is. Er zijn 30 mensen lid van die groep. Nu willen ze een programma waarmee ze kunnen bekijken welk lid hoeveel schuld nog heeft bij een bepaalde producent.
Invoerbestand:
- 1-2 lidnummer
- 3-10 ?
- 11-20 Omschrijving
- 21-30 Producent
- 31 type: B voor betaling, R voor rekening
- 32-40 bedrag
Programma moet opvragen welke producent men wil zien en dan een uitvoerbestand geven in de volgende vorm:
SCHULDEN VOOR <producent> ------------------------- LIDNR. Waarde Rekeningen Waarde Betalingen Balans ------ ----------------- ----------------- ------ 1 zzz9v99 zzz9v99 zz9v99 2 zzz9v99 zzz9v99 zz9v99 3 zzz9v99 zzz9v99 zz9v99 30 zzz9v99 zzz9v99 zz9v99 TOTAAL zzzz9v99 zzzz9v99 zzzz9v99
Augustus 2009
Herexamen
Mondeling:
1) Op p19, programma voegbij.cbl wordt ACCESS SEQUENTIAL gebruikt. Waarom en kunnen we hier ACCESS RANDOM gebruiken? 2) Op p18, programma verklant.cbl, leg het deelprogramma WIJZIG. uit. 3) Op p22, hoe zoekt COBOL LIES BOSTEELS? Leg uit. 4) Op p25, programma verwerki.cbl, leg de 3 file statussen uit van Studentstatus, toon aan waar ze gebruikt worden en leg uit wat de FS verandert. 5) Op p29, programma woordb.cbl. 3 woorden gegeven (KKKKKK...ZEN, AAAA...EI en UUUU...OS), op welke plaats worden deze woorden uitgeschreven? (elk woord is 18 karakter met de laatste 3 karakters zoals aangeduid. Tip: kijk naar HASH.)
Schriftelijk: Een bedrijf heeft een invoerbestand met verkoopgegevens;
- 1-3 landnummer (1-150)
- 4-18 Omschrijving
- 19-27 datum (DDMMJJJJ)
- 28-34 Bedrag (2 decimalen, punt telt niet mee)
Programma moet de landcode vragen. Het programma moet per maand een overzicht geven van de som van alle bedragen voor 2007 en 2008 en het verschil ertussen. Dan een uitvoerbestand weergeven waar de bedragen vergeleken worden. Overigens moet het uitvoerbestand een Totaal weergeven van de som van de bedragen en wanneer er een stijging is in de bedragen van 2008 tov 2007, een asterix (*) bij evolutie plaatsen, in de volgende vorm:
OVERZICHT VOOR <landcode> ------------------------- Maand. Som van Bedragen07 Som van Bedragen08 Verschil Evolutie ------ ----------------- ----------------- ------ -------- 1 zzz9v99 zzz9v99 zz9v99 * 2 zzz9v99 zzz9v99 zz9v99 3 zzz9v99 zzz9v99 zz9v99 12 zzz9v99 zzz9v99 zz9v99 TOTAAL zzzz9v99 zzzz9v99 zzzz9v99
Project & Procesbeheer (1TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-19). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Project- & procesbeheer
18 januari 2014 (K. Melaerts)
Ga naar Oplossingen
- Case citypark
- 3 voordelen en 3 nadelen van projectmatig werken
- Wat betekend stakeholders en wie zijn de stakeholders in dit deze case (de case tekst stond erbij).
- Wat betekenen de volgende dingen (+ een voorbeeld)
- WBS (Work breakdown structure)
- IT en alignement
- Proces modeling
- IT en government
- PRINCE 2, bij welke processen hoort de "business case"
- Netwerkplanning maken
- Vul activiteitentabel in
- Bepaal het kritieke pad
- Welke activiteit kan ASAP gedaan worden
- Geef doorlooptijd
- Agile (test-driven developement) leg dit uit en geef het schema ervan
8 januari 2013 13.00u 1TX3-1A
Het examen bestond uit 6 "vragen". (werden nog eens onderverdeeld in kleindere vragen) Volledig schriftelijk.
- Je krijgt een afbeelding van Prince 2 en moet deze uitleggen zonder elk onderdeel afzonderlijk te gaan uitleggen. (Dus componenten en processen niet in detail uitleggen maar wel duidelijk wat Prince 2 is.)
- Business Case uitleggen en waar dit zich situeert bij Prince 2.
- Uitleggen:
- PDCA
- AS IS / TO BE
- PID
- GOKIT
- Wat is het gevaar indien een projectleider te aardig is en veel wijzigingen toelaat?
- Wat is het risico indien de projectleider geen wijzigingen toelaat?
- Bespreek deze stelling: Men kan een project niet stopzetten indien er al 50.000 euro aan is uitgegeven.
- Geef een aantal strategische tips ivm changemanagement.
- Geef drie verschillen tussen Agile en Waterfall.
8 januari 2013 13.00u 1TX3-3
Melaerts
- Case CityPark vragen. Dus zoals in topic 7 van die dikke cursus.
- Vragen zoals:
- Heeft dit bedrijf een improviserend project? Zoja welk ?
- Kan dit op een projectmatige wijze uitgevoerd worden? 3 redenen waarom 3 redenen waarom niet (definitie project)
- Vragen over eigen PVA
- Naam project
- Welke keuzes er gemaakt werden en hoe hiervoor werd gekozen. (Bv naam van onderwerp gekozen door een stemming onder de leden)
- De manier van keuzes maken was hiervoor belangrijk: op basis van Unanimiteit,meerderheid van stemmen, etc
- 2 Belbin rollen beschrijven en hoe dat je die gebruikte binnen je project
- Leg uit : "Learn from experience" en kan je een verschil vinden tussen PMBOK ?
- Aantal begrippen verklaren en met voorbeelden:
- GOKIT
- Conversie
- ...
- Basics of Agile:
- Pair programming uitleggen
- Activiteitentabel omzetten naar een netwerk- en strokenplanning. Hiervan kritieke pad berekenen en een voorbeeld geven van een activiteit dat speling kan hebben.
- Ook een voorbeeld van ASAP en ALAP geven.
- Leg het gegevensverwerkend proces uit.
- Leg de verschillende niveau's van informatiebehoeften uit van de verschillende leidingsvormen.
Technieken voor datamodellering (1TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-19). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Tegenwoordig vervangen door twee vakken: 1TX Technieken van datamodellering en 1TX Databanken - dataquerying.
Algemeen
Examens + examenstructuur verschillen bij de andere docenten.
G. Barrezeele
Het examen heeft 2 delen. Eerste deel is het SQL gedeelte van het examen (queries), een ERD opstellen is het tweede gedeelte. Het ERD moet mondeling besproken worden.
J. Strypsteen
Strypsteen gebruikt het handboek van Van der Lans, het boekje "Slides bij de Cursus" van Databanken en het boekje "Technieken voor Datamodellering". Van der Lans mag gebruikt worden op het SQL-gedeelte van het examen, maar biedt niet echt een meerwaarde. In het boekje Slides bij de Cursus staat ook theorie die pas gekend moet zijn voor het vak Databanken en het is niet duidelijk aangegeven wat waar bij hoort. De enige manier om zeker te weten wat er gekend moet zijn, is om steeds de lessen te volgen en aan te duiden welke slides gezien zijn.
Gedurende het semester is er een SQL project (met definitiestudie, ERD en SQL queries) op 4ptn en een test, die meetelt voor 2 ptn. De andere 14ptn vormen het examen: een eerste deel met 3 of 4 SQL-queries (waarbij Van de Lans dus gebruikt mag worden) en een tweede deel met een 4-tal theorievragen en een ERD opstellen. Enkel het ERD moet mondeling verdedigd worden.
Januari 2014
G.Barrezeele
Schrijf de SQL-instructie die het gevraagde resultaat oplevert. Tenzij expliciet vermeld, wordt er maar één instructie per vraag verwacht. Gebruik expliciete joins waar mogelijk en schrijf zo performant mogelijke instructies. Zorg bovendien voor de gevraagde kolomhoofdingen. Zorg ook dat er geen dubbels optreden (tenzij gevraagd).
a. Boer Teun besluit om in “2014” op zijn “grootste perceel” “wortelen” te zetten. Geef een lijst van de totale milieubelasting van elk bestrijdingsschema, gesorteerd van minst naar meest milieubelastend. Output-kolomhoofden: actie, ziektebeeld, totale milieubelasting. Hint De milieubelasting van een bestrijdingsmiddel voor een perceel wordt berekend aan de hand van het aantal hectaren * milieubelasting * frequentie_per_oogstjaar.
b. Geef een teelten samenvatting voor alle percelen groter dan 5 hectare. Geef per perceel,
het eerste jaar dat het in gebruik was, hoeveel verschillende teelten er sindsdien hebben
opgestaan en eventueel hoeveel bestrijdingsmidellen er zijn gebruikt. Sorteer op aflopend
op beginjaar en vervolgens oplopend op perceelnaam. Output-kolomhoofden:
perceelsnaam, beginjaar, aantal gewassen, aantal bestrijdingsmiddellen
c. Geef een overzicht van te maken kosten. Dit bestaat uit een lijstje van alle
bestrijdingsmiddelen waarvan de stock minder dan < 1liter bedraagt, waarbij er per
leverancier de totale prijs getoond wordt. De basishoeveelheid bij een leverancier is altijd
1liter. Output-kolomhoofden: Leverancier, Totale kost, Aantal te bestellen producten
Schrijf de nodige DML instructie(s) om het gevraagde resultaat te verkrijgen in bovenstaande
databank.
d. De leverancier "Boer Kuys" gaat op pensioen en het bedrijf stopt ermee. Verwijder zoveel
mogelijk gegevens over deze leverancier. Let op de volgorde !
e. Onze boer heeft het geluk een 6e perceel te vergaren. Het ligt achter de kerk in zijn dorp,
en heeft de bruikbare grootte van 6 hectare. Hij vliegt er direct in met er het extra gewas
bieten op te zetten.
Schrijf de nodige DDL-instructie(s) om het volgende aan de database toe te voegen. Zorg
ervoor dat je database consistentie blijft afdwingen.
f. Maak een extra tabel zodat Boer Teun kan bijhouden welke ziektebeelden hij vaststelt en
wat de ernst van de besmetting is. Zo’n vaststelling bevat het perceel, het oogstjaar, de
teelt, het ziektebeeld, een datum en de ernst van de besmetting, met een mogelijke
waarde tussen 0 en 10.
P. De Mazeire
Situatie: Een traiteurdienst in regio Leuven wilt een databank bijhouden van al zijn klanten en bestellingen. Een klant wordt pas een klant bij zijn eerste bestelling en blijft dit tot 10 jaar inactiviteit. Er zijn trouwe klanten en nieuwe klanten, groothandels en particulieren. Voor groothandels wordt er automatisch een factuur gemaakt, bij particulieren moet dit speciaal aangevraagd worden.
Een klant kan zowel menu's als gerechten bestellen. Een menu bestaat uit verschillende gerechten, van elk gerecht in een menu moet ook de functie in het menu (voorgerecht, dessert, ...) worden bijgehouden. Elk menu heeft een eigen prijs, dit is niet de som van elk van zijn gerechten. Ook kunnen er kortingen worden aangerekend.
Een klant kiest zelf of hij zijn gerechten/menu's warm of koud wilt (koud indien hij dit zelf thuis opwarmt) en of hij het zelf afhaalt of laat leveren.
Examenvraag: Maak van deze situatie een conceptueel ontwerp en een logisch ontwerp en verantwoord beiden mondeling.
F. Vogels
Situatie: een keten bibliotheken heeft een databank voor al zijn boeken, al zijn exemplaren, in welk filiaal welk exemplaar zich bevind, en al zijn klanten. Maak hiervoor allerlei query's zoals bijvoorbeeld: Tel al de openstaande boetes voor klanten in het filiaal "Leuven Centrum"; Filiaal nr 1 sluit, alle boeken worden naar filiaal nr 2 gestuurd. Schrijf een query zodat deze omzetting gebeurd. Er wordt besloten drie bibliobussen in te voeren. Elke bus rijdt naar een filiaal op een bepaalde datum en heeft een aankomst- en vertrekuur. Schrijf deze tabelontwerpen in SQL (create table...)
Juni 2012
Nancy Dierckx - Voormiddag
- MONDELING:
- 1. ERD schriftelijk maken + mondeling gaan uitleggen
- SCHRIFTELIJK:
- 1. Normalisatieprocedure van Codd uitleggen.
- 2. Aggregatie uitleggen, waarom gebruikt. Waarom is het een vorm van abstractie.
- 3. Je krijgt ERD, maak queries
- 4. Schrijf functie voor nieuwe tabel en voor attribuut te verwijderen
- 5. Waarvoor wordt de WHERE instructie gebruikt en wat is het verschil met de HAVING component. Leg uit met een voorbeeld.
Juni 2011
Kurt Beheydt - Namiddag
- Openboek deel: Schrijf SELECT, UPDATE en INSERT queries voor een gegeven database. De opdrachten waren eenvoudiger dan de herhalingsoefeningen van de Dropbox - geen regex of casten.
- Geslotenboek deel: Maak een ERD voor een Romeins legioen gebaseerd op een tekst. Bij de mondelinge verdediging komen nog een paar bijvragen over waarom je al dan niet bepaalde tabellen en relaties gebruikt hebt. Theorievragen: welke keys zijn er en geef voorbeelden; wat is een associatief datatype en geef een voorbeeld; geef drie situaties waarin redundantie positief is en een voorbeeld.
N. Dierckx - Voormiddag
- Openboek deel: Je krijgt een blad met voorbeeldtabellen, zonder gegevens in. Je moet 1 query schrijven voor het maken van 1 van deze tabellen, dan moet je nog 2 gewone queries schrijven die naar gegevens vragen. Deze queries zijn simpeler dan de queries van de sql-dropbox en gebruiken alleen de basis aggregatiefuncties.
- Geslotenboek deel: Je krijgt een situatietekst en hier moet je een EERD van maken, deze EERD moet je mondeling gaan verdedigen. Dan krijg je nog 2 theorievragen over SQL (Waarvoor gebruikt men DISTINCT, geef hier een voorbeeldquery van en in welke situatie komt dit voor? EN Wat betekent NULL, waarvoor dient NULL, hoe kan je zien waar een NULL staat, schrijf een query waar je NULL in gebruikt). Als laatste krijg je nog 2 theorievragen over ERD (Leg de normalisatie van Codd uit EN waarvoor dient een normalisatie).
Het examen is niet al te moeilijk en je krijgt genoeg tijd voor elke vraag. Maak eerst je queries op een kladblad en schrijf ze dan over. De leerkracht geeft sneller punten als je in al haar lessen aanwezig was en niet storend was.
N. Dierckx - Namiddag
- Openboek deel: Je krijgt een blad met voorbeeldtabellen, zonder gegevens in. Je moet 1 query schrijven voor het maken van 1 van deze tabellen, dan moet je nog 2 gewone queries schrijven die naar gegevens vragen. Deze queries zijn simpeler dan de queries van de sql-dropbox en gebruiken alleen de basis aggregatiefuncties.
- Geslotenboek deel: Leg uit welke 3 manier er mogelijk zijn om een foreign key te implementeren, leg het verschil uit, en welke de standaard is (antwoord is op pagina 375, heeft nancy tegen mij gezegd), wat is een associatieve entiteit? leg uit aan de hand van een voorbeeld.wat is het verschil met een aggregatie? leg uit aan de hand van een voorbeeld.
M. Ausseloos
Even geduld!
Juni 2009
Reeks 5B (??/06/09 ??, Barrezeele)
Deel 1: Je krijgt een overzicht van een database (Alle tabelnamen + kolomnamen) en je moet hiervoor 3 queries schrijven
- Schrijf de create table voor tabel x
- Query die een group by en aggregatische functie bevat
- Querie met order by en extract month
Deel 2: Na het oplossen van de eerste vraag mag je al je mondeling doen, je mag erna nog steeds verder werken aan 2 en 3.
- Je krijgt een doorlopende tekst waarin een probleemstelling gegeven wordt, hiervoor moet je een ERD tekenen. Je krijgt ook een lijst met functionaliteiten die je model moet kunnen doen.
- Leg uit en geef duidelijk voorbeeld voor: 'Group By' en 'Order By'
- Wat is een Associatief Entiteitstype (uitleg + voorbeeld) en wat is het verschil met aggregatie (uitleg + vb van aggregatie).
Reeks 1B (15/06/09 13u, Strypsteen)
Deel 1 SQL-queries: 3 queries met gebruik van pseudoniemen, order by, group by, case, aggregatiefunctie, age functie en extract.
Deel 2:
- Leg uit: objectklasse
- Leg uit: optionele generalisatie en geef een voorbeeld
- Wat is een "varchar" en wat is er het nadeel van?
- Geef drie manieren waarop in een gerefereerde tabel het gerefereerde attribuut kan gewijzigd worden. Geef ook welke van deze drie de standaard is.
- ERD opstellen aan de hand van een tekst
Reeks 2A (16/06/09 8u30, Strypsteen)
Deel 1 SQL-queries: 3 queries met gebruik van pseudoniemen, order by, group by, case, aggregatiefunctie, age functie en extract.
Deel 2:
- Leg uit: het verschil tussen COUNT(*), COUNT(kolomnaam) en COUNT(DISTINCT kolomnaam)
- Leg uit: CLI SQL en embedded SQL
- Leg uit: totale generalisatie en geef een voorbeeld
- Leg uit: zwakke entiteit en geef een voorbeeld
- ERD opstellen aan de hand van een tekst
Wiskunde - deel 2 (1TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
JUNI 2014
Jongen
1. Maximaliseer een doelfunctie (simplex) die begint met een aantal >= ongelijkheden, dus moet je die eerst als niet standaard vorm beschouwen, etc.
2. Stelsels van lineaire vergelijking (niks speciaals, gewoon met pivoteer functie oplossen, dan aan haar uitleggen hoe het anders zou zijn moest je het met de methode van Gauss doen)
3. Determinant vinden via Laplace
4. Een samengestelde transformatie matrix opstellen, die bestaat uit T1 en T2 (bij mij was T1 spiegeling in y-as en T2 afschuiving evenwijdig met x-as van factor 3)
5. D(1) en D(2) van Floyd uitrekenen, + kortste route vinden tussen 2 knooppunten gegeven D(6) en de Pointer Matrix
1. (Mondeling m.b.v. SciLab) Maximaliseer een doelfunctie a.h.v. de simplexmethode.
2. (Mondeling m.b.v. SciLab) Bepaal de determinant van een matrix d.m.v. de methode van Laplace en bepaal a.h.v. die determinant of er een oplossing bestaat (uiteraard wel). Bereken voor diezelfde matrix ook de inverse matrix.
3. Bereken de samengestelde transformatiematrix die bestaat uit een rotatie van 180° in uurwerkwijzerzin en een afschuiving evenwijdig met de Y-as met k = 2.
4. Pas het algoritme van Dijkstra toe op de gegeven graaf en bepaal de kortste afstand tot elk punt. Kan je uit de tabel de kortste afstand tussen punt D en punt E berekenen?
Ausseloos
1. Geef de transformatiematrix voor:
spiegelen t.o.v. de y-as
Schaalverkleining factor 2 op de x-as & factor 3 op de y-as
Rotatie 60 graden in wijzerszin
Bereken de samengestelde matrix
2. Aan de hand van een voorbeeld de complexiteit van een algoritme berekenen
3. Bereken op een efficiente manier de determinant van de gegeven matrix (5x5 als ik me niet vergis)
Is dit een reguliere matrix? Leg uit.
Hoe kan je makkelijk en efficient de determinant berekenen. (Rij 2 - Rij 1)
Een vriend verteld je dat als Det(AB) & Det(BA) mogelijk is. Je altijd te maken hebt met vierkantsmatrices.
Ben je het hier mee eens of niet? Leg uit aan de hand van een voorbeeld ook al ben je niet akkoord.
4. Niet standaard LP probleem uitrekenen
5. Bereken met het algoritme van Floyd de makkelijkste weg van knooppunt 4 naar knooppunt 1
Toegepaste informatica – fase 2
BS-Data Warehousing en Datamining (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Data Warehousing
Algemeen
G. Barrezeele
Zij heeft de theorie gegeven uit haar boek.
Er was ook een project dat in groepjes gemaakt moest worden, het uitwerken van een Data Warehouse op basis van aangeleverde brondata. We moesten dus zelf managementsvragen opstellen, ETL doen etc. en daarna moest het gepresenteerd worden.
Het examen bestaat uit een schriftelijk en een mondeling deel: schriftelijk is puur theorie, mondeling was een oefening (sterschema maken).
PE staat op 4 punten, waar dat dus het project voor zorgt. Het examen staat op /8 punten en wordt samengeteld met datamining staat ook op /8+
Juni 2014
donderdag 5 juni: voormiddag - data mining
- netica - you get a netica diagram, select the corresponding chance table of one of the nodes
- k-nearest neighbours - you get some training data and the distances to a record, determine the target value
- naive bayes - which output can you get with naive bayes - one with RMSE or confusion matrix, or both?
- you get a netica diagram - select the option that isn't correct... it was either an explanation of naive bayes or smth else that wasn't correct in my question
- you get some output of logistic regression - calculate manually the target value of a new record
- you get output of association rules - select 1 of 4 that isn't correct.
- something about partitioning - what is it
- some output of multiple linear regressions - which model can you use without changing it - the one which doesn't have outliers, correlating variables and no p-value above 0.05
- hierarchical clustering, you get the data for a specific step, which clusters will be combined in the next step
- k-means clustering, you get a drawing with the situation in a specific iteration, what will happen in the next iteration
- you get a confusion matrix, what will happen if you lower the cutoff, select the correct answer
- you get a lift chart - select the correct answer, what do the 2 lines/graphs represent?
- naive bayes, you get some numbers / chances, select the right formula/calculation to calculate the chance that x... like in the example during class with the green and red cars
- you get output of different models, made with multiple-linear regression I think, select the one that has the highest predictive value
- you get output of different classification models, select the model which will get you the highest profit when sending out promotional packages...
dinsdag 3 juni: voormiddag - data warehousing
Ik had blauw.
Vraag 1: Paper
- Wat is Big Data, wat kan je er mee doen, wat zijn de knelpunten enz...
Vraag 2
- modelleren van een DWH - geef feit, metingen enzovoort...
- attributenboom en sterschema
Vraag 3
- Life cycle Kimball, omschrijf, beschrijf kort de verschillende delen
Vraag 4
- Opslagmethodes van data die specifiek zijn voor DWH, geef er 3 en bespreek ze kort
Ik had hier redundantie, 'partitionering en parallelisatie' en tenslotte indexen
Vraag 5: terminologie
- DWH vs BI, geef verschillen, gelijkenissen, visies
Vraag 6: terminologie
- Wat is click stream analysis
Juni 2013
donderdag 13 juni: voormiddag
Vraag 1 Beschrijving van een case
- Geef de feiten-dimensies-meetwaarden
- teken de attributenboom
- teken het sterschema
Vraag 2
- Definitie van 1992 van wie?
- Geef die definitie(en leg de elementen kort uit)
- Waarom is deze definitie niet volledig
- Bredere definitie geven
Vraag 3
- Wat is ETL? Geef de 4 stappen van het proces en leg uit? Waarvoor dient het?
Vraag 4: Terminologie
- Geef 3 fouten data audit en geef een voorbeeld
- Wat is datamining, waarvoor dient het, geef een voorbeeld
- Wat is datamart? waarvoor wordt het gebruikt?
Juni 2011
Reeks 1 (9/06/11 8u30, F. Sanen)
- Het examen is mondeling met schriftelijke voorbereiding. De PE staat op 4.
Vraag 1
- Definitie van 1992 van wie?
- wat zijn de 5 fouten van huidige management informatie
- Welke fouten worden door definitie opgelost
- Definitie zelf geven en uitleg (kort)
Vraag 2
- Geef 3 fouten data audit en geef een voorbeeld /3
Vraag 3. Leg kort uit: /2
- SSRS
- Business corporation performance
- Integrale load
- Dashboard
- bus architecture
Vraag 4
- Verklaar dimensional modeling a h v voorbeeld /2
Vraag 5
- Geef 3 basisconcepten ETL (geeft er 1, vul er 2 aan) /1
Vraag 6
- Oefening op sterschema en attribuutboom /4
Reeks 1 (9/06/11 13u00, F. Sanen)
- Het examen is mondeling met schriftelijke voorbereiding. De PE staat op 4.
Vraag 1
- Definitie van 1992 van wie?
- Definitie zelf geven en uitleg (kort)
- Waarom was deze definitie niet goed genoeg?
- Geef de betere definitie
Vraag 2
- Geef 3 fouten data audit en geef een voorbeeld /3
Vraag 3. Leg kort uit: /2
- SSRS
- Data Mart
- Click-Stream Analysis
- Delta load
- bus architecture
Vraag 4
- Verklaar dimensional modeling a h v voorbeeld /2
Vraag 5
- Geef 3 basisconcepten ETL (geeft er 1, vul er 2 aan) /1
Vraag 6
- Oefening op sterschema en attribuutboom /4
Juni 2010
Reeks 1A (31/05/10 8u30, K. Milis)
- Mondeling: Wat zijn de verschillende vormen van ondervraging van een DWH? Geef bij elke soort een voorbeeld aan de hand van gebruik binnen een ziekenhuis.
- Schriftelijk. Wat is transformatie? Welke vormen bestaan er? Leg uit aan de hand van gebruik bij een kruidenier, detailhandel. Waarom gebruiken we transformatie?
- Schriftelijk: Leg uit: hoe ziet Belgacom de evolutie van BI (business intelligence) en informatica? (Nalv een presentatie van Belgacom in één van de lessen.)
- Mondeling: a) Je krijgt een schema van een operationele databank van een bedrijf. Je wilt onderzoek doen naar welke klanten hun orders te laat betaald hebben. Teken het sterschema. b) Stel dat je een hiërarchie wenst te gebruiken in je onderneming en ook met afdelingshoofden wilt werken. Hoe zou je dan te werk gaan?
Reeks 1B (31/05/10 13u, K. Milis)
- Gegeven de 4 kenmerken van een DWH uit de definitie (subject-oriented, integrated, time-variant, non-volatile), verklaar elk en geef een voorbeeld uit de automobielsector. Als we dit nu hebben, wat is dan het doel van een DWH? (mondeling)
- Eén van de keuzes die gemaakt moet worden, is hoeveel tijd er zit tussen het doorvoeren van aanpassingen in het bronsysteem naar het doelsysteem. Er zijn hiervoor verschillende mogelijkheden, geef, leg uit en vertel wanneer welke gebruikt wordt. (schriftelijk)
- Belgacom vergelijk zijn evolutie van het DWH met de stadia in het menselijk leven. Leg uit: de stadia Teenager en Adult. (schriftelijk)
- Gegeven een hoop tabellen, we willen shipping oriented vragen oplossen. Teken een sterschema. (mondeling)
- Als een aantal van onze werknemers ook klanten zijn bij ons, hoe lossen we dat op in een DWH? (mondeling)
- Vragen over het project (mondeling)
Data Mining
Algemeen
R. Roels
Juni 2010
Het examen bestaat uit 15 meerkeuzevragen zonder giscorrectie en je mag gebruik maken van alle slides, opgaves + je eigen oplossingen van deze opgaves
Reeks 1 (11/06/11 8u30, R. Roels)
Het examen bevatte veel screenshots ( vooral van XL miner outputs en bayesiaanse netwerken ) Een aantal vragen waarbij de incorrecte stelling moet aangeduid worden en de overige vragen waarbij het correcte antwoord moet aangeduid worden.
Vraag 1 : Situatieschets waarbij hij zegt dat er een classificatiemodel(1) gebruikt wordt voor analyse en een prediction model(2) om iets te voorspellen
- Hoe kan men zien of deze modellen goed werken:
- RMS error voor beide
- RMS error voor (1) en confusion matrix voor (2)
- omgedraaid
Vraag 2 : Vraag over kansen / odds ( gemakkelijk: getallen invullen in de formule )
- Wat is de kans dat de persoon met gegevens X en Y volgens dit model bij de succes klasse behoord.
Vraag 3 : Vraag over k-Nearest Neighbours:
- Adhv een XLminer output tabel van KNN : Met k=3 , wat is de waarde van de target variabele
Vraag 4 : Nettowinst berekenen
- Gegeven: Een XLminer output van een Logistic regression (?) Wat is de nettowinst als men 5 personen kiest volgens DIT MODEL
Vraag 5 : Lift charts
- Welke van de gegeven lift charts hoort bij dit model ?
Vraag 6 : Clustering
- Gegeven : Een afbeelding met punten die gegroepeerd zijn ( 3 clusters totaal )
- Vraag: Wat is de volgende stap als men de afstand berekend volgens complete linkage ? (= Welke clusters worden gegroepeerd ? )
Vraag 7 : Normaliseren
- Wat is normaliseren ? Duidt de incorrecte stelling aan
- Aantal definities / redenen / formules
Vraag 8 : Spamfilter
- Gegeven : Uitleg + woordfrequentie uitput van spam en niet-spam mails + alles draait rond het woord 'offer'
- Welke voorstelling van een Bayesiaans Netwerk in Netica hoort niet bij deze spamfilter ?
- Spamfilters in netica met 2 nodes ( spam en offer )
- verschillende situaties ( spam aanwezig / offer aanwezig ) waarbij de kansen steeds veranderen
Vraag 9 : Spamfilter
- Gegeven : Een screenshot van een spamfilter in Netica met ~ 7 nodes
- Vraag: Welke afleiding is niet correct over deze spamfilter ?
- een antwoord dat het aantal kansen van 1 node berekent
- een antwoord dat volgens de aangevinkte toestanden van de nodes een afleiding maakt
- een tweede afleiding
Vraag 10 : Partitionering
- Waarom wordt gesplitst in Training en Validatie data : Duidt de foute stelling aan
BS-Supply Chain Management en Cust Rel. Man. (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2021-05-11). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Supply Chain Management
Dit vak bestaat niet meer
9 Juni 2012 8.30u
- Mondeling: Case ivm Philips Lighting
- Leg uit: distributielogistiek
- Welk type SC is het? (Innovatief/agile)
- Waarom is traceability ook nuttig voor non-food producten?
- Schriftelijk
- Geef de verbeterconcepten van Supply management ~ replenishment en leg uit
- Geef de bouwstenen van lean en leg uit
- SCOR-model: leg uit, geef 3 karakteristieken en leg deze ook uit
- Open vraag: vertel wat voor invloed ICT heeft in de SC
Juni 2011 8.30u
- Mondeling: Case ivm HEMA
- Geef de 4 vormen van ketenintegratie en vindt een voorbeeld ervan terug in de tekst. (Oplossing: Fysieke, informatie, besturing en grondvorm integratie)
- Is het Push of pull (kunnen uitleggen ook)
- Pas category management en ECR verbeterconcepten toe op de case (en bij mondelinge bijvraag: geef ze allemaal)
- wat is verschil tussen foodsupply en non-foodsupply bij HEMA
- Schriftelijk
- wat is verband van product ontwerp en postponed manufacturing. Waarom is productontwerp deel van scm?
- Wat is KOOP. Geef 1 koop en leg uit. Wat heeft koop met lean/agile te maken. Waarom is het KOOP belangrijk?
- Verklaar waarom ICT belangrijk is in de SCM.
- Presentatie Carmans: Wat is VIM en leg uit. Is dit kosten reducerend of waarde vermeerderend?
Juni 2011 13u
- Mondeling: Case ivm HEMA
- Geef de definitie van DSCM en pas toe op de case
- Pas supply management en ECR verbeterconcepten toe op de case
- Wat zijn de supply-chain vraagstukken waar HEMA nog moet aan denken voor ze verder uitbreiden in Duitsland ?
- nog iets
- Schriftelijk
- Geef de bouwstenen van het agile concept
- nog iets
- Leg uit : bullwhip effect (illustreer ook met een voorbeeld), en geef de oorzaken hiervan
- Presentatie Carmans: wat is het doel van on shelf availability in de retail?
Augustus 2010
- Mondeling: Case ivm boekenverkoop
- Geef de 4 vormen van ketenintegratie en vindt een voorbeeld ervan terug in de tekst. (Oplossing: Fysieke, informatie, besturing en grondvorm integratie)
- Verklaar Continue herbevoorrading
- 2de case: Wat zou het bedrijf in de tekst kunnen verbeteren om een betere Supply chain te hebben
- Schriftelijk
- Waarom worden Lean en Agile terecht DSCM concepten genoemd?
- Wat is het Bullwhipeffect en hoe kan je het voorkomen?
- Verklaar waarom ICT belangrijk is in de SCM. Waarom komt ECR tekort aan SCM?
Juni 2010
Reeks b
- Mondeling: Case ivm Philips
- Welke verbeterconcepten (ECR) vindt je terug.
- In de case zegt men dat de productie verdeeld is over verscheidene landen. Wat is de logica hierachter en leg de relatie met het KOOP
- Op welke van de vier logistieke deeltrajecten ligt de nadruk?
- Schriftelijk
- Wat versta je onder DSCM? Leg uit
- a) Geef de bouwstenen van agile en leg uit. b) Wat is volgens jouw het beste lean/agile? Leg uit en geef een voorbeeld
- a) Wat is het belang van de prestaties in de keten te meten? b) Geef 3 verschillen/overeenkomsten tussen de modellen
- a) Wat verstaan we onder intercompany pricing? (Gastpresentatie tijdens het jaar) b) Welk aspect (SC Financieel) is hier belangrijk?
Juni 2009
- Mondeling: een case ivm de evolutie van Philips
- Welke verbeterconcepten (ECR) vindt je terug
- De productie in de case worden verdeeld over verscheidene landen. Wat is de logica hierachter, en wat is de relatie met het KOOP?
- Op welke van de vier logistieke deeltrajecten ligt de nadruk?
- Schriftelijk
- Wat is het belang van de prestaties in de keten te meten?
- Som 4 eigenschappen op van het SCOR-model, en geef uitleg.
Customer Relationship Management
Juni 2012, 8u30
- Mondeling
- Wat is het relatie beleid per relaties fase, geef omschrijving en leg uit
- Kan een discounter aan CRM doen + uitleg? (neen, ze gebruiken operationele excellence strategie, en niet de costumer intimacy strategie)
- Leg volgende begrippen uit: multi-channels, cross-selling, klantenpiramide
- Wat zijn de mogelijke problemen als je drie kanalen hebt : telefonie-, website- en saleskanaal (het kwam erop neer dat vooral concurrentie tussen de diensten ervoor gingen zorgen dat ze om de klant via hun dienst binnen te halen andere voorwaarden gingen doen.)
- Welke 3 strategiën zijn er en leg uit.
- Wat zijn de voordelen van een kanaal via internet, voornamelijk dus een website
- Schriftelijk
- Case
Juni 2011, 8u30
- Schriftelijk
- Wat is de relatielevenscyclus?
- Hoe kan een supermarkt aan customer intimacy doen?
- Wat is het verband tussen commitment en vertrouwen?
- Wat is het mogelijk verband tussen klantkennis en een dalende commitment in de groeiperiode?
- Wat zijn de belangrijkste communicatiemiddelen die front-end beschikbaar zijn?
- ???
- Mondeling
- Case
Juni 2010
Reeks b
- Mondeling
- Waarom is het niet aangeraden voor een bedrijf om zowel Operational excellence, Product leadership en Customer Intimicy samen toe te passen? Leg uit en illustreer a.d.h.v. een voorbeeld
- Geef de vier basiselementen van CRM. Waarom is CRM meer dan zomaar een ICT-project?
- Leg uit: retentie, lifetime value en congruentie
- Hoe kan men in een supermarkt Customer Intimicy toepassen? Leg uit
- Aan welke eisen moet een bedrijf voldoen om CRM toe te passen? Leg uit
- Een callcenter bestaat uit 4 elementen. Leg uit.
- Schriftelijk
- Case over KLM
Bedrijfsbeheer 2 (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Dit vak is niet zo moeilijk. Naar de lessen gaan hoeft eigenlijk niet. Gewoon een 2-3 tal dagen op voorhand beginnen te studeren voor je examen en je haalt normaal wel een voldoende.
Beroepsgerichte communicatie (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Dit vak bestaat uit 2 onderdelen: Communicatietechnieken (2SP) en Taalbeheersing (1SP). Hoewel er in de studiewijzer staat dat dit vak enkel door permanente evaluatie wordt geëvalueerd, is er voor Taalbeheersing toch een examen ingericht. Je moet voor Taalbeheersing ook 3 werkjes maken voor PE, welke voor het einde van de kerstvakantie binnen moeten zijn. Voor het examen heb je via mail een voorbeeldexamen gekregen van de heer Bouving, wat goed weergeeft wat je moet kennen. Ga in je oefeningen nog eens snuffelen of je alles begrijpt. Uitleg over de onderwerpen van spelling vind je in het boekje "10 voor spelling". Voor Taal is de uitleg enkel in de klas gegeven (alhoewel), hiervoor zal je dus moeten surfen en kritisch zijn. Veel succes!
Communicatie in het Engels - deel 2 (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Vak vervangen met 2TX Testing sinds 2016.
Inhoud
Lectoren
Norbert Valckx
Zoals de lessen doen vermoeden, stelt het examen weinig voor. Aan het begin van het semester wordt gevraagd een tekst te schrijven, die telt voor permanente evaluatie. De aandacht wordt tijdens het examen vooral (of misschien zelfs enkel) gelegd op de communicatieve vaardigheden: lezen en schrijven. Echte leerstof wordt tijdens het jaar amper of niet gezien en bijgevolg ook niet getest op het examen zelf.
Examens
Januari 2013 (Valckx)
- Schriftelijk:
- woordjes uitleggen in het Engels over alle teksten heen
- tekstfragmentjes vertalen naar het nederlands
- Democracy kills capitalism, discuss (cfr. Capitalism a love story by Michael Moore)
- Robots in different sectors of society. Discuss
- Mening over illegaal downloaden
- Give symptoms of gaming addiction
- ....
- Mondeling:
- What to do during a job interview?
- Discuss your paper.
Januari 2012 (Duerinckx)
- Schriftelijk:
- Per pagina:
- woordjes uitleggen in het Engels van de geziene woordenschat (leesteksten etc. )
- woordjes van woordenschat in zin gebruiken van de geziene woordenschat
- Een open vraag over 1 van de leesteksten waarbij je een uitleg moest schrijven van 4-8 lijnen (afhankelijk van de vraag)
- Een invultekst met gegeven woordjes ook weer van de woordenschat
- een 10- tal woorden van de woordenschat van de film Inside job die je dan moet uitleggen in eigen woorden
- Per pagina:
- Mondeling:
- Beetje over de feestdagen gepraat
- Een vraag of 2 uit het boekje "English in use"
- Nog rustig over wat andere dingen gepraat
Januari 2012 (Valckx)
- 3 schriftelijke vragen i.v.m. in de les geziene teksten:
- invloed van ICT op "domestics" (huishoudelijke robots) (10 regels)
- persoonlijke mening over "capital punishment" (10 regels)
- pro's en contra's van gamen (10 regels)
- [Mondeling] Verschillende mogelijkheden:
- opinievraag over een in de klas gezien thema
- vraag over een geziene film
- vraag over zelfgeschreven paper
- schrijf een klachtenbrief (situatieschets gegeven)
- vertaaloefening: 3 stukjes tekst (van 3 à 6 regels) van Nederlands naar Engels
Januari 2009
Het examen is deels mondeling, deels schriftelijk. Het schriftelijk deel bevat volgende dingen:
- 2 Engelse tekstjes (die uit de cursus komen) vertalen naar het Nederlands
- 1 Nederlandse tekst vertalen naar het Engels
- oefeningen op many,much,less,fewer,..
- een oefening op Amerikaans Engels - British Engels
- een oefening op vraagstelling ( vb. Joe is drunk, isn't he? Yes he is)
- een 5 tal Engelse woordjes vertalen naar het Nederlands
- zinnen maken die de betekenis van Engelse woorden uitlegt.
Communicatie in het Frans - deel 2 (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Juni 2013: Verschueren
Mondeling
per twee:
- een telefoongesprek
- een vraag over MediaTic en een vraag over Facebook/Mp3 de ene doet de eerste vraag de ander vult aan, omgekeerde voor de tweede vraag
Elk stelt ook een vraag aan de medestudent over de vraag die hij beantwoordt.
Schriftelijk
- zinnen te vertalen
- mail schrijven naar een projectgroep om het gebruik van Dropbox uit te leggen.
2012: Verschueren
Mondeling: per twee:
- een telefoongesprek
- een vraag over MediaTic en een vraag over Facebook/Mp3 de ene doet de eerste vraag de ander vult aan, omgekeerde voor de tweede vraag
Elk stelt ook een vraag aan de medestudent over de vraag die hij beantwoordt.
Schriftelijk:
- 3 woorden verklaren
- zinnen te vertalen
- mail schrijven naar een bedrijf ivm het kiezen van juiste paswoorden tegen hackers
Examen '10
Mondeling op 8 van de 12 punten, schriftelijk op 4.
Mondeling:
- Een deel van een conversatie voorbereiden en voorbrengen, medestudent doet het andere deel
- Vertellen over een onderwerp (Facebook/Hadopi bij ons)
Schriftelijk:
- vijf zinnen vertalen
- Email schrijven naar directeur
Examen '09
- 2/06: verscheuren zelfde bij Van Pelt op 11/06
- Mail schrijven: een afspraak verplaatsen naar een andere datum
- Tekst ofzoiets bespreken en eigen menig erover (deze keer illegaal downloaden van muziek, en verschil tussen belgie frankrijk en USA en welke midellen zijn er om dit te bestrijden)
- 10 zinnen vertalen van nederlands naar frans( voc van alle hoofdstukken).
- Telefoon gesprek: in het nederlands
onderwerp : een klant heeft een kapote pc, en belt naar de verkoper om te weten wat er aan scheelt
-correct gesprek openen
- iets met waarborg
- vragen stellen aan klant i.v.m. met wat er aan scheelt
- adres gegevens + telefoonnummer opschrijven
- correct afsluiten
Databanken (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 35% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Algemeen
W. Bertels / P. De Mazière
Databanken is opgesplitst in Databanken 1 en 2 (elk 3stpn).
Databanken 1
Lessen zijn niet verplicht, maar er worden aanwezigheden opgenomen. Als je maar 4u of minder mist, mag je extra bladen meenemen naar het examen. Zo ook voor oefeningen maken (of extra opdrachten). Maximaal 6blzn. Leerstof: SQl (subqueries, joins, vensterfuncties, indexen), Hiërarchische en Netwerk DB
Databanken 2
Naar de les gaan is niet verplicht. Tijdens dit semester moet je in groepjes van 3 of 4 een opdracht maken om openboek examen te verdienen. Je mag dan alles meenemen wat je wil, als het maar op papier staat. Zorg dus dat je in het begin van het semester tijdens het kiezen van de groepjes aanwezig bent. Maak je geen opdracht of slaag je hier niet voor dan mag 3 zelf geschreven pagina's meenemen naar het examen.
Juni 2017
12 juni 8u30
1. Wat is acid? Wat is het verband met NoSql?
2. Schrijf triggers voor integriteit op een schema
3. Schrijf een recursieve cte op dat schema
4. Wat zijn xml en json in verband met postgresql?
1 juni 8u30
1) mondeling: wat is referentiële integriteit leg uit, geef grondige voorbeelden.
2) maak een functie die als input een tabelnaam heeft en als output de kollomhoofden en datatype
bv: tabel(k1 text,k2 integer)
output: k1 text k2 integer
3) Wat is een dirty read ? Geef een voorbeeld hiervan met transaction. Maak ook een view met het gegeven voorbeeld waarbij alle geiten hun nummer en mogelijke aandoening getoond worden.
4) wat zijn de nadelen van ORDMS + geef telkens een voorbeeld.
1 juni namiddag
1) mondeling: uitleggen wat cartesisch product is + voorbeeldquery maken met inner join, en dan vroeg hij op het examen de volgorde van uitvoer van die query + hoeveel rijden er overbleven na de join met using + na de where
2) pc en mondeling: trigger schrijven voor een tabel "geit" en wanneer ge een geit toevoegt, moet ge voor de insert aan een zelfgemaakte tabel audit toevoegen wat de situatie was voor de insert + ook info naar die audit tabel zetten na de insert
3) schriftelijke query: van de geit tabel de stamboom geven van een geit met CTE
4) schriftelijk: 4 manieren om te beveiligen: staat in de pp's: was grant, view, stored procedures & roles
Januari 2017
9 Januari
(Van wat ik mij herinner)
Volledig schriftelijk, 2u tijd (1.5u gerekend)
1) In welke SELECT componenten kun je gebruik maken van gecorreleerde subqueries? (10min)
2) Code voor het creëren van een tabel met een aantal attributen gegeven. Wat is hier goed/slecht aan (inhoudelijk, fysisch en sql) (10min)
3) Code voor een hiërarchische DB programma gegeven. Wat voor DB is dit? Wat geeft dit als output? (10min) (zelfde programma als vorig jaar)
GU ZAAL
PATIENT
GENEESMIDDEL (GNAAM = VALIUM)
GU ZAAL (ZAALNR = key1zaalkey)
PERFORM UNTIL STATUS1NOTOK
GNP VERZORGSTER
PERFORM UNTIL STATUS2NOTOK
DISPLAY VERZORGSTER
GNP VERZORGSTER
END-PERFORM
GN ZAAL (ZAALNR <> key1zaalkey)
PATIENT
GENEESMIDDEL (GNAAM = VALIUM)
IF DBSTATUS1OK
GN ZAAL (ZAALNR = key1zaalkey)
END-IF
END-PERFORM
4) 3 verschillende queries gegeven die hetzelfde doen (een user teruggeven op basis van één van zijn eignschappen), adhv 6 j/f vragen bepalen welke de snelste is. (kwam ongeveer op het volgende neer denk ik: ) (10min)
> a) select *
from users
where id="123546"
1) Deze query is de snelste omdat id een uniek attribuut is.
2) Deze query is niet de snelste omdat het id zeer hoog is,
dus hij waarschijnlijk vrij ver in de de lijst van id's gaat moeten zoeken om deze user te vinden.
> b) select *
from users
where hash="ea02e3a20e3ae23265"
1) Deze query is de snelste omdat het een hash is.
2) Deze query is niet de snelste omdat een hash niet per se uniek is (en hier ook niet).
> c) select *
from users
where joindate="05-12-06" (met de eerste user gejoind op "05-12-06")
1) Deze query is de snelste omdat deze eerst in de lijst staat (eerste user dan gejoined).
2) Deze query is niet de snelste omdat timestamp een complex attribuut is.
5) Query met rollup gegeven. Bespreek hoe de uitvoer hiervan eruit gaat zien. (10min)
6) Vergeten (10min)
7) 4 queries maken (met subqueries, aggregatiefuncties en joins) (40min)
14 Januari 2016
De Mazière
THEORIE
1) twee tabelen + query geef output en kan het beter
2) Mondeling: Wat is een transactie en wat is het nu, wat zijn de gevaren en oplossingingen hiertegen + wat is commit + rollback.
3) Hoe kan je een RDB toch forceren om over te erven + welke van de 4 DML ... kan je gebruiken om in 1 commando aan datamanipulatie te doen.
OEFENINGEN
Bertels
Volledige examen achter deze link
13 Januari 2016
De Mazière
THEORIE
1) Mondeling: geef het verschil tussen gecorreleerde en niet-gecorreleerde subqueries. Illustreer dit aan de hand van een voorbeeld. Geef ook de voor- en nadelen van beide queries (performantie-gewijs ...)
a) Bijvraag: Wat zijn de 4 soorten subqueries?
b) Hoe kan je de performantie van een subquery testen?
2) Wat zijn de verschillen tussen hierarchisch en netwerk model?
3) Hoe worden relaties gemaakt in een NoSQL database? wat is het verschil met een rdbms hierin? geef ook een voorbeeld. Wat heeft dit voor gevolgen?
OEFENINGEN
1) Je kreeg een query:
SELECT t1.nummer, t1.kolom1, (SELECT count(*) from tabel2 WHERE tabel2.nummer = t1.nummer)
FROM tabel1 as t1, tabel2 as t2
WHERE t1.nummer < 3
| nummer | kolom1 |
|---|---|
| 1 | 1 |
| 2 | 2 |
| 3 | 3 |
| 4 | 4 |
| 5 | 5 |
| 6 | 6 |
| nummer | kolom1 |
|---|---|
| 1 | 10 |
| 2 | 20 |
| 3 | 30 |
| 4 | 40 |
a) Geef de output:
b) Kan de query optimaler? Zoja, maak ze.
2) Gegeven een blad met een aantal tabellen over bakkers en broden.
a) Toon alle bakkers met maximaal 4 generaties in de familie die bakker zijn. (Kan je doen met with_recursive of alle tabellen joinen met allemaal left outer joins of 4 aparte queries voor 4-3-2-1 generaties en deze met union samensmelten)
b) Toon alle bakkers van "Janssens Jan" langs vaders kant. Output moet [regnr persoon] - [rregnr vader] zijn. (Dit moest met with_recursive gedaan worden).
c) Toon voor de bakker die het meest aantal broden gebakken heeft in januari 2015, de klantnaam met de kleinste bestelling (op basis van de prijs) aan wie de bakker ooit heeft geleverd.
d) Geef een stored procedure die prijs van de broden aanpaste.
e) Sorteer de bakkers aflopend op basis van het aantal klanten in 2016. Vermeld per bakker het aantal broden gebakken voor dat jaar en de gemiddelde prijs per bestelling.
Augustus 2015
De Mazière
THEORIE
1) Gegeven 2 tabellen en een query. Schrijf deze query zo optimaal mogelijk en leg uit waarom hij optimaler is.
2) Mondeling: Geef de 4 soorten subqueries en leg grondig uit met voorbeelden. Kort antwoord: Scalaire, rij, kolom - en tabelsubquery + uitleg en voorbeelden.
3) Gegeven een netwerk DBMS met code. Op basis van die code moet je de output bepalen. (In januari was dit een hiërarchisch DBMS)
4) Hoe kan je bij RDBMS (niet ORDBMS) een eigen datatype definiëren? Laat met een voorbeeld ook zien hoe je dit kan gebruiken.
OEFENINGEN
Databank over plaatsen (spots) waar klanten materiaal kunnen huren, met tussentabel klant_huurt_materiaal en ook een rating tabel.
!!Vergeet niet te oefenen op WITH RECURSIVE, in januari en augustus waren 2 van de 5 queries met recursie!!
1) Geef alle klanten waarvan de vader en grootvader ook ooit klant zijn geweest, zonder het veld 'generatie' te gebruiken. (recursie)
2) Geef de volledige generatie van klant 'Big Z' weer in formaat [klant] - [vader van klant]. (recursie)
3) Geef van de speler die in 2014 het meeste materiaal gehuurd heeft, zijn meest bezochte spot.
4) Geef een stored procedure die alle ratings voor 2010 verwijderd.
5) Geef van alle spots, aflopend gesorteerd op cumulatieve rating, het totaal aantal unieke klanten.
Januari 2015
20/01
THEORIE 1) bespreek 1 op 1 of 0 relaties, hoe je de referentiële integriteit kan bewaren, geef een voorbeeld met een tabel en schrijf in SQL code
2) geef 4 duidelijk verschillende manieren van gegevensbeveiliging en hun SQL code
3) welke van de 2 is de meest performante code (2 codes gegeven met hun explain eronder)
4) netwerkdatabank vraag over RETENTION
5) vergeten
OEFENINGEN databank over een bank gegeven
1) gegeven querie = select * from 8 verschillende kolommen. Wat wordt er geselecteerd?
2) Verander alle rekeningen met naam Berchtem naar Bertels en zorg dan dat met 1 instructie (niet dezelfde) alles terug ongedaan kan worden
3) geef alle info over rekeningen die afgelopen 2 dagen zijn aangepast (laatste is laatste 2dagen bewerkingen niet vanaf vandaag hier bestaat een tabel over (maar niet gegeven) WTF)
4) geef alle vrouwelijke eigenaars van een rekening die begint met een cijfer, een % teken bevat in het midden en eindigt op CH of CF weer
5) vergeten
12/01
THEORIE
1) Gegeven tabel met per rij (land, goals, hematocrietgemiddelde) :
a) Wat is de uitvoer van SELECT COUNT(*), MAX(k.hematocrietgemiddelde) FROM wk w cross join wk k GROUP BY w.goals
b) Bedenk een zinvolle output en geef hiervoor alternatieve query
2) (mondeling) Leg uit: transacties: voordelen/nadelen, hoe werkt het, voorbeeld..
3) Gegeven was code en model van een db (Hiërarchische?), hiervan moest je geven welk soort GBS dit was en van de code moest je de uitvoer geven.
4) ORDBMS: geef de 4 verschillende soorten indexen, indien deze niet bestaan, wat gebruikt men i.p.v. deze indexen
OEFENINGEN
Databank met geiten/wedstrijden/jaarproductie/behandelingen..
1) Gegeven query, klopt dit? Zoja, optimaliseer, zonee, wat klopt er niet?
2) Geef alle geiten welke een behandeling hebben gehad in de afgelopen week en waar hun ras begint met 'melk'
3) Geef de geit(en) dewelke aan alle wedstrijden hebben meegedaan
4) Schrijf procedure om alle geiten die minder dan 10 L (kg) opbrengst per jaar hebben te verwijderen
5) Geef de hele boom van geiten beginnende vanaf geit met nr 1. (Recursieve functie in de stijl van vader uit cursus)
Augustus 2014
18/08
- Mondeling
- Wat betekent relationele integriteit? Hoe kunnen we dit gebruiken?
- Schriftelijk
- Create table query gegeven, leg uit wat je anders zou doen en waarom.
- Wat is het verschil tussen GN en GNP? Wat is de uitvoer van volgende query? (hiërarchisch query gegeven)
- Wat is oid/guid (ref())? Leg uit en geef de voor- en nadelen.
- 5 querys schrijven (serverdatabank)
Augustus 2013
voormiddag 20/08 (Bertels)
- Mondeling
- Geef 3 mogelijkheden om gegevens af te schermen van gebruikers. Wat zijn de mogelijkheden met procedurele sql? Hoe zou je dit als databankbeheerder aanpakken (voorbeeld)? (en nog wat)
- Schriftelijk
- Query gegeven
- Wat is de uitvoer van deze query?
- Leg nu uit in gewoon Nederlands?
- Wat betekenen de volgende begrippen en horen ze bij hiërarchish of netwerk?
- CRU
- Set
- GRIDAK
- GNU
- Geef 3 concepten die geïntroduceerd zijn bij ORDBMS. Leg uit, geef een voorbeeld en wat zijn de voor- en nadelen?
- 5 Querys schrijven (een databank over fietsen)
- Query gegeven
namiddag 21/08 (Beheydt)
- Mondeling
- Je moest twee tabellen maken met twee rijen en de andere me drie rijen en daar een select instructie schrijven en stap per stap de volgorde uitleggen
- Schriftelijk
- Query gegeven met een aantal fouten, je moest deze aanpassen
- De verschillen tussen een hiërachische en een netwerkdatabank
- Iets van indexen bij een ORDMS
- 5 Querys schrijven (een databank over een Onderneming en zijn medewekers aan een project)
Januari 2013
voormiddag 07/01 (Bertels)
- Gegeven:SELECT count(*), sum(k.goals) FROM wedstrijden w inner join wedstrijden k where w.goals = k.goals group by w.goals; Gevraagd:
- Geef de output van deze query (adhv. tabel)
- Geef een alternatief om nuttige informatie uit deze tabel te krijgen. Geef de opgave, query en output.
- Wat is XML en geef een voorbeeld. Wat is het doel van (meerdere) XML bestanden. Voor en nadelen van XML voor dataopslag.
- Wat zijn (volgens jou) mogelijke nadelen van de nieuwe concepten van ORDBMS?
- <<mondeling>> Wat is een cartesisch product? Geef een voorbeeld en leg bij een eenvoudige query de stappen uit, en waar het cartesisch product zich bevindt. (bijvraag: kan je een voorbeeld geven van cartesisch product in de group by?(GROUP BY WITH CUBE))
- 6 Query 's --> databank over geiten
- Geef alle wedstrijden waar meer dan 15 verschillende geiten aan hebben deelgenomen. De wedstrijd met de laatste datum mag er niet bij.
- Geef wat info over de derde oudste geit.
- Geef alle geiten die deelnamen aan minstens 2 en maximum 5 wedstrijden. (hier kwam nog een klein stukje bij)
- Geef alle geiten die hun eigen moeder zijn (het zijn boeddhistische geiten)
- Maak een view van alle geiten en indien ze deze hebben hun behandelingen
- ...
Melk is goed voor elk...
voormiddag 10/01 (Beheydt)
- mondeling
- Geef de 2 of 3... soorten procedurele objecten die mogelijk zijn in een ORDBMS. (TRIGGER EN STORE PROCEDURES/FUNCTIONS) Bijkomende vraag om van beide een voorbeeld te geven om bij een deleteinstructie overeenkomstige records in een andere tabel te verwijderen (op basis van gegeven ERD) in pseudocode
- schriftelijk
- Gegeven: GHN, ROOT, INSERTION AUTOMATIC, GRIDAK, CRU: bespreek en geef aan in welk soort database deze voorkomen (hiërarchisch of netwerk)
- Bespreek GUOID/OID en hoe je er tabellen mee verbindt via REF. Wat zijn de voor en nadelen?
- Geef aan hoe men in een RDBMS slechts een deel van de rij en/of kolommen van een tabel kan tonen aan de gebruiker (en dus een deel afschermen). Geen ook een voorbeeld aan de hand van de gegeven ERD. (Met een view die een deel van de basistabel selecteert en waarbij je enkel rechten geeft voor de view aan de user)
- 5 queries waarvan één delete, gemiddeld niveau
Namiddag 10/01 (Bertels)
- Mondeling
- Wat zijn indexen? Wat is het verschil met een clustered index?
- Schriftelijk
- Een slimme databasebeheerder maakt gebruik van transactions. Ga je hier mee akkoord? Leg uit waarom? Wat zijn de voor- en nadelen van transactions.
- Enkele begrippen van hiërarchische en netwerkdatabanken verklaren + zeggen bij welke databasesoort ze horen. (Set, Leaf, GNU, ...)
- Zijn er verschillen tussen een ODBMS en een ORDBMS? Indien ja, geef 3 verschillen. Indien nee, leg uit wat ze doen. Leg overerving in en ORDBMS uit aan de hand van een voorbeeld.
- 5 queries waarvan één update. Niveau SQL-dropbox.
Geniet van de wind.
Januari 2012
voormiddag 09/01 (Beheydt)
- Verbeter volgende query: SELECT count() FROM spelers AS Micheal WHERE naam = "Charlie Skyer"
- Gegeven:SELECT *, wk.hematocrietghalte FROM wedstrijden WHERE hematocrietgehalte/goals>6 OR 2=36; met daarbij de tabel wedstrijden. Gevraagd:
- geef de output van deze query (adhv. tabel)
- twee termen worden uitgelegd, waarna je een nieuwe query moet geven, rekeninghoudend met de twee termen
- [Mondeling] Wat is redundantie & hoe pakt men dit aan binnen RDBMS?
- Geef de belangrijkste verschillen tussen hiërarchische en netwerk databanken
- Hoe is SQL-injectie mogelijk?
- Gegeven: een databank (ERD, ER, overzicht van de velden/tabel), de syntax van SQL-instructies Gevraagd: een aantal query's (niveau SQL Dropbox)
namiddag 09/01 (Beheydt)
- Verbeter een query (FROM was fout geschreven (FORM), ...) + Er stond een aggregatiefunctie in de WHERE. (Deze hoort alleen in de SELECT en HAVING clausules, NIET IN WHERE!!)
- Mondelinge vragen
- Wat is referentiële integriteit? Leg dit uit a.d.h.v. een voorbeeld.
- Wat betekent CASCADE, RESTRICT en SET NULL.
- Welke 3 dingen kan je bij ORDBMS wel gebruiken, en in een RDBMS niet? geef een voorbeeld bij elk deel.
- Wat is RSS?
- Wat is MongoDB ? (document-georiënteerde db) + hoe worden gegevens opgeslagen in MongoDB?
- Een stored procedure-script schrijven
- Een aantal queries schrijven met behulp van een door hen gegeven database (oei, aj, de sjef is daar, het was een vergissing!)
Augustus 2011
voormiddag 23/08
- verbeter volgende query:
Select naam, sum(zwartgeld) Form bank Where sum(zwartgeld)>255
- (mondeling) Wat is relationele integriteit en leg uit met een voorbeeld
- wat is rss
- geef de 3 voordelen van ORDBMS tov RDBMS. Geef ook enkele voorbeelden
- 5 query's
Januari 2011
Reeks 1A (10/01/11 13u, Bertels)
- Select count(*), max(w.goals) from wk w, wk k order by k.hematocrietgemiddelde
- volgende tabel is gekend: (landen, goals, hematocrietgemiddelde) Belgie, 38, 47.00 Japan, 8, 45.00 China, 8, 47.00
- vraag: wat is de uitvoer van de querie. wat is er zinvoller, geen de querie + uitleg
- Hoe kan men views gebruiken om restricties te geven bij select en aanpassingen.Voorbeeld. Hoe kan men dat buiten revoke/grant en views nog doen. Geef een voorbeeld (= mondeling)
- Een hierarchische gegevensbankvoorbeeld 'leg uit wat het programma doet' + Wat is GHN en GN + verschil uitleggen
- Is er een verschil tss OODBMS en ORDBMS, zoja leg uit, zoniet geef 3 kenmerken van een OODBMS. + leg overerving uit van tabellen bij ORDBMS
- 4 verschillende queries : 3 selects, 1 update
Januari 2010
Reeks 1A (19/01/10 8:30u, Martens)
- 4 SQL-queries, gegeven zijn een aantal tabellen en uitleg + een syntaxbundel van SQL
- Theorie RDBMS
- Mondeling: Welke verschillende joins bestaan er om kolommen samen te voegen. Geef bij elke join een voorbeeld gebruik makend van de bijgevoegde SQL-bundel en geef de voor -en nadelen tussen al deze joins.
- Schriftelijk: Wat zijn Stored Procedures? Wat is het nut? Geef een voorbeeld m.b.v. de bijgevoegde SQL-tabellen.
- Wat is een index? Wanneer gebruik en waarom? Geef een voorbeeld m.b.v de bijgevoegde SQL-tabellen
- Theorie van de andere gegevensbanken
- Gegeven een hierarchische ERD-model en een stukje code (GHU =(NAAM = 'Martens) VAK DLET). Leg uit stap voor stap wat dit programma doet, wat de output zal zijn en teken een schematisch voorbeeld om het programma te illustreren.
- Netwerkdatabanken; geef de voor -of nadelen ten opzichte van een hierarchische databank.
- OODBMS en ORDBMS: Wat is het nut van overerving en is dit bij OODBMS of ORDBMS?
Reeks 1B (19/01/10 13u, Martens)
- 4 SQL-queries, gegeven zijn een aantal tabellen en uitleg + een syntaxbundel van SQL
- Theorie RDBMS
- Wat zijn sleutels? Waarvoor worden ze gebruikt? Welke verschillende soorten sleutels zijn er? Illustreer met voorbeelden uit de gegeven tabellen van de SQL-vraag.
- Wat zijn transacties? Leg het nut uit, illustreer met een voorbeeld aan de hand van de gegeven tabellen uit de SQL-vraag
- Wat is zijn catalogustabellen? Kan je daar als SQL programmeur iets mee doen?
- Theorie van de andere gegevensbanken
- Gegeven een ERD, hoe zou je het omzetten naar een hiërarchische gegevensbank? Leg uit waarom je daarvoor kiest, welke de voor- en nadelen zijn.
- Gegeven hetzelfde ERD, hoe zou je dat omzetten naar een netwerkdatabank? Leg uit waarom je daarvoor kiest, vergelijk met de hiërarchische.
- In de mondelinge vraag ging het over sleutels, wordt dat bij ORDBMS en OODBMS hetzelfde toegepast? Indien niet, leg uit wat het verschil is. Geef de eventuele voor- en nadelen van deze aanpak.
Reeks 5A(19/01/10, Bertels 8u30)
- Je krijgt een voorbeeld van een 'CREATE TABLE' instructie. Verschillende dingen zoals foreign keys en constraints ontbreken. Bespreek en verbeter.
- Bespreek 'Referentiële integriteit'
- Leg uit en geef voordelen en nadelen van 'WITH or WITHOUT OIDS'.
- Cobol code van een hiërarchische databank , wa doet het programma ? + Leguit : GN en GNP.
- Hele ERD en tabel-beschrijvingen om de rest van de oefeningen op te lossen (website voor de scouts) :
- 3 Queries
- Voorbeeld van een SELECT-statement + wat het resultaat 'zou moeten zijn'. Bespreek of dit werkelijk zo is en verbeter indien nodig.
- Maak een view die alle leiders weergeeft en het aantal nieuwsberichten dat zij gepost hebben.
Vraag 1,2 en 4 mochten mondeling voorgelegd worden, naar andere oefeningen mocht gevraagd worden (mits eventuele puntenaftrek).
Januari 2009
SQL:
- 3 SELECT-queries schrijven adhv een relatieschema dat je in bijlage krijgt
- Een vraag waarbij je een DROP-querie moest schrijven
Mondeling:
- Wat is het nut van een transactie bij SQL?
- Als je kon kiezen tussen een subquery en een gecorreleerde subquery, wat zou je dan prefereren? En waarom?
- We hebben gezien dat we bij een relationele databanken m-op-n-relaties vereenvoudigen naar 1-op-n-relaties. Wat is het nut hiervan.
Theorie:
- ...
Een andere student kreeg dit op zijn examen:
- Schrijf vier SQL-queries; waaronder één trigger.
- Verklaar en geef een voorbeeld: dbms, oordb, etc.
- Uitleggen wat SQL-injection is en een oplossing hiervoorgeven.
Augustus 2009
- Een willekeurige query. Geef de uitkomst, verbeter en geef uitkomst van je verbetering.
- Leg uit: Cartesisch product, illustreer dit met voorbeeld en maak een inner join query. Leg in 4 stappen uit waar het Cartesisch product voorkomt.
- Wat is XML?
- Gegeven: enkele tabellen. Men vraagt om enkel SQL-queries te schrijven. De moeilijkheidsgraad van deze queries gaat van eenvoudig tot enorm moeilijk.
Samenvattingen
- Samenvatting adhv Joris Schelfaut, academiejaar 2009-2010
- Samenvatting Simon Cek en Niels Vermeiren januari 2015
- Formularium Thijs Hegge (12p., Januari 2015)
Financieel management (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
vanaf 2012-2013
Dit vak werd geschrapt en vervangen door IT en management
Algemeen
D. Van Overtveld
Het examen is een schriftelijk en gesloten boek examen waarvoor je 3u de tijd krijgt. In 2009 werd het examen verbeterd op 20 punten, maar was er ook een werkstuk waarin men een fictief bedrijfje met sportkoek/sportdrank moest oprichten en binnen twee jaar rendabel moest laten draaien. Dit werkstuk telde toen mee voor 8 van de 20 punten, best wel belangrijk dus om daar wat tijd en moeite in te steken ook al komt de hele opgave niet zo duidelijk over.
Vanaf het schooljaar 2009-2010, is deze taak individueel geworden en bestaat dit werk nog uit het opmaken van een financieel plan. De taak telt mee voor 5 van de 20 punten. In 2011 bestond de opdracht uit een case study of een financieel plan. Deze case study was een open boek probleemstelling waarbij jij de "klant" advies moest geven.
In schooljaar 2011-2012 moest je een financieel plan maken en dit stond op 5 punten van de 20. Je moest zorgen dat je 2 jaar lang break-even draait. Het loont de moeite om zelf over je boel na te denken, en geen internet tool te gebruiken die een miljoen cijfers teruggeeft waar ge de helft niet van verstaat...
Juni 2012
- Vraag 1:"STELLINGEN" van toepassing op de financiele analyse van de jaarrekening. Omcirkel een van beide resultaten of vul het juiste gegeven aan.
- De ratio-analyse heeft als vornaamste doel de financiele resultaten van een (bedrijfs)entiteit naar voren te schuiven/te brengen. JUIST/FOUT
- De ratio-analyse & is de enige vorm van analyse die kan gebruikt worden om rekeningen (accounts) te interpreteren. JUIST/FOUT
- De ratio-analyse is een methode die helpt om uit te maken of het bedruif als entiteit een going-concern-principe of going-concern-waarde hanteert. JUIST/FOUT.
- De horizontale en vertical analyse van balans en resultaat zijn werkwijzen over evolutie van cijfers, maar geen analyse-techniek. JUIST/FOUT
- Bruto Winstmarge van 70% HOOG/LAAG/TUSSENIN
- Netto Winstmarge van 3% HOOG/LAAG/TUSSENIN
- Omloopsnelheid van klanten gelijk aan 125 dagen: HOOG/LAAG/TUSSENIN
- (Cash-flow + rentekost)/...........= BRUTO RTV
- Omloopsnelheid van de voorraden=........... / voorraden
- Het hefboomeffect is (a), (b) of (c)
- a) Geeft het verband weer tussen rentabiliteit en schuldgraad
- b) Geeft het verband weer tussen liquiditeit en rentabiliteit
- c) Geeft het verband weer tussen schuldgraad en solvabiliteit
- Vraag 2: Geeft een omschrijving en en som de voornaamste onderwerpen die aan bod komen bij (a) Financieel management en (b) management accounting?
- Vraag 3: Welke mogelijkheden bestaan er in Belgie om een "Externe Financiering" te doen? Geef de grote lijnen weer.
- Vraag 4: Welke voordelen en nadelen bestaan er rondom "Factoring"?
- Vraag 5: Leg de volgende termen uit:
- Sale en Back lease
- Venture Capital
- Leveraged Leasing
- Bedrijfsresultaat
- Kostprijs verkochte goederen
Juni 2011
- a) Op welke manieren kan je interne financiering toepassen. [/3]
- b) Wat zijn de voor- en nadelen van factoring. [/4]
- c) Wat is het verschil tussen kapitaal- en personen vennootschap. Schrijf het voor de duidelijkheid in een tabel. Geef ook weer welke vennootschapsvorm bij kapitaal- of personen vennootschap horen. [/4]
- d) Welke steunmaatregelen zijn er voor opstartende ondernemingen. [/4]
- e) Vragen over ratio's (multiple choice en aanvullen). [/5]
- vul aan netto bedrijfswinst aanvullen
- hefboomformule aanvullen
- bruto winst marge of 70 % (Juist/fout/geen van beide)
- netto winst marge of 3 % (Juist/fout/geen van beide)
- Vraag ovver RBBK formule
- Vraag of OS = 42 (Juist/fout)
- Omloop snelheid handelvordering formule aanvullen
- Is bruto winstmarge is groter als netto winstmarge (juist/fout)
- ...
- ...
- f) Oefening op sale and lease back [/10]
Eerst moet je 50.000 euro op 5 jaar afschrijven 20% degressief afschrijven.
Daarna wordt het bedrag van 50.000 euro geherinvesteerd en op 7 jaar afgeschreven.
Bereken het fiscaal voordeel.
Gegevens :
Jaarlijkse rentevoet = 6%
belastingsvoet = 24.85%
Waardervermindering = 4% (aflezen in tabel)
Augustus 2010
- a) Verklaar uw mening (al dan niet akkoord) rondom volgende stelling: "Zich als zelfstandige vestigen gaat eenvoudig, snel en goedkoop, terwijl dat bij een venootschap dat traag, duur en ingewikkeld is.
b) Welke onderdelen zitten er in het business plan? Geef korte uitleg bij elk onderdeel - Bereken sale & leaseback. Hoeveel bedraagd de fiscale winst? De firma TRADI-PLUS kocht in 2005 een aantal bouwkranen voor 4 000 000 €. Deze werden lineair afgeschreven aan 20 %. In 2010 wordt de waarde nog geschat op 1 250 000 €. Men verkoopt deze kranen aan een leasingmaatschappij voor de geschatte waarde en men least/huurt deze terug over 5 jaren met een jaarlijks rentevoet van 6,5%. Na afloop van deze 5 jaren, zal men een wederbelegging doen van 1 250 000 € door 2 nieuwe generatie kranen aan te schaffen. Deze nieuwe kranen zal men afschrijven over 10 jaren (10% Lineair). De belastingsvoet bedraag 24,85%
- Vraag over berekening met NPV
- De firma X realiseerde voor 2009 de volgende omzetten/ maand (X) en een groep van vaste kosten en comissieloon voor haar vertegenwoordigers (Y). De firma wil de relatie kennen tussen beide (x en y) en stelt voor "de hoogste en laagste puntenmethode" toe te passen. Gevraagd: Bereken deze relatie.
maand x y
jan/09 4200 240
feb/09 4650 276
mrt/09 3050 200
apr/09 3600 227
mei/09 3840 231
jun/09 3910 240
jul/09 4500 269
aug/09 3960 245
sep/09 4210 251
okt/09 4260 256
nov/09 3700 220
dec/09 3890 230
Juni 2010
- Geef de verschillende vormen van Interne financiering.
- Geef de voordelen van factoring + uitleg.
- Op welke 2 manieren (of technieken) kunnen semi-variabele of gemengde kosten opgesplitst worden in vaste en variabele per éénheid.
- Oefening waarbij je waarden krijgt waarbij je degressief moet afschrijven, CF's bereken en NCW.
De firma "tradiplus BVBA" overweegt een vrachtwagen met opligger en kraan aan te schaffen bij de firma MAN uit Duitsland.
Ze stelt een minimaal rendement voorop van 12% op vijf jaar en gebruikt de NCW (netto constante waarde).
De investering bedraagd €140 000 en wordt degressief afgeschreven over 7 jaar.
Na 5 jaar kan ze de investering terug verkopen aan de firma MAN voor 40 000 €.
De geschatte inkomsten bedragen jaarlijks voor afschrijving en voor belastingen (24,85%) 25 000 €. - Oefening over break-even: Een chocoladerepenfabriek heeft drie repen in haar aanbod. Bereken break-even en maximale winst.
80% van de repen wordt verkocht aan €0.50 en 20% aan €0.54.
Reep A: heeft een max. productie van 130.000 repen per dag. De vaste kosten zijn €52.642. De variabele kostprijs per reep is €0.10.
Reep B: heeft een max. productie van 230.000 repen per dag. De vaste kosten zijn €78.647. De variabele kostprijs per reep is €0.11.
Reep C: heeft een max. productie van 200.000 repen per dag. De vaste kosten zijn €60.007. De variabele kostprijs per reep is €0.12.
Augustus 2009
- Factoring: leg uit aan de hand van een schema
- Is lease-and-sale back in elke situatie fiscaal voordelig? Leg uit.
- Geef de verschillende vormen van externe financiering
- Verklaar management accounting en financieel accountancy.
- ?
- Bereken NPV en IRR voor een gegeven situatie
- Bereken CF(CashFlow), Hefboomeffect, Brutowinstmarge en ?.
Juni 2009
Los kort op:
- Geef de nadelen van factoring
- Welke investeringsvormen zijn er?
- Waarom is operationele leasing niet wettelijk in België?
- Wat is het verschil tussen financieel management en management accounting?
- Welke manieren van interne financiering zijn er?
- Bereken NPV en IRR gegeven een aantal waarden.
- Resultaatrekening en balansrekening oefening
- Geef Cash Flow
- Brutowinstmarge
- Hefboom
- Acid Test (gebruikt op het examen een naam die hij slechts 1 of 2 keer gebruikt in de les)
IT & Management (old) (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Algemeen
Deze pagina bevat examenvragen van het vak IT&Management voor 2015? en is niet noodzakelijk gerelateerd aan het vak 2TX IT & Management Dit vak wordt gegeven door Paul Deckers
Het examen is volledig schriftelijk en bestaat uit drie delen (Cost accounting, project en procesmangement en duurzaam ondernemen)
Augustus 2013
Cost accounting
Vraag 1 Je kreeg een balans en je moest zeggen of deze onderneming zijn schulden kon betalen en wat je anders zou kunne doen als CEO indien dit niet het geval was
Vraag 2 Een oefening op break even analyse
Vraag 3 Een oefening op financiële algebra
Project en Procesmanagement
Vraag 1 Alles rond kwaliteit(wat is het, wie kijkt dit na? , waar te vinden in prince2, stelling dat hoge kwaliteit goed is en of het terug te vinden is in een business case)
Vraag 2 Termen uitleggen
- kritische pad
- pilootproject
- agile (in 4 woorden)
- 5 beheersaspecten van een project
- topatletensyndroom
Vraag 3 De 3 fasen bij change management en hoe te verhelpen
Duurzaam ondernemen
Je kreeg een tekstje over hoe dat ze pendelaars proberen te verhelpen
- Pas het 3P concept toe
- PAs dit in de 4de samenleving, zo ja welk aspect?
Juni 2013
Cost accounting
Vraag 1 Je kreeg een balans en je moest zeggen of deze onderneming zijn schulden kon betalen en wat je anders zou kunne doen als CEO indien dit niet het geval was
Vraag 2 Een oefening op break even analyse
Vraag 3 Een oefening op financiële algebra
Project en Procesmanagement
Vraag 1 5 kenmerken van een project
Vraag 2 Wat is een business case waar komt het voor binnen Prince2
Vraag 3 Een aantal termen uitleggen
Vraag 4 Tips tegen weerstand van het veranderingsproces
Duurzaam ondernemen
Vraag 1 Geef een definitie van duurzaam ondernemen
Vraag 2 Pas het 3P concept toe op Cradle to Cradle of Prison Complet
Internetprogrammeren (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2021-01-23). 38% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Algemeen
Doorheen het jaar werk je via een tutorial aan een eigen webproject met het Spring-framework.
Voor het schriftelijk gedeelte wordt gevraagd om een nieuwe functionaliteit toe te voegen aan een bestaande webapplicatie. Daarnaast krijg je een paar theorievragen. Het mondeling gedeelte bestaat uit het verdedigen van het project. Er wordt gepeild naar zowel de kennis over als het inzicht in de onderwerpen die aan bod gekomen zijn tijdens de lessen.
De Major behandelt vanzelfsprekend meer onderwerpen.
Examens
Juni 2020 (Corona)
Minor - W. Creuwels
PE
- Webapplicatie "Taskmanager"
- Java & Spring Framework
- 30% van eindcijfer
Examen
Door corona was het examen dit jaar een online assessmentgesprek via Microsoft Teams. Dertig min voor het examen kreeg je een mail met een story die je dan kon voorbereiden. Tijdens het examen moest je de story toelichten a.d.v. bestaande code in je PE project + enkele theorie vragen. Individuele stories:
- Toewijzen van tasks/subtasks aan personen
- Toewijzen van "tags" aan tasks/subtasks
Major - W. Fransen & T. Eversdijk
PE
- Webapplicatie "Dogs and cats" met API
- Elixir & Phoenix Framework
- 30% van eindcijfer
- Punten van project = 75% functionaliteit, 5% correct inleveren en 20% security & code design
Examen
Praktijk: de uitbereiding op het project was een uitbereiding op API keys. Een key heeft oftewel READ of WRITE permission. (boolean isWriteable) Theorie:
- Request lifecycle: schema + leg elk component uit
- JWT: is afkorting voor & waarvoor wordt dit gebruikt + wat is een andere implementatie + 3 componenten van JWT
- Plugs & Pipeline: wat is dit + hoe gebruikt je dit met i18n
- Webpack: 3 voordelen
Juni 2018
…
Juni 2014
Schriftelijk
- Gegeven: een model (jar-file) en enkele java bestanden (JSP pagina's van één entity, een contextlistener en de webxml).
- Gevraagd: enkele functionaliteiten te implementeren, voor sommige was dit delete, update of create. Meertaligheid functionaliteit toevoegen (met mogelijkheid om te switchen). Alles ook in express language zetten.
Mondeling
Eindversie van frameworkproject tonen en code uitleggen.
Juni 2013
Schriftelijk
- Gegeven: een model (jar-file) en enkele java-bestanden (enkele JSP-pagina's, een contextListener en de web-xml)
- Gevraagd: enkel functionaliteiten implementeren: overzicht tonen, nieuwe entiteit toevoegen, meertaligheid en mogelijkheid
om deze te kunnen veranderen.
- Bonuspunten voor mooie code (bv. Command-pattern en jstl)
Mondeling
Eindversie van frameworkproject tonen en een beetje code uitleggen
Juni 2011
Voorstellen van een groter eindwerk naar keuze. Keuze uit JSP, JSF, Flex. Een van je projecten van dagelijks werk moet je nu iets beter maken en crash-vrij. Indien je voor JSP of JSF kiest, moet je dit met Persistency doen. Als je voor Flex kiest, hoeft dit niet. (maar levert wel pluspunten op indien je dat doet).
SN-Netwerkbeheer - deel 1 (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
3 Juni 2014 voormiddag
Theorie
Het theoretisch examen is bijna exact hetzelfde als de voorbeeld examens die je kan maken per hoofdstuk op de netacad website. Slaag je erin om op deze voorbeeld examens 75%-80% gemiddeld te halen dan kan dit examen echt geen enkel probleem zijn.
Praktijk
Je gaat een netwerk moeten opzetten met 2 routers en 2 pc's. Op dit netwerk ga je multiarea OSPF moeten configureren.
- Stap 1: Deel met behulp van VLSM het ip 192.168.156.0/22 op in de correcte subnetten.
- Stap 2: Geef alle interfaces en computers hun ip en probeer te pingen.
- Stap 3: Activeer OSPF op de 2 routers zodat deze dynamische routes maken en probeer opnieuw te pingen.
- Stap 4: Creëer en default static route naar één van de loopback interfaces en zorg ervoor dat deze doorgegeven word door OSPF naar de andere router. Probeer opnieuw te pingen.
- Stap 5: Zet op één van de routers een http server op(deze code krijg je, geen zorgen). 1 van de pc's mag niet kunnen surfen naar deze http server. Zet hiervoor een extended ACL op en plaats hem op de juiste interface.
3 Juni 2014 Namiddag
Idem als hierboven maar EIGRP ipv OSPF ! & Named ACL
Juni 2012 - 2013
Tijdens het jaar door krijg je het eerste CCNA examen (CCNA1) voorbeeldvragen hiervan vind je overal op het internet terug. Ga niet uit dat de on-line examens hetzelfde gaan zijn als het examen dat jij krijgt. Cisco heeft meerdere examens dan degene die je on-line vindt. Als je de lessen niet snapt kan je altijd hulp vragen aan meneer Geens, die zal je met plezier helpen of doorverwijzen naar het machtige internet!
Zorg ervoor dat je op CCNA1 minstens 70% haalt of je mag je examen niet meedoen!
Het examen zelf bestaat uit een theoretisch gedeelte (40%) van CCNA2 examen (zie dat je de peer review op voorhand hebt ingevuld) en 60% praktijk. Praktijk examen bestaat vaak uit dat je een 3 router netwerk moet maken met 1 van de 3 protocollen en extra specificaties op deze protocollen moet uitvoeren (metric length, cost, delay, priority,...). Bij enige computer-problemen mag je altijd iemand van netwerkbeheer erbij halen want af en toe zit er wel eens een router in die gewoon vreemd doet of een switch die nog oude configuraties laadt. Daarom altijd eerst de startup-config erase en reloade!
Let er op dat je ook op het praktijkexamen minstens 70% haalt.
SO-Digitale beeldbewerking (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Juni 2012
Versie 1 (05/06/2012)
- Schriftelijk
- Bij het donkerder maken van een afbeelding, verschijnen er groene plekken. Waarom? Hoe kan je dit oplossen? (Je krijgt de code die dit probleem veroorzaakt)
- We willen een afbeelding blurren. Alleen krijg ik als resultaat een donkerdere afbeelding. Waarom? Hoe kan je dit oplossen? (Je krijgt wederom de code)
- 5 histogrammen en afbeeldingen, je moet het juiste histogram bij de juiste afbeelding plaatsen (meerdere afbeeldingen kunnen hetzelfde histogram hebben)
- 4 ja/nee vragen over transformaties
- Mondeling (= programmeren en uitleggen + tonen)
- Implementeer gaussiaanse blur (je krijgt de formule voor 1d gaussiaanse blur)(grayscale en RGB)
- Implementeer Contrast Stretching (grayscale en RGB)
- Implementeer een methode waardoor je een afbeelding lichter kan maken volgens het meegegeven histogram
Versie 2 (5/06/2012)
- Schriftelijk
- 5 Cumulatieve histogrammen linken met 5 afbeeldingen
- 2 gegevens programma's verbeteren.
- Mondeling
- Convolutie implementeren en Gaussiaans vervagen implementeren. (Formule werd gegeven)
- Contrast stretching voor 8-bit Grayscale, improved contrast streching voor 8-bit grayscale en contrast streching voor RGB afbeeldingen
- Puntoperatie waarvoor de formule moest afgeleid worden uit een grafiek.
Versie 3 (18/06/2012)
- Schriftelijk
- Fout zoeken bij contrast stretching.
- 6 histogrammen bij de juiste "afbeelding" zetten.
- Fout zoeken in code waarom bij het roteren van een afbeelding er puntjes komen in de uitkomst en een verkeerde draaihoek
- 4 vragen over contrast en dynamic range (waar/onwaar)
- Mondeling (= programmeren en uitleggen + tonen)
- Implementeer Gaussian Blur (8-bit afbeelding) en vervolgens controleren op randen, normaliseren en Fast Guassian Blur implementern (formule voor gauss1d is gegeven)
- Implementeer Transformatie (punt-operatie) met 3x3 matrix voor te draaien rond de linkerbovenhoek en het middelpunt (via before e.d.)
- Implementeer Chroma Keying (blauw i.p.v. groen) (HSV naar RGB is meegegeven)
Juni 2011
Reeks 3B (01/06/2011)
- Een LoG-filter is een combinatie van twee filters. Geef wat uitleg over dit filter en over beide basisfilters. (Schriftelijk: 3 punten)
- Leg uit wat contrastrek is. Wanneer kan er een probleem optreden? Geef de verbeterde versie. (Schriftelijk: 3 punten)
- Wat is een onscherp masker? (Schriftelijk: 2 punten)
- Programmeeropdracht: toon een cumulatief histogram van een grijswaardenafbeelding. (Mondeling: 5 punten)
- Programmeeropdracht: maak een 3x3 gewogen mediaanfilter. (Mondeling: 5 punten)
SO-Geavanceerde technieken voor webapplicaties (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Juni 2017
Mondeling
Demo project WebApp. Vragen:
- Waarom functie die ajax bevat oproepen in polling (timeout) en niet gwn de returnfunctie (getdata)?
- Wat is het return gedeelte bij een jquery ajax/post/get functie.
- Code uitleggen van friendlist (polling gedeelte) en status veranderen (zonder jquery ajax)
- 1 socket gebruikt bij het bloggedeelte?
Theorie vragen:
- polling vs push
- voordelen websocket
- states & status xhrhtmlObject
Praktijk Donderdag 8 Juni 2017 Voorraadkast inventaris. Producten hebben naam, aantal en rek. Geen dubbelen producten (op naam) Zowel producten toevoegen als het overzicht moeten op dezelfde pagina. Elke gebruiker moet asynchroon producten kunnen toevoegen en de producten die andere hebben toegevoegd zien verschijnen. Geen jquery of push gebruiken, enkel xhrhtmlobject en polling, moet json gebruiken in return. Mag in eigen project of een nieuw project gemaakt worden.
Vrijdag 9 Juni 2017 Lijst van studenten tonen: naam, vak, datum, uur (van examen) en studenten kunnen toevoegen. Allemaal zonder jquery of angular. Het moest met polling en json gebeuren. Alle functionaliteiten op 1 pagina tonen. Mag in eigen project of een nieuw project gemaakt worden.
Juni 2015
Mondeling:
Het project dat gemaakt moest worden gedurende het schooljaar wordt mondeling overlopen. (demo) Hierna worden enkele vragen over de code gesteld en enkele theorie vragen:
- synchroon vs asynchroon
- polling vs push
Praktijk:
Ze wou een inventaris van haar schoenenkast bijhouden. Een schoen bestaat uit een merk,kleur en een maat. Men moet schoenen kunnen toevoegen op asynchrone wijze. (form laten te voorschijn komen via document.CreateElement()) De webpagina is voor iedereen beschikbaar (dus moet niet inloggen) en moet up-to-date gehouden worden via Polling.
Juni 2012
Elke Steegmans
Nieuw project maken, (simpele) applicatie schrijven die gebruik maakt van pull en XML.
Mondeling:
- Enkele vragen over een JavaScript functie (login): elke stap hiervan beschrijven
- httprequest.onreadystate = getData => werkt dit met getData() wel of niet en waarom?
- Waarop controleert de httprequest.status == 200?
- Synchroon vs Asynchroon
- Leg meer over Push uit
- Leg wat meer over PULL uit
- Chatapplicatie demonstreren
- Push-applicatie (met Dojo/CometD) demonstreren
- Chatapplicatie met jQuery demonstreren
Nieuw project, Versie 1
4 steden tonen met hun temperatuur. Iedereen kan de temperatuur aanpassen en moet worden gewijzigd (pull) op elke andere browser.
Nieuw project, Versie 2
Krantenkop (met titel) kunnen toevoegen via form op een pagina met een overzicht van de krantenkoppen. Via pull moet deze lijst van krantenkoppen automatisch up-to-date blijven op elke andere browser.
Nieuw project, Versie 3
Blog met topics en reacties. Je moet geen extra topics kunnen toevoegen. Iedereen kan reacties toevoegen aan een topic en via pull moet deze lijst up-to-date blijven.
Nieuw project, Versie 4
Maak een pagina waar je 2 getallen kan ingeven. Wanneer er 2 getallen zijn ingegeven wordt de som van deze getallen berekend (aan de server kant) en op de pagina teruggeven. Alle uitkomsten worden bijgehouden en onder mekaar weergegeven. De nieuwste uitkomst komt in een andere kleur te staan zodat dit duidelijk is. Deze pagina kan door iedereen bekeken worden, zorg er voor dat anderen ook alle uitkomsten krijgen te zien wanneer ze op deze pagina komen en dat wanneer een nieuwe som wordt gemaakt deze ook direct voor hen te zien is. Maak gebruik van XML en POLLINg (GEEN push/Jquery)
Nieuw project, Versie 5
Maak een pagina waar je bestellingen kunt maken van ijsjes. Je hebt 3 smaken: vanille, mokka en chocolade. Als je de bestelling verandert, moet dit bij iedereen veranderen. Als je de bestelling wijzigt, moet de prijs worden getoond. De prijs wordt berekent als volgt: 1.5 euro per bol Chocolade of Mokka, en 1 euro per bol voor vanille. De prijs moet berekend worden aan de server side. Je moet XML en polling gebruiken.
Juni 2011
Reeks 2 Groep 3
Voeg deze functionaliteiten toe aan je webapplicatie:
- Vriendenlijst verdelen in categorieën.
- Aantal online vrienden per categorie weergeven.
Je moet ook één functionaliteit naar keuze volledig uitleggen.
Statistiek (old) (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-25). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Algemeen
Roby Roels
Geeft 7 lessen statistiek, heel erg enthousiast en aangenaam om les te volgen. Geeft een examen met twee vragen: een schriftelijke uit hoofdstuk 1 tot 3 en een mondelinge vraag uit hoofdstuk 4 tot 6. Tijdens het jaar wordt er aandacht besteed aan het uitwerken van de oefeningen door gebruik te maken van Excel. Op het examen is dit ook beschikbaar, je moet slechts aantonen welke functies je dan gebruikt hebt. Het mondeling verloopt heel relaxt, je krijgt nog een beetje hulp bij de schriftelijke vraag als het nodig is en hij geeft wat hints als je op het mondeling niet meer specifiek alles weet. Daarnaast zijn er ook nog 2 kleine bijvraagjes.
Augustus 2012
Reeks 2, Roels
Vraag 1
Printerfabrikant HashPee verkoopt printers, maar deze bevatten heel wat kalibratiefouten. Zo is het dat wanneer in Word een lijn van 25cm wordt afgedrukt, de afgedrukte lijn altijd groter of kleiner is dan 25cm. Je kan stellen dat de lengte van deze lijnen normaal verdeeld is met een gemiddelde van 24.85 en een variantie van 0.0289cm².
(a) Aangenomen dat 10% printers die de langste lijnen printen niet worden verkocht, wat is de maximale lengte van een lijn bij een printer die kan verkocht worden?
(b) Bij het lukraak kiezen van 9 printers uit de hele productie, wat is de kans dat er 3 of meer printers een lijn afdrukken met een lengte kleiner dan 24.65cm?
(c) Bij het lukraak kiezen van 9 printers uit de hele productie, wat is de kans dat de gemiddelde lijnlengte zich tussen 24.92 en 25.15cm bevindt?
Vraag 2
Een winkel heeft een heel aanbod MP3's. Een hippe opa vraagt zich af of ze ook MP3's hebben met een opslagcapaciteit van 120GB hebben.
De winkelier vindt er geen, maar is wel bereid een schatting te doen van de kostprijs. Hiervoor doet hij een onderzoek op 5 MP3-spelers, met een
opslagcapaciteit van respectievelijk 0.5, 1, 2, 8, 16GB en een kostprijs van respectievelijk 12, 14, 17, 171, 228€ (de kostprijzen zijn een benadering van de opgave).
(a) Bereken Pearsons correlatiecoëfficiënt.
- Wat toont deze correlatiecoëfficiënt aan?
- Wat kan je aan de hand van de uitkomst zeggen over deze correlatie?
(b) Bereken, indien nodig, de regressierechte.
(c) Bereken (schat) de prijs van een MP3-speler met een opslagcapaciteit van 120GB.
- Geef 1 reden waarom deze schatting betrouwbaar is, en de werkelijke prijs dicht zal benaderen.
- Geef 1 reden waarom deze schatting niet betrouwbaar kan zijn, en het resultaat dus sterk zal verschillen van de werkelijke prijs.
Januari 2012
Reeks 5, Roels
- Vraag 1
- Printerfabrikant HeerlijkPrinten (HP) produceert inktpatronen waarmee gemiddeld 3250 papieren kunnenbedrukt worden. Op de doos van het inktpatroon staat vermeld dat 80% van de inktpatronen minstens 3000 kunnen beschrijven. Waaraan is de variantie gelijk indien deze stelling klopt?
- Het formularium (8 blzs) zit niet bij de cursustekst en de lector besluit het dan maar zelf af te printen, dit voor alle 150 cursussen. Hij heeft nog een oude inkjetprinter en hij weet dat hij met 1 inktpatroon gemiddeld 1050 bladzijden afdrukt met een variantie van 120 bladzijden. Stel dat je lukraak 8 inktpatronen kiest hoe groot is dan de kans dat je met minstens 3 inktpatronen niet zou kunnen toekomen?
- Gegeven een tabel met webpagina's in kB en bezoektijd in seconden. Bereken de correlatiecoëfficiënt van Pearson.
- Wat duidt deze correlatiecoëfficiënt aan?
- Wat kunnen we besluiten uit de waarde van de coëfficiënt?
- Teken indien zinvol de regressierechte.
- Maak een schatting van de bezoektijd voor een bestand van xxxx kB groot.
- Geef minstens één goede reden waarom dit een accurate schatting zou kunnen zijn.
- Geef minstens één goede reden waarom dit geen accurate schatting zou kunnen zijn.
Januari 2011
Reeks 3A-B 21/01/11 13u00, Bertels)
- Vraag 1: 900 Linux en 50 windows PCs, van linux zijn er 0.1% defect en van windows 4%.
- Wat is de kans dat je achter een werkende linux pc zit?
- Wat is de kans dat je achter een werkende windows pc zit?
- Vraag 2: Gemiddelde temperaturen voor cpu's:
AMD Athlon 90C - 95C AMD Athlon64 65C - 70C AMD Athlon64 Mobile 95C - 100C AMD Athlon MP 90C - 95C AMD Athlon XP 85C - 90C
gevraagd: Valt de steekproef binnen de gemiddelde temperaturen die hierboven vermeld staan? Bereken dit met een betrouwbaarheidsinterval van 95% en 99%. De standaardafwijking van de sensor is 2 graden celcius.
14 elementen in de steekproef:
AMD Athlon 10 waarden AMD Athlon64 1 waarde AMD Athlon64 Mobile 1 waarde AMD Athlon MP 1 waarde AMD Athlon XP 1 waarde
Tip: Het heeft geen nut om cpu's met slechts 1 waarde te bekijken. Groepeer alles tesamen.
Januari 2010
Reeks 1A (12/01/10 08u30, Roels)
- Vraag 1 (Schriftelijk)
- Een website administrator wilt zijn site een beetje leven inpompen, en besluit om een spelletje toe te voegen aan zijn site. Hij schrijft een computerprogramma dat per reeks 10 keer een waarde gooit. De kans op een 1 is 15%, de kans op een 2 is 53% en de kans op een 3 is 32%. Bij de 2e reeks, wordt het lot overgelaten aan 3 dobbelstenen. Wanneer de som van de dobbelstenen kleiner of gelijk is aan 4, dan komt er de waarde 2 in de reeks, anders de waarde 3. Wanneer 3 maal voor rij 1 en rij 2 dezelfde waarde voorkomt, win je het spelletje, anders, verlies je.
Winnend voorbeeld:
- Een website administrator wilt zijn site een beetje leven inpompen, en besluit om een spelletje toe te voegen aan zijn site. Hij schrijft een computerprogramma dat per reeks 10 keer een waarde gooit. De kans op een 1 is 15%, de kans op een 2 is 53% en de kans op een 3 is 32%. Bij de 2e reeks, wordt het lot overgelaten aan 3 dobbelstenen. Wanneer de som van de dobbelstenen kleiner of gelijk is aan 4, dan komt er de waarde 2 in de reeks, anders de waarde 3. Wanneer 3 maal voor rij 1 en rij 2 dezelfde waarde voorkomt, win je het spelletje, anders, verlies je.
| # |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
| Reeks 1 |
2 |
2 |
1 |
3 |
2 |
3 |
1 |
3 |
2 |
1 |
| Reeks 2 |
2 |
3 |
2 |
3 |
3 |
2 |
3 |
3 |
3 |
2 |
- Bereken de kans dat op een plaats in de tabel, bijvoorbeeld de 7e, zowel de eerste als de tweede reeks hetzelfde getal heeft.
- Wat is de kans om dit spelletje te winnen?
- Vraag 2 (schriftelijk)
- Printerfabrikant HashPee maakt printers. Volgens een onderzoek is er een afwijking in de lengte van de printlijn. Deze zou 25cm moeten zijn, maar blijkbaar is daar een lichte afwijking. De variantie is 0,0297 cm². Het gemiddelde muX is onbekend. Na 5 testprintjes zijn de resultaten (5 getallen rond de 25, bv:) 24,96 & 25,71 & 24,33 & 24,67 & 25,48
- Bereken het 99% betrouwbaarheidsinterval met het ongekende populatiegemiddelde. Tussenstappen zijn gevraagd, dus niet enkel excel functie en uitkomst.
- De CEO van HashPee beweert dat meer dan de helft van de geprinte papieren boven de grens van 24,5cm liggen, is dit waar? Verklaar je antwoord kort.
- Hoeveel testen moet men doen om voor een betrouwbaarheidsinterval van 99% met een maximale breedte van 0,25cm over te blijven.
- Printerfabrikant HashPee maakt printers. Volgens een onderzoek is er een afwijking in de lengte van de printlijn. Deze zou 25cm moeten zijn, maar blijkbaar is daar een lichte afwijking. De variantie is 0,0297 cm². Het gemiddelde muX is onbekend. Na 5 testprintjes zijn de resultaten (5 getallen rond de 25, bv:) 24,96 & 25,71 & 24,33 & 24,67 & 25,48
Reeks 1B (12/01/10 13u, Roels)
- Vraag 1 (Schriftelijk)
- Een fabrikant van inktpatronen. Het aantal bladzijden dat je met één patroon kan afdrukken is normaal verdeeld met het gemiddelde gelijk aan 3500.
De kans dat je meer dan 3250 bladzijden kan afdrukken bedraagt 80%. Bereken de variantie. - In de cursus statistiek ontbreekt het formularium van 8 blz. Het aantal pagina's die een inktpatroon kan afdrukken is normaalverdeeld met een gemiddelde van ? en een standaarddeviatie van ? (Sorry, ik weet de getalletjes niet meer). De docent wil dit zelf afdrukken, dit zijn 140 exemplaren. Hij wil dit doen met maximaal 1 inktpatroon. Stel dat je 8 inktpatronen nakijkt, wat is de kans dat minstens 3 falen om alles af te drukken?
- Een fabrikant van inktpatronen. Het aantal bladzijden dat je met één patroon kan afdrukken is normaal verdeeld met het gemiddelde gelijk aan 3500.
- Vraag 2 (Mondeling): Gegeven is een tabelletje van 5 metingen. Het gaat over bestandscompressie, het aantal kB voor en na compressie.
- Bereken de correlatiecoëfficiënt.
- Wat kan je hiermee aantonen?
- Verklaar of er een zinvol verband is. Wees volledig.
- Als er een zinvol bestand is, bereken de regressierechte.
- Doe aan de hand van de regressierechte een voorspelling voor een bestand met begingrootte van 540kB.
- Geef minstens 1 reden waarom dit een zinvolle voorspelling is.
- Geef minstens 1 reden waarom dit geen zinvolle voorspelling is.
- Leg uit hoe je met de relatiecoëfficiënt kunt aantonen of er een exponentieel verband is.
- Bijvragen
- Welke waarden kan de relatiecoëfficiënt aannemen? Welke waarden geven aan dat er een correlatie is?
- Wat als de relatiecoëfficiënt 0 is of in de buurt van 0 ligt?
- Bereken de correlatiecoëfficiënt.
Reeks 5A (Januari 2010 - Bertels)
- Een dag voor het examen statistiek begeeft de voeding van je computer het (en die van een klasgenoot). Geen nood want jij gooit nooit iets weg en hebt dus nog 6 voedingen in de kast liggen. Van die 6 zijn er 2 defect.
- Wat is de kans dat je lukraak 2 niet defecte voedingen uit neemt?
- Wat is de kans dat als je lukraak 2 voedingen neemt waarvan 1 defect is?
- Je krijgt een Excel document met daarin verschillende CPU's (met hun aantal MHz) en een benchmark resultaat:
- Is er een verband tussen de benchmark en het aantal MHz? Leg dit verband uit
- Welke waardes heb je gekozen voor X en welke voor Y en waarom (hoe kom je daarbij)?
- Zijn er manieren om deze steekproef te verbeteren?
- Dan nog iets met een formule maar dat ben ik vergeten.
Het modelinge examen is een korte bespreking van het hele examen. Bertels zal aanduiden wat er nog mankeert waardoor je dit nog kan aanvullen. Echt diep op in gaan die hij niet (althans toch niet bij mij). Het enige extra dat ik moest uitleggen was wat het resultaat van de correlatie juist betekende (hoe je dit dus moest interpreteren).
Wiskunde 3 (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2017
STATISTIEK (vak hervormd)
3 Grote vragen:
1) oefening met kansberekening.
2) oefening met hypothesetoets. (H6)
3) oefening met samenhang tussen variabelen. (H7)
Januari 2016
Deel 1: Algoritmitiek (Phillipaerts)
1a) Benoem volgende bomen (binaire zoekboom, complete binaire boom, binaire min-heap, binaire max-heap)
1b) Geef alle interne nodes van eerste boom
1c) Geef alle ? van tweede boom (Vergeten wat het was)
1d) Geef de volgorde wanneer boom C als array
1e) Geef de volgorde van afprinten adv de post-order
2a) wat doet volgende code :
public static void mysteryR(int count){
LinkedList<String> ll = new LinkedList<String>();
ll.addLast("0");
ll.addLast("1");
while (ll.size() > 0){
String r = ll.removeFirst();
if (r.length() == count){
System.out.println(r);
}else{
ll.addLast(r + "0");
ll.addLast(r + "1");
}
}
}
2b) Schrijf de recursieve vorm van voorgaande functie. Je mag hulpmethodes gebruiken maar enkel lokale variabelen; geen klassevariabelen dus.
public static void mysteryR2(int count) {
mysteryR2(count, "0", "1");
}
public static void mysteryR2(int count, String r1, String r2){
if(r1.length() == count){
System.out.println(r1);
System.out.println(r2);
}else{
mysteryR2(count, r1 + "0", r1 + "1");
mysteryR2(count, r2 + "0", r2 + "1");
}
}
Leuk voor de oplossing maar dit is beter
public static void mysteryRecuvie(int count){
mystery(Math.abs(count),"");
}
private static void mystery(int count, String str){
if(str.length() == count)
System.out.println(str);
else
{
mystery(count, str + "0");
mystery(count, str + "1");
}
}
3a) Een of andere prof bewees in 1950 dat elke graaf van grote n waarbij elke knoop minstens n verbindingen had automatisch een hamiltoniaans pad heeft. Gegeven:
public boolean isZoEenSoortGraaf(boolean[][] graph){
for(.........................................)
int degree = 0;
for(.............................................)
if(.........................)
degree++;
if(......)
return false;
return true;
}
vervolledig bovenstaande code
3b) Wat kan je doen om bij bovenstaande code minder iteraties te hebben? Je hoeft geen code te schrijven maar wel uit te leggen.
Deel 2: Statistiek
1) Gegeven een gemiddelde en een variantie.
1a) Geef een 90%-betrouwbaarheidsinterval.
2b) onder welk getal vallen de 8% kleinste gegevens.
3b) vergeten
4b) vergeten
2) Gegeven een tabel met processoren, hun klokfrequentie en hun ranking
2a) Is er een aannemelijk lineair verband?
2b) Indien wel; geef de correlatie weer
3b) Wat gebeurt er in het geval van een uitschieter? Wat geeft dit voor onze tabel?
4b) Welke problemen zie je opduiken in deze tabel? Wat kan er beter?
Augustus 2015
Deel 1 : Statistiek (Wim Bertels)
1a) In een doos zitten er 10 cd'r. Wat is de kans dat alle 10 voorbij 1000 uren gaan als je weet dat de gemiddelde levensduur 1200 is en variantie = 10000.
STAND.NORM.VERD((1000-1200)/100)) = 0.02275 => P(Z>1000) = 1-0.02275 = 0.97725 => P(alle 10) = 0.97725^10 = 0.7944
1b) Stel dat de gemiddelde levensduur niet gegeven is. Wat is de gemiddelde levensduur van een cd'r als je weet dat 7% van de cd'r kapot gaan voor 1000 uren?
(1000-µ)/100 = STAND.NORM.INV(0.07) => (1000-µ)/100 = -1.47579 => µ = 1147.579
2) Vraag over lineairverband/regressierechte
Deel 2 : Ausseloos
1) Recursieve preorder schrijven voor een CompleteIntTree (nodes worden in een array gestoken).
public class CompleteIntTree{
private int[] array;
private int size;
public CompleteIntTree(int capacity){
array = new int[capacity];
size = 0;
}
// Andere methoden die garanderen dat de boom compleet blijft.
public void printPreorder(){
printPreorder(0);
}
public void printPreorder(int index){
if(index>=size) return;
System.out.print(array[index]);
printPreorder(2*index+1);
printPreorder(2*index+2);
}
}
2) Schrijf een iteratieve getMaxDepth() methode. ZOEK DE FOUT:
public int getMaxDepth(){
Queue<BinaryNode<E>> queue = new LinkedList<BinaryNode<E>>();
queue.add(root);
int diepte = 0;
while(!queue.isEmpty()){
diepte++;
for(int i=0; i<queue.size(); i++){
BinaryNode<E> node = queue.poll();
if(node.left!=null) queue.add(node.left);
if(node.right!=null) queue.add(node.right());
}
}return diepte;
}
JUIST:
public int getMaxDepthItt(){
Queue<BinaryNode> queue = new LinkedList<>();
queue.add(root);
BinaryNode node;
int depth=0;
while(!queue.isEmpty()){
depth++;
int nodes = queue.size();
for(int i=0;i<nodes;i++){
node = queue.poll();
if(node.left !=null)queue.add(node.left);
if(node.right !=null)queue.add(node.right);
}
}
return depth;
}
3) Schrijf een recursieve countBetween(double a, double b) methode in een BST.
Januari 2015
Deel 1 : Statistiek (Wim Bertels)
1) Arne en Bob gaan soms samen naar school, de kans dat Arne te laat is, is 0,25. De kans dat Bob te laat is, is 0,20. De kans dat Arne te laat is als Bob te laat is, is 0,70.
a) Kans dat ze beiden te laat zijn.
b) Kans dat alleen Arne te laat is.
c) Kans dat ze beiden OP TIJD zijn.
d) Wat is de kans dat bij zeven willekeurige dagen, Arne net één dag te laat is.
2) Wat houdt een Pearsoncoëfficient van -1 juist in? Omschrijf dit duidelijk.
3) een winkel houdt statistieken bij van de winkelwagens. Er is een ongekend gemiddelde en een standaardafwijking van 64 €. je hebt 12 winkelwagens en een berekend gemiddelde van 81. (de exacte getallen van de opgave weet ik niet meer.)
a) je moet een 94% betrouwbaarheidsinterval berekenen hiervoor.
b) wat zegt dit interval over je winkelwagens?
c) Bereken de betrouwbaarheid bij een breedte van 50 euro. --
Deel 2 : Mario Ausseloos
1) Schrijf de recursieve functie voor countPos() in een BST. Bedoeling is een recursieve functie te schrijven die telt hoeveel positieve getallen er in deze BST zijn.
2) Schrijf de iteratieve functie lookup(E target) in een pointer implementatie van een BST.
3) Gegeven code: HamiltonianCycleBacktracking, vul 4 lijnen code aan.
Januari 2014
Deel 1 Statistiek (Wim Bertels)
De eerste vraag varieerde licht tussen verschillende versies van het examen.
1. Men verkoopt meiklokjes waarvan 9/10 uitkomen, 1/10 niet. De bollen worden willekeurig verpakt in dozen van 10 verpakt en de firma garandeert dat er in elke doos minstens 9 bollen zitten die uitkomen.
A) Hoe groot is de kans dat je een doos koopt waarin er 2 of meerdere bollen zitten die niet uitkomen? (Dus: hoe groot is de kans dat aan de eigenschap niet wordt voldaan) (Zie oefening 13 pag 72)
X = aantal bollen dat niet uitkomt
p = 0.1
q = 0.9
n = 10
Binomiale verdeling opstellen en uitrekenen P(X>=2)= 26.39%
B) Een winkelier koopt bij de groothandelaar 100 dozen van deze bollen. Wat is de kans dat precies 3 van deze dozen de gegarandeerde eigenschap niet hebben?
X = aantal dozen die niet voldoen aan de eigenschap
p = 0.2639
q = 0.7361
n = 100
P(X=3) = 3.6804 * 10^-10
2. Vraag over criminaliteitsratio's. Er moesten betrouwbaarheidsintervallen worden berekend waar 99% en 99.5% van de gevallen binnen lagen. Gegeven was een tabel met ratio's van 18 steden en de populatievariantie. Daarna volgde er nog 2 kleine theorievragen (in de aard van: waarom een steekproef onbetrouwbaar is en hoe men de variantie kan berekenen.) Daarna volgde er nog een vraag met juist/fout opgaves (geen verklaring nodig, het juiste moest omcirkeld worden.)
Deel 2 Mario Ausseloos
1. Een boom werd gegeven en moest doorlopen worden via postorder, we moesten de volgorde opschrijven. Er moest aangeduid kunnen worden of die boom een binaire boom was (of niet), met verklaring. Tot slot moest er ook nog aangeduid worden of die boom een AVL boom was (of niet), met verklaring erbij.
Post-order = Eerst linker sub-boom doorlopen, dan rechter sub-boom doorlopen, dan waarde printen.
Binaire boom = Max. 2 kinderen per node, linkerkind heeft altijd een kleinere waarde, rechterkind altijd een grotere
AVL boom = Binaire boom waarbij het verschil in diepte voor elke node niet groter is dan 1
2. Recursieve methode om in een binaire boom het maximum te vinden (getMax())
public int getMax()
{
if(root == null) return Integer.MIN_VALUE;
return getMax(root);
}
private int getMax(BinaryNode node)
{
if(node.getRight() == null) return node.getData();
return getMax(node.getRight());
}
3. Iteratieve methode om in een Binary Min Heap het maximum te vinden. De array van de min heap mocht niet volledig worden overlopen.
Opgelet: De laatste waarde van een Binaire Min Heap is niet altijd de grootste waarde! Oplossing is enkel de 2e helft van de boom na te kijken, aangezien nodes in de 1e helft van de boom kinderen hebben en dus nooit de max. kunnen zijn.
public E getMax() {
if(size == 0) return null;
int max = 0;
// We checken enkel de 2e helft van de boom
// Nodes in de 1e helft van de boom hebben kinderen en kunnen dus
// onmogelijk de max. zijn.
for(int i = (int) Math.ceil(size / 2); i < size; i++) {
if(heap[i].compareTo(heap[max]) > 0) {
max = i;
}
}
return heap[max];
}
4. Schrijf de isValid()-methode voor HamiltonionCycleFinderBruteforce
private boolean isValid(boolean[][] graph, int[] cycle){
int[] sortedCycle = cycle.clone();
Arrays.sort(sortedCycle);
for(int j = 0; j < cycle.length - 1; j++){
if(sortedCycle[j] == sortedCycle[j+1]){
return false;
}
}
for(int i = 0; i < cycle.length-1; i++){
if(!graph[cycle[i]][cycle[i+1]]){
return false;
}
}
if(!graph[cycle[cycle.length-1]][cycle[0]]){
return false;
}
return true;
}
5. Gegevens was wat code, controleer of de code werkt en zoja, leg uit waarom, en zonee, verklaar waar de bugs zich bevindt. (Was de printCodes()-methode van HuffmanTree.)
Correcte versie:
private void printCodes(HuffmanTreeNode node, ArrayList<Integer> code) {
if(node.left == null && node.right == null) {
System.out.println(Arrays.toString(code));
return;
}
if(node.left != null) {
code.add(0);
printCodes(node.left, code);
code.remove(new Integer(0));
}
if(node.right != null) {
code.add(1);
printCodes(node.right, code);
code.remove(new Integer(1));
}
}
We gebruiker new Integer(...) bij het verwijderen van de code omdat we het Integer object 0 of 1 willen verwijderen, niet de index.
Wiskunde voor informatici - deel 2 (2TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-20). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Algemeen
J. Van Hee
Geeft dus het stuk Wiskunde. Bij hem kan je ook een werkstukje maken over landschappen, dan hoef je geen examen te doen. Normaal zijn het 2 vragen op het examen en een beetje mondeling.
Het is beter dat je het werkje maakt, je kan gebruik maken van alles wat je vindt op het net en kan veel punten verdienen.
Januari 2013 (G. Jonge)
Geen scilab, geen rekenmachine, enkel pen en papier
- 1. Bereken de determinant (4x4 matrix)
- 2. Maak de samengestelde matrix van
- Een spiegeling over de X-as
- Een schaalvergroting van factor 5 voor X en voor factor 3 voor Y
- 3. Simplex methode - Minimaliseer (niet-standaard vorm)
- Maak het starttabel
- Welke pivot kies je als eerst en waarom?
- Pivoteer naar volgende tabel
- Welke pivot kies je nu en waarom?
- Hier is de eindtabel, wat kan je hiervan aflezen
- 4. Je kreeg 3 tabellen, een starttabel, een eindtabel en een P-tabel voor het algoritme van Floyd
- Kan je van 2->6, zoja hoe en hoeveel stappen?
- Kan je van 6->2, zoja hoe en hoeveel stappen
- 5. Gaus-methode
- Werk volledig uit en dan een probleemstelling
Januari 2012 (J. Van Hee)
Alles in scilab programmeren, oefening klaar dan komt hij die met u overlopen
1.Simplexmethode
-Schrijf de pivoteer functie -Gebruik deze om een minimalisatieprobleem op te lossen (waren 4 vgl en 3 onbekenden => 5x9 matrix (niet-standaardmethode => Omvormen naar M = -m (dus eerst vermenigvuldigen met -1 en teken omdraaien) -Begintableau en eindtableau geven -Alle variabelen geven (die verschillende soorten)
2.Determinanten
-Schrijf het algoritme van Laplace uit -Gebruik om deze om de determinant van een 5x5 matrix te berekenen -Van welke O is dit? (O(n!), waarom: recursief werken tot ge uitkomt bij een 1x1 matrix (Hij vroeg: Als mijn programma er 1sec over doet om een 10x10 determinant te berekenen, hoe lang doet hij er dan over om een 11x11 te berekenen => *11)
3.Floyd
-Schrijf zowel het kortstepad algoritme als het toonweg algoritme -Gebruik deze om van een netwerk (9 knooppunten) de kotste paden te vinden. (9*9 = 81 elementen, dus oppassen dat ge er geen verkeerd intypt :( ) -Wat is het langste pad (dus het langste korte pad) = grootste element uit die ene matrix -Gebruik de toonpad methode om dit pad te reconstrueren (Je moet dat ook kunnen uitleggen adhv dat voorbeeld, dus daarvoor moet je in die pointermatrix van A naar B gaan)
Januari 2012 (M. Ausseloos)
Schriftelijk:
- Vragen i.v.m. transformatiematrices
- Je krijgt de transformatie matrix en je moet zeggen wat die doet.
- Je moet de transformatie matrix geven voor een draaing rond de oorsprong van 60° in wijzerzin, de elementen moeten in breuken of gehele getallen staan (dus je moet weten wat de cos(60°) enzo zijn.)
- Geef het bewijs dat iedere matrix maar 1 unieke inverse heeft.
- Een boer wil kippen en konijnen kweken. Hij wilt maximaal 16 dieren. Hij wilt maximaal 10 kippen. Hij heeft een totaal budget van 180 euro, de winst per kip is 10 en per konijn 20 euro. De kosten per kip zijn 5 en per konijn 15 euro.
- Gebruik de simplex methode om de maximale winst te berekenen en het aantal kippen / konijnen dat hij daarvoor moet kweken.
- Welke variabele geeft aan hoeveel hij nog over heeft van zijn budget?
- Je kreeg een stelsel.
- Bereken de (P)LU van de coëfficientenmatrix.
- Bereken zo efficient mogelijk de determinant van die coëfficientenmatrix.
- Gebruik Cramer om het stelsel op te lossen.
- Je krijgt een gerichte en gewogen graaf.
- Gebruik het algoritme van Dijkstra om het kortste pad vanaf punt G naar elk ander punt te bepalen.
- Maak een lijst van elk punt, het pad dat hij aflegd en het gewicht vanuit punt G naar dat punt.
Mondeling (ging heel snel):
- Waaraan moeten twee matrices aan voldoen om ze te vermenigvuldigen? (kolommen A = rijen B)
- 2 vrienden berekenen allebei een matrix, de ene doet A*B en de ander doet B*A, ze komen een verschillend resultaat uit, hebben ze een fout gemaakt?
- Ze berekenen nu elk de determinant van hun uitgekomen matrix, de determinant verschilt, hebben ze een fout gemaakt?
- Je wil 3 transformaties uitoefenen op een punt, hoe ga je tewerk? Hoe noemt het resultaat?
- Je krijgt een verbindingsmatrix en je moet zeggen of die graaf gericht is of niet (veel enen en nullen).
Januari 2012 (M. Ausseloos)
1. Vraag i.v.m. transformatiematrices. Je krijgt de punten/ coördinaten van een L-vormige figuur. A. Schrijf een transformatiematrix die 2 transformaties in eens kan uitvoeren. Je moet de figuur draaien over een hoek van 90 graden, tegen de wijzers in. Vervolgens spiegelen over de Y-as. B. Teken nu je resultaat en je oorspronkelijke figuur in een assenstelsel.
2. Bewijs dat det(A ^ -1) = 1 / det(A) + geef hierbij de nodige uitleg.
Je begint met het feit dat een matrix A maal zijn inverse gelijk is aan eenheidsmatrix (I).
A * A^-1 = I Je neemt van beide delen de determinant. det('A * A^-1) = det(I) De determinant van een eenheidsmatrix = 1, aangezien dit een driehoeksmatrix is met op de hoofddiagonaal allemaal 1-en (en de determinant van een driehoeksmatrix is het product van de getallen op de hoofddiagonaal). Je weet ook volgens een geziene formule dat det(A * B) = det(A) * det(B). Hieruit haal je dus: det(A) * det (A^-1) = 1 Nu nog het juiste lid van plaats verwisselen en je bekomt: det(A ^ -1) = 1 / det(A)
3. PLU-factorisatie. Een toepassing zoals reeds gezien in verschillende labo's en lessen.
4. Je krijgt een matrix. Bereken hiervan de determinant + leg hoe je tot deze rekeningen komt, stap voor stap. Telkens dus ontwikkelen naar de meest 'makkelijke' rij ... Een toepassing zoals reeds gezien in verschillende labo's en lessen.
5. Bereken het kortste pad in het netwerk volgens algoritme van Dijkstra. Een toepassing zoals reeds gezien in verschillende labo's en lessen.
Januari 2011 (Jan Smans)
1.
1 je krijgt een figuur op papier 2 teken deze figuur in scilab (hiervoor moet je gewoon plot2d gebruiken en een matrix ingeven) 3 draai deze over een hoek van 110° (in wijzerzin) = T1 4 spiegel deze over de eerste bissectrice = T2 5 vergroot de figuur met een vergroting van 3 op de x-as en 2 op de y-as = T3 6 maak Ts: de 3 bovenstaande transformatiematrixen samenvoegen dus
2.
1 Schrijf een functie in scilab om te pivoteren over een bepaalde rij: pivoteer(M,rij,kolom) 2 Een maximumprobleem: Los deze op met behulp van de functie pivoteer(M,rij,kolom) die je net geschreven hebt
Mondeling:
Als je klaar bent met een oefening komt de leerkracht tot bij u. Hij stelt een paar vraagjes over de oefeningen zoals bijvoorbeeld bij oefening 1.3 moet je sin en cos gebruiken, hij vraagt hoe je hieraan komt... Idem voor oefening 2.
September 2010
Herexamen (mondeling uitleggen):
1. Floyd in scilab.
2. Simplex met maximumprobleem: pivotfunctie in scilab en daarmee eindtableau en resultaat vinden
Januari 2010
Door omstandigheden is het een volledig schriftelijk examen geworden deze keer, met 3 ipv 2 vragen.
Reeks 1B (07/01/10 8u30, Van Hee)
- Transformatiegedoe
Gegeven een aantal willekeurige punten, willen we die eerst spiegelen volgens de eerste bissectrice (y=x, hoek van 45°), de punten die we dan bekomen zullen we roteren onder een hoek van 72° in uurwerkzin en dan nog een schaalverandering toepassen van 3 eenheden op de x-as en 4 eenheden op de y-as.
Geef de samengestelde matrix om die transformaties in één stap uit te voeren. - Kortste Pad (Gegeven is een gemengde, gewogen graaf)
- Schrijf in scilab de methode floyd om de afstandmatrix en de P-matrix te berekenen. Schrijf ook de methode toonpad die het pad uitschrijft.
- Geef de kortste pad matrix en de P-matrix
- Welk pad heeft de langste afstand? Leg uit hoe je daar aan komt.
- Wat is het pad van deze maximale lengte? Leg uit hoe ge daar aan komt.
- Simplexmethode
- Schrijf in scilab de pivoteermethode en schrijf de code over.
- Gebruik nu deze code om volgend minimalisatieprobleem op te lossen:
- Gegeven een hoop vgl. en een minimalisatievgl. Geef het eerste tableau en vertel hoe je daartoe gekomen bent.
- Leg uit hoe je het eerste pivogetal bepaalt.
- Geef het eindtableau en geef aan welke waarden alle basisvariabelen en alle spelingsvariabelen hebben gekregen. Wat is het minimale punt?
- Controleer deze uitkomsten en toon aan dat het klopt.
Januari 2009
- Leg uitgebreid uit wat een random landschap is
- Geef de voordelen van één van deze methodes
- Geef de nadelen van één van deze methodes
- een oefening op simplexmethode ( algoritme maken + gebruiken in oefening )
Toegepaste informatica – fase 3
BIS-EIM (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Dit vak wordt gegeven door Griet Barrezeele en hier zie je allerlei zaken rond content management systemen Je moet voor dit vak twee projecten maken doorheen het jaar en deze staan op 30% van de punten, het examen zelf staat op 70%.
Augustus 2014
- Een BPM case over festival en zijn medewerkers
- ECM
- Wat is het?
- welke drie business drivers vind je belangrijk?
- Stappen van de aanwerving van een ECM en drie valkuilen
- De architectuur van een ECM bespreken
- Documentmanagement - Recordsmanagement - Information Retrieval
- Wat zijn documenttypes , voorbeeld uit vraag 1 geven en kan dit in Sharepoint en waarom
- Wat zijn metadata / nut van metadata?
- wat is het verband met dossier/ versiebeheer, check in check out?
- Wat is document life cycle , uitleggen mbv een figuur?
- Verschil tussen document en recordmanagement?
- Workflow Management: eerst algemeen uitleggen wat het is en daarna nog enkele vragen.
- Componenten van een WFMC en zijn interfaces
- drie business drivers?
- Waar ja rekening moet mee houden bij het aanschaffen van een WFM?
- Collaboration
- Wat is het?
- nut uitleggen waarom in dit opleidingsonderdeel
- 5 tools opnoemen die je belangrijk vind
- past social media in dit verhaal , waarom
Januari 2014
- Een BPM case over een kerstman
- ECM
- Wat is het?
- welk domein vind je belangrijk?
- geef 3 business drivers
- Documentmanagement - Recordsmanagement - Information Retrieval
- hoe dat je contenttypes definieert in Sharepoint
- kan dat ook in alfresco of filenet?
- wat is het verband met dossier/ versiebeheer, check in check out?
- Wat is het nut van recordsmanagement & buisness drivers?
- De begrippen thesaurus , taxonomy en objectgericht informatiebeheer?
- Workflow Management: eerst algemeen uitleggen wat het is en daarna nog enkele vragen.
- Wat is het verschil tussen process-centric en document-centric + aanduiden welk van de twee een gegeven workflow is.
- Wat is het verschil tussen parallel, serieel en conditional?
- Waar zou je in een gegeven workflow een tijdsbeperking plaatsen en waarom?
- Wat bedoelen ze met swimlanesmodel? wat is het nut?
- Hoe zou je bij een gegeven workflow taken toekennen?
- Wat zijn 3 voordelen van workflow management?
- Hoe zou je een bestaande workflow nog kunnen verbeteren om klantentevredenheid te verhogen?
- Collaboration
- Wat is het?
- nut uitleggen waarom in dit opleidingsonderdeel
Capita selecta (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Algemeen
In het vak Capita Selecta komt er elke week een spreker vanuit zijn professionele ervaringen een presentatie geven over een bepaald onderwerp. Daarnaast zijn er ook twee bedrijfsbezoeken (op dezelfde moment als dat het vak gegeven wordt). Zowel de presentaties als de bedrijfsbezoeken zijn verplicht maar wegens dat er op school niet gecontroleerd mag worden (toch niet bij IT) op aanwezigheid kan je wel afwezig zijn indien je dit wenst.
Na elke presentatie moet je een evaluatieformulier invullen
Bij dit vak staat er 100% op het examen, dat volledig schriftelijk verloopt.
Dit verandert vanaf academiejaar 2013-2014: Dan moeten de studenten zelf seminaries organiseren in projectgroepen de PE staat op 70% en het examen op 30%
Examenvragen
18 Januari 2016
Deze 6 vragen komen letterlijk uit de vragenlijst van de seminarie's:
- Welke zijn de voordelen van cloud t.o.v. ‘on premise’? Wat bleek tijdens
het seminarie echter nog niet zo goed geregeld te zijn in de meeste standaard contracten?
- Wat zijn de meest voorkomende valkuilen data-security? Geef er drie.
- Leg uit: Hypervisor?
- Wat is het verschil tussen Paas en Iaas?
- Hoe ziet de projectorganisatie bij Kañooh eruit (rolverdeling)?
- Leg uit: Perceptron?
Mondeling
Januari 2015
Mondeling
Gewoon een beetje spreken over je zelfgeorganiseerde seminarie(wie wat deed) , en bevindingen rond het vak
Schriftelijk
Termen die tijdens de seminaries voorkwamen uitleggen.
15 Januari 2014 namiddag
Mondeling
Gewoon een beetje spreken over je zelfgeorganiseerde seminarie(wie wat deed) , en bevindingen rond het vak
Schriftelijk
- Hoofdvraag
4 soorten van BYOD en uitleggen + in welke bedrijven?
- Termen
- idempotency - coldset vs headset printen
Januari 2013
Opnames
Examens
Het examen bestond uit veel multiple-choice vragen en "drie" open vragen die werden gesteld als één openvraag. De eerste open-vraag was van CapGemini & het Ipod-model en deze toe te passen op de geziene seminaries. De twee andere open vragen gingen eerder over hoe zo'n seminaries volgens jou in de echte werkwereld eraan toegingen en of ze nut hadden.
De openvraag stond op 8 van de 20 punten, de multiple-choice vragen stonden op 12/20 punten.
Januari 2012
Versie 1
De 2 eerste vragen zijn hoofdvragen terwijl de terminologievragen bijvragen zijn. Bij de hoofdvragen wordt verwacht dat je 1 A4 blad vol kan schrijven, bij terminologie is dat maar de helft. Je moet je antwoord zo formuleren dat ook iemand die de lezing niet heeft gevolgd je antwoord zal begrijpen. Gebruik je dus extra termen in je vraag moet je die ook verklaren.
- Bespreek het "iPod-model" van CapGemini en verklaar alle onderdelen (7).
- Cloud computing: Wat is het? Uit welke 3 kenmerken bestaat het? Geef 3 voordelen en 3 nadelen + verklaar. Waar kunnen we het toepassen en is het ook toepasbaar bij grote bedrijven?
- Verklaar: Best of Breed (SW), In-memory analytics vs. big data analytics, MapReduce en Commitment Control
Versie 2
- Alles van Scrum
- Waarom er analytische databases nodig zijn
- Schaalbaarheid, NWOW, botnet en multi channel communication
Januari 2011
De 2 eerste vragen zijn hoofdvragen terwijl de terminologievragen bijvragen zijn. Bij de hoofdvragen wordt verwacht dat je 1 A4 blad vol kan schrijven, bij terminologie is dat maar de helft. Je moet je antwoord zo formuleren dat ook iemand die de lezing niet heeft gevolgd je antwoord zal begrijpen. Gebruik je dus extra termen in je vraag moet je die ook verklaren.
- Cloud computing: wat is het, wat zijn de voordelen, waar kunnen we het toepassen en is het ook toepasbaar bij grote bedrijven?
- Bespreek het "iPod-model" van Capgemini en verklaar alle onderdelen.
- Verklaar: Pair programming, Blue Ocean Strategy, LPAR en NoSQL.
Communicatie in het Engels - deel 3 (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 1% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Sinds 2012
Dit vak is geschrapt van het curriculum.
Algemeen
| Studiepunten | 3 |
| Aandeel PE/Examen | 30%-70% |
| Examen vorm | Mondeling (15 min) met schriftelijke voorbereiding (15 min) |
Tijdens de lessen wordt de cursus behandeld en worden er kleine debatten gevoerd over de inhoud van de cursus. Tijdens het jaar moeten er ook 2 taken gemaakt worden (beide met een verschillende deadline). De eerste is het schrijven van een paper van één tot anderhalve pagina over een onderwerp vrij te kiezen uit een lijst van onderwerpen. De andere opdracht is het maken van een begeleide brief samen met je CV.
Het is zeer hard aangeraden om deze beide taken te maken, omdat ze aan bod zullen komen tijdens het examen. Als je die taken dus niet hebt gemaakt heb je dus geen punten voor PE en heb je minder stof om over te praten tijdens het examen.
Examenvragen
Januari 2012
Je trekt twee papiertjes. Op één staan wat begrippen of gezegden, op het ander een zin. Beide moeten worden uitgelegd. Waar er drie puntjes staan moet je zelf het woord nog aanvullen natuurlijk.
Mogelijke woorden:
- A trainee
- As fast as ...
- I smell a rat
- Ants in your pants
- Versatile
- As dead as ...
- Commute
- Fishy
- Conscientious
- A fee
- White-collar workers
- On the dole
- Considerate
- Dog days
- The assembly line
- Making money on the side
- Knuckle grinder
- As strong as ...
- Social leave
Mogelijke zinnen:
- Sicko: USA, the land of milk and honey, unless you get ill...
- Dress code & body language (during a job interview)
- Stress in the workplace: causes and solutions
- IQ is hereditary
Er komen ook enkele vragen over je paper.
Januari 2011
Het is een mondeling examen wat dus wilt zeggen dat hij er altijd verder op in kan gaan (wat in je voordeel, maar ook in je nadeel kan zijn). Aangezien het een mondeling examen is, wordt er niet op spelling gelet. Er wordt natuurlijk wel gelet op zinsbouw, gebruik van tijden, uitspraak van de woorden, gebruik van de woorden uit de cursus en vlotheid.
Mogelijke begrippen of gezegden:
- As strong as ...
- Assembly line
- Knuckled grinder
- Social leave
- Working on the side
Mogelijke zinnen:
- Sicko: verschil Canada USA
Januari 2010
Je hebt 2 stapels waar je telkens 1 strookje met vragen moet nemen. Dan mag je een kwartier lang het mondeling voorbereiden. Daarna mag je met je voorbereiding een gesprek voeren van ongeveer een kwartier over de thema's. Het is best dat je een sterke mening hebt over al de behandelde thema's in de cursus, zo kan je vlot praten en kan jij het gesprek leiden (en niet omgekeerd). Bij aarzelingen zal de lector inspringen en een vraag stellen (die je verder kan helpen, of je verder in nesten kan helpen)
Woordjes uitleggen:
- A fee
- Something fishy
- As dead as a ...
- To commute
Mogelijke zinnen:
- Sexual harassment: wat is het? Wat kan je er tegen doen? Hoe kan je het voorkomen?
Andere vragen:
- Leg de film uit die je gezien hebt in de les (Sicko of Supersize me). Tijdens je uitleg zal hij op sommige punten inspringen en om een extra uitleg vragen.
- Kort je mening zeggen over de tekst die je geschreven hebt (dus een van die 2 taken).
Communicatie in het Frans - deel 3 (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
sinds 2012
Dit vak is vanaf nu 100% PE, je kan best naar de lessen gaan en je opdrachten tijdig binnen brengen.
Algemeen
| PE | 40% 2 taken |
| Examen |
Schriftelijk 30% |
Tijdens het jaar zal je twee opdrachten moeten maken. De eerste is een interview afnemen van een pas afgestudeerde franstalige informaticus (ja, ne waal dus). Je krijgt een lijst met contactgevens, kiest een persoon uit en neemt het interview af zoals beschreven in de cursus. Deze taak is groepswerk, je mag (moet) dus een partner kiezen. Achteraf stel je de persoon die je interviewde voor aan je klas.
De tweede opdracht is het simuleren van een solliciatiegesprek. De klas wordt opgedeeld in groepjes. Via een rollenspel zal iedereen van groep A op sollicitatie gaan bij groep B die dan jury is. Achteraf zal groep B de discussie voeren (in het frans uiteraard) over wie ze zouden aannemen en waarom. Nadien worden de rollen omgedraaid. Het spreekt voor zich dat je dit goed voorbereid en dat je afspreekt met de groepen onderling over wat je elkaar zal vragen (ook al is dat niet echt de bedoeling :D )
Het examen is zowel schriftelijk als mondeling. De mogelijke vragen staan hieronder.
Examenvragen
Januari 2012
M. Verschueren
- Mondeling
- Je krijgt de beschrijving van een bedrijf in het nederlands. Presenteer dit bedrijf kort in het frans (vertaal dus niet de tekst letterlijk, maar les hem en zeg hem na in je eigen woorden).
- Je krijgt ook een Jobomschrijving in het nederlands. Lees deze door. Tijdens het mondeling examen zal je namelijk moeten solliciteren voor die functie. Vragen als waarom ben jij de geschikte kandidaat, welke kennis heb je, sterke en zwakke punten.
- Schriftelijk
- Doorlopende tekst waar je 15 woorden moet invullen. Je krijgt de woorden in het nederlands, je moet ze vertalen en op de juiste plaats zetten
- Leg uit in 10 zinnen wat de capaciteiten van een développeur zijn.
Algemeen advies: zorg er voor dat je de woordenschat goed kent. Kennis van de woordenschap + durven praten zorgen er voor dat je mondeling geen al te groot probleem mag opleveren.
S. Van Pelt
- Schriftelijk
- We kregen een tekening met gebouwen, straten en mannetjes op en 4 situaties van hoe de personen naar een gebouw (bvb bakker) moesten lopen. Je moest dus woorden invullen als 'linksaf' en 'rechtdoor'
- 10 vertaalzinnen
- 3 woorden uit te leggen (programmeur, database beheerder en nog 1)
- Mondeling
- uitleg in het Nederlands van een bedrijf en we moesten dat bedrijf in het Frans komen uitleggen
- 'wat zou je doen bij een sollicitatie bij dit bedrijf, wat zouden je troeven zijn, wat spreekt je aan?
ERP (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2014
- Vraag 1
- A. Waar ligt de roots van ERP
- B. Wat zal er in de toekomst gebeuren (volgens jou / artikels)
- Vraag 2
- A. Wat is SAP R/3 Industry Solution
- B. Waarom is dit van belang bij je opleiding / keuzetraject
- Vraag 3
- A. Wat zegt je SAP Netweaver
- B. Leg de layers uit (evt adhv een tekening)
- Vraag 4
- A. Je kreeg een twee stellingen en je moest zeggen welke dat beter was en staven ook aan de artikels:
- a Het is beter om het ERP systeem aan de bedrijfsprocessen aan te passen
- b het omgekeerde van a
- B. Wat leerde je hieruit vanuit het business game "The Greatest move"
- C. Hoe kan Microsoft NAV voorzien in de behoefte van de klant
- A. Je kreeg een twee stellingen en je moest zeggen welke dat beter was en staven ook aan de artikels:
- Vraag 5: Verklaar evt adhv een voorbeeld
- A. best breed vs integrated ERP
- B. masterdata
IT en management (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Algemeen
IT en management bestaat uit drie delen: bedrijfsorganisatie, project management en duurzaam ondernemen. Dat laatste onderdeel wordt in de les behandeld aan de hand van een aantal reportages over het onderwerp.
Je kan voor elk van de drie delen een werkstuk maken (de info over hoe krijg je uiteraard in de les). Voor de examens beginnen, krijg je de punten hiervan. Op basis daarvan kan je dan kiezen om het examen of bepaalde delen hiervan niet mee te doen. Of je maakt geen enkel werkstuk en leert gewoon alles voor het examen.
Examenvragen
Januari 2012
Deel Bedrijfsorganisatie
- Groeistrategie van Ansoff (marktpenetratie, ...) uitleggen + telkens voorbeeld geven (P42-44)
- Shared services uitleggen. Is het een goed idee in huidige financieel klimaat? Welke delen van het bedrijf komen in aanmerking?
- Bedrijfsportfolio matrix uitleggen (Boston Consultin Group)
- Wat zegt KSF u?
Deel Projectmanagement
- Wat is een business-case? Wat zit er in, waarvoor dient het, waar is dit document deel van en in welke fase(n) van Prince2 wordt dit gebruikt
- Agile Project-management: In welke fase van Prince2? Voordeel van Agile tegenover Waterval.
- Tekening Plan->Do->Check->Act: Wat is de rol van het driehoekje projectmanagement?
- Wat zijn 5 tips voor Change management, waar situeert het zich in Prince2? Is service management hier een deel van?
- Wat is een project?
- Wat maakt een project een project?
- Gegeven: foto van de duivelsdriehoek (tijd, geld, kwaliteit) uit de Prince2 component risicobeheer. Leg uit.
Deel Duurzaam Ondernemen
- Geef de definitie voor duurzaam ondernemen met betrekking tot de 3P's.
- 3-P aspect, verduidelijk met reportage Prison Complet of Darwin Nightmare of Cradle to Cradle
- 4 aangrijpingspunten van de 4de samenleving, verduidelijk met Cradle to Cradle
Januari 2011
Deel Bedrijfsorganisatie
- Groeistrategie van Ansoff (marktpenetratie, ...) uitleggen + telkens voorbeeld geven
- Shared services uitleggen, hoe opstellen? Goed idee in huidige financieel klimaat?
- Bedrijfsportfolio matrix uitleggen (Boston Consultin Group)
- 3(4 eigenlijk) niveaus voor het opstellen van strategieën geven + wat is er belangrijk in het eerste niveau (ondernemingsniveau + pmc)
- Wat is span of control en hoe kan je deze vergroten?
- Wat zegt KSF u(of in het engels SCA)? --> KSF en SCA zijn niet hetzelfde dacht ik, Strategic Competitive Advantages's omvatten liefst een of meer Key Success Factoren
Deel Projectmanagement
- Wat is een business-case? Wat zit er in, waarvoor dient het, waar is dit document deel van en in welke fase(n) van Prince2 wordt dit gebruikt
- Agile Project-management: In welke fase van Prince2? (Schema Prince2) + Voordeel van Agile tegenover Waterval
- Presentatie service management: Wat is het Maturity Model en wat is het verband met Service Management?
- Teams: Wat zijn de meerwaarden van teams tegenover een groep? Wat zijn zelfsturende teams?
- Tekening Plan->Do->Check->Act: Wat is de rol van het driehoekje projectmanagement?
- Wat zijn de strategische principes van change-management?
Deel Duurzaam Ondernemen
- Geef de definitie voor duurzaam ondernemen
- 3-P aspect, verduidelijk met reportage Prison Complet of Darwin Nightmare of waterprobleem Californië
- 4 aangrijpingspunten van de 4de samenleving, verduidelijk met Cradle to Cradle
Januari 2010
Deel Projectmanagement
- business-case
- agile projectmanagement
- verband processen - componenten en technieken
- teams: 5 kenmerken + verschil met groep
- service management
- 3 fasen van change management (uitleg + illustreer met voorbeeld)
Duurzaam ondernemen
- 3 p's + toepassen op cradle to cradle (Geef telkens een voorbeeld)
- definitie van duurzaam ondernemen
- geef de 5 aangrijpingspunten van de vierde samenleving
Samenvattingen
Keuzevak-Ethische en soc. vraagstukken in de informatica (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
| Studiepunten |
3 |
| Aandeel PE/Examen |
100% - 0% |
| PE vorm |
Taak |
Voor dit vak is er een cursus waaruit elke lesweek een nieuw hoofdstuk moet gelezen worden. Deze stof zal dan gebruikt worden als basis om tijdens de les korte debatten te voeren over bijvoorbeeld privacy op het internet, illegaal downloaden, computer criminaliteit,... De lessen stoppen iets over de helft van het semester en dan kan je aan je eindopdracht werken.
PE
Gedurende de lessen kan er een opdracht gegeven worden met je mening over het topic waar de leerstof mee bezig is. Je krijgt hier normaal gezien voldoende tijd voor en de taak telt mee voor PE. Als eindopdracht moet je een onderzoek, presentatie, enquête,... geven/doen over de leerstof. Deze opdracht mag je alleen of met 2 maken. Uiteindelijk moet je een verslag afgeven met je bevinding. De laatste les mag je gedurende 5 minuten naar voren gaan om kort je gekozen onderwerp en je belangrijkste resultaat te presenteren. Je krijgt voldoende tijd om dit af te werken (vooral vanwege de lessen die plots stoppen ergens in het semester). De opdrachten lopen vaak zeer sterk uiteen, om je een voorbeeld te geven zijn dit een paar ideeën van 2010:
- Foto's tonen van phishing sites en deze tonen aan leerlingen van dieet, verpleegkunde,... en vragen welke ze zouden vertrouwen en welk niet. Bij 1 groep wordt een uitleg van wat phishing precies is gegeven voor de foto's en bij de andere groep na de foto's om zo te zien of de uitleg nuttig was bij het opsporen van de valse websites.
- Het testen van de private browse functie in de hedendaagse browser. Zien wat voor informatie deze gaat wegschrijven op harde schijf, in geheugen,... wat de browser achter laat bij het sluiten of bij het crashen.
- Als laatste node spelen in een TOR http://en.wikipedia.org/wiki/Tor_(anonymity_network) netwerk om zo te zien waar men naartoe surft bij het gebruik van zo'n annoniem netwerk.
- Een presentatie geven over privacy en beveiliging op het internet aan niet IT personen. Voor en na de presentatie polsen hoe ze omgaan met hun privacy en beveiliging om zo tot een besluit te komen wat de presentatie de mensen heeft bijgebracht.
- Privacy voorwaarden lezen van diverse sites/programma's/... en de opvallendste/interessante elementen eruit halen
- ...
Onderwerpen kunnen dus sterk uiteenlopen. Er wordt verwacht dat iedereen een eigen project doet, dus niet allemaal hetzelfde onderwerp. Voor je aan je project mag beginnen moet dit immers ook eerst de goedkeurig krijgen van de lector. Je krijgt dan mogelijk feedback voor moest het niet voldoende zijn of worden mogelijke tegenslagen aan het licht gebracht die je hele project kunnen doen mislukken. De lector zal ook een paar voorbeelden geven van wat de voorbije jaren gedaan is geweest.
Keuzevak - Artificiële intelligentie (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Algemeen
Zie http://people.cs.kuleuven.be/~danny.deschreye/AI_Leuven/ . Hierop staan de slides, de opgaves van de oefenzittingen en ook de oplossingen. Informatie over het examen vind je hier ook op.
Examenvragen
Kijk op de website van Wina. Op de website van de prof staan (alle mogelijke) examenvragen voor het deeltje "Search".
Keuzevak - Communicatiebeleid (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2012
- Een baas roept naar werknemer Lessie: “Dat rapport trekt op niets! Maak het meteen opnieuw!” Lessie maakt her rapport die avond opnieuw, maar is wat overdonderd. Ze vindt haar baas een enorme bullebak. Waar ging het mis met de communicatie?
- Intended message
- Encoded message
- Decoded message
- Remembered message
- Wat zijn de voordelen van goed werkend intranet?
- Een KMO vraagt je een intranet te ontwerpen, welke stappen zal je hiervoor nemen?
- Wat vindt je van het intranet bij jou op school? Positieve en negatieve punten.
- Je krijgt een afbeelding. Wat kan je vertellen over compositie, functie…
Keuzevak - Extreme programming (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Docent: G.Barrezele
Geen examen.
Enkel permanente evaluatie: (lessen bij Cegeka, Haasrode)
- Test driven development
- Refactoring
- Grote oefening
Keuzevak - Flash (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
| Studiepunten |
3 |
| Aandeel PE/Examen |
50% - 50% |
| Examen vorm |
Mondeling |
Gedurende het hele jaar kleine opdrachtjes maken (zo'n 7 in totaal) en tegen het einde is het de bedoeling om 1 grote opdracht te maken. Dit mag gaan van een spelletje, toepassing tot website (of andere dingen dat je maar kan verzinnen). De grote opdracht moet helemaal af zijn op het mondeling examen ervan. Tijdens de 2 laatste lessen moet je wel een eerste en tweede versie van je eindwerk tonen (dit hoort bij de permantente evaluatie).
De lessen bestaan uit filmpjes die je moet bekijken tijdens de les of in de vrije tijd. Aan de hand van die filmpjes moet je elke week iets maken en voorstellen aan de lector.
Op het examen krijg je 10 minuten om je werk te presenteren. Als voorbereiding moet je schermafdrukken (van elk scherm 1), een filmpje en het uiteindelijke werk op cd schrijven zodat je iets kan presenteren moest het fout gaan. De schermafdrukken moet je afdrukken voor moest dat fout gaan.
Keuzevak - Intensive program (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Maak al uw opdrachtjes en zorg dat je het toch wel wat kunt uitleggen tegen het einde.
MIS-Enterprise Resource Planning (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2013
Vraag 1
- Bespreek de tekening (was tekening van SAP R/3)
- Leg de link tussen de tekening en andere domeinen als CRM en BI.
Vraag 2
- Geef drie verschillen tussen ABAP-OO en JAVA.
Vraag 3
- Welke taken doet goed service management en wanneer duikt dit op bij een implementatie?
Vraag 4
- Vul het BPM model aan. Alleen twee uiterste driehoeken waren gegeven.
- Pas dit toe op The Big Move (businessgame) of Assurgen.
Vraag 5
- Leg de optelling SOA + ES = eSOA uit m.b.t. SAP.
Januari 2012
- Bespreek het BPM model (tekening was half gegeven; alleen de driehoeken stonden er, je moest zelf de rest in vullen) & leg dit uit a.d.h.v. The Big Move of de case van Assurgen
- Tekening van componenten van R/3 werd gegeven
- Leg uit wat deze tekening betekent
- Leg de link uit tussen deze tekening en andere modules (bv. BI, CRM)
- 'SAP moet van spaghetti naar Lasagne' -> Wat betekent dit?
- ABAB vs Java
- Met variabelen?
- Met callen van functies?
- Klant wil ERP systeem. Hoe zou je zorgen voor een goed systeem op HARDWARE niveau? (dus het tekeningetje met de verschillende servers, DEV, QAS en PRD)
Januari 2011
Het examen betrof vier bladzijden waarin vooral zelf termen en concepten moesten worden verklaard.
- Een klant die op een stapel geld zit vraagt je als volwaardige MIS'er om een ERP-applicatie te ontwikkelen die veilig, betrouwbaar, klantvriendelijk en efficiënt is. Hoe pak je dit aan? Hoe past Netweaver in dit verhaal?
- Wat zijn de fundamentele verschillen tussen ABAP en JAVA als het gaat om datatypes en functies?
- Geef het veelgebruikte model bij BPM (gegeven: twee driehoeken met daarin lege ruimte). Leg dit uit adhv "The Big Move".
- Bij de slides over "spaghetti en lasagne" komt vaak volgende optelling terug: SOA + ES = eSOA. Wat wordt hiermee bedoeld?
- Wat moet je eerst implementeren in een CRM?
Januari 2010
- Die afbeelding met de componenten uitleggen (in het kort)
- Iets met BI, CRM in SAP (hoe wordt dit aangepakt)
- Spaghetti en lasagne (waar situeren en wat wordt ermee bedoeld) - was van een van de sprekers
- Weet niet meer
- ABAP in OOo
- Hoe maak je een object aan (Examen ex = new Examen("ERP", 20)
- Hoe moet je in ABAP waarden returnen en inputten
- nog iets wat ik vergeten ben
- Hoe maak je een object aan (Examen ex = new Examen("ERP", 20)
MIS-Geavanceerde technieken in informatiebeheer (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-04-07). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2013
Januari 2012
Januari 2011
Project & Procesbeheer (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Sinds 2013-2014 bestaat dit vak niet meer
Inhoud
Algemeen
IT en management bestaat uit drie delen: bedrijfsorganisatie, project management en duurzaam ondernemen. Dat laatste onderdeel wordt in de les behandeld aan de hand van een aantal reportages over het onderwerp.
Je kan voor elk van de drie delen een werkstuk maken (de info over hoe krijg je uiteraard in de les). Voor de examens beginnen, krijg je de punten hiervan. Op basis daarvan kan je dan kiezen om het examen of bepaalde delen hiervan niet mee te doen. Of je maakt geen enkel werkstuk en leert gewoon alles voor het examen.
Examenvragen
Januari 2013
ProjectManagement
Vraag 1
- Geef minstens 5 zaken die je in het oog moet houden bij projectmanagement.
- Wat maakt Agile uniek tegenover de andere bekende manier (Waterfall) en waar kan je dit plaatsen in PRINCE2?
Vraag 2
- (Gegeven afbeelding van cirkel van Deming met driehoekje onder projectmanagement) Wat doet dat driehoekje en leg uit met Agile en PRINCE2.
- Kan de business case leiden tot kwaliteitsverbetering?
- Waar komt deze eigenlijk voor?
Vraag 3
- Leg de volgende termen uit:
- AS IS / TO BE
- Duivelsdriehoek
- GOKIT
- PID
Vraag 4
- Hoe kan je ervoor zorgen dat je zo min mogelijk weerstand hebt bij change management?
- Welke tip heb je onthouden van de video 'Who moved my cheese?'
- Bij gedurig veranderen kan er soms een ziekte voorkomen? Wat is dit en hoe genees je die?
Duurzaam Ondernemen
- Geef een definitie van duurzaam ondernemen
- Leg het 3P principe uit aan de hand van 2 video's naar keuze die we gezien hebben in de les. (Omgekeerd voorbeeld mag ook, waarbij het filmpje totaal geen duurzaam ondernemen promoot)
SN-Netwerkbeheer - deel 2 (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
SN-Netwerkbeheer
Dit is alles met CCNA, doorheen het jaar moet je CCNA 3 maken en voor je examen moet je CCNA 4 maken. Dit is het hele examen.
6 Januari 2014 (Marnix VDM)
Praktijkdeel: opstelling zoals in labo 2.5.3. 1 link met HDLC, 1 met PPP en CHAP en 1 met framerelay. Routeringsprotocol: RIP. Beveiligen routeringsprotocol. Telnet beveiligen. 3 ACLs. NAT.
SO-.NET (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Sinds 2013-2014 werd dit enkel nog een keuzevak
Algemeen
Dit vak wordt gedoceerd door Patrick Fox.
Om te slagen voor dit vak moet je de drie opdrachten maken. Tijdens het examen moet je, je .NET project (ofwel opdracht 3) komen voorstellen.
Daarna (of ervoor) krijg je nog een schriftelijke vraag die je dient op te lossen. Deze vragen krijg je op voorhand en zijn te vinden op de export file pafox.
SO-C++ (3TX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-22). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Examen januari 2011 - Marina Lens (Reeks A)
Maak een klasse Persoon met de volgende parameters:
- Naam
- Voornaam
- Datum (dit heb ik gewoon gedaan met int dag, int maand, int jaar en daar was ze tevreden mee)
Voorzie operator overloading voor == en <.
Maak een ring (met template<class T> zodat deze niet alleen toegankelijk is voor Persoon-objecten). Deze ring moet de volgende methoden bevatten:
- constructor
- destructor
- void VoegToe
- bool ElementBestaat
- Ring Select(Datum of integers met dag/maand/jaar) -> geeft ring terug met alle personen in de ring die na deze datum geboren zijn
- void laatElementWeg
- void printVanJongNaarOud
- void printVanOudNaarJong
Marina Lens komt tijdens het examen (dat je tevens in DevCPP mag afleggen) rond als er vragen zijn en helpt met kleine dingen. (je zit vast in compilatie door klein foutje, vergeten syntax, etc...)
Voedings- en dieetkunde – fase 1
Veiligheid en hygiëne (1VX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-26). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Juni 2009
1) Geef 3 redenen waarom we arbeidsongevallen en beroepsziekten moeten voorkomen. Leg elke reden grondig uit
2) Afkortingen en woorden verklaren
-ADI
-LD 50
-HEPA-filter
-Corrosieve stoffen
-kruisbesmetting
-traceerbaarheid
3) Een aantal situaties zijn gegeven. Je moet zeggen wat het risico is, zeggen om welke maatregel dat het gaat ( organisatorisch, technisch, administratief) en een voorbeeld geven van die maatregel
- stuk metaal in een blik boontjes
- aceton
- UV-lamp
-nitraat in spinazie
4) wat betekent HACCP
geef motieven waarom het nuttig is dat elke grootkeuken een HACCP-plan heeft (4)
Geef de 7 principes van het HACCP-plan en licht dit toe op de levering van yoghurt en platte kaas die een kerntemperatuur moet hebben tussen 1°C en 4°C
5) waar of niet waar vragen
De bacterie 'Campylobacter jejune' die voorkomt in rauwe kip of in rauwe melk is van risicoklasse 2
lotnummer is verplicht
Januari 2016
1) 15 meerkeuzevragen (GIS correctie)
2) 4 situaties en jij moet maatregel geven
3) Een gegeven situatie van jongens die Zwavelzuur vervoeren
• Wat is MUOPO? (afkorting)
• Leg voor de M en de P de situatie hieruit/probleem?
• Geef 2 redenen waarom werkongevallen moeten vermeden worden.
• Je krijgt een tabel van handschoenen en daar moet jij uit afleiden welke handschoenen goed zouden zijn voor zwavelzuur 96%, + 3 argumenten geven
4) 3 dingen gegeven waarvan je dan een vb en een maatregel bij moet geven
5) HACCP afkorting voluit, de 7 principes geven en dit toepassen op gegeven tekst. ( over een temp behouden in een koelcel)
6) Een fiche van een chemische stof
• de gevarenteken weergeven ( vertalen in letters)
• zeggen of het een mutagene stof is en uitleggen wat mutageen is
• TWL en LD50 uitleggen
januari 2017
- 50 meerkeuzenvragen met giscorrectie
- leg het HACCP stappen plan uit en pas toe op een tekst
Voedings- en dieetkunde – fase 2
Casusexamen (2VX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-25). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Juni 2016
Een vrouw is slachtoffer van een overval geweest en heeft haar kaak hierdoor gebroken. De enige familie die ze heeft zijn haar nichten waar ze veel steun van krijgt (zielige situatie wordt geschetst). Ze heeft een normale BMI. De plastisch chirurg vraagt voor aangepaste voeding voor haar kaak. Hij zegt ook dat ze een verhoogde bloeddruk heeft en hiervoor een B-blokker neemt.
Over ondervoeding werd in de casus niet gezegd, maar de patiënt geeft dit tijdens de consultatie wel aan.
Ze vraagt of volgende producten gegeten mogen worden: gezoute koekjes (ze zuigt er 's avonds op, vanwege haar haar, en geeft aan dat dit het enige is wat haar nog smaakt) en Aiki noodles.
Januari 2012
Vrouw, 60 jaar, stoppen met werken door pijn aan gewrichten, al meer dan 20 jaar diabetes type 2, obesitas (BMI 27), beginnend nierfalen, hypercholeserolemie. Verpleegster komt elke dag langs om insulinespuiten te zetten. Ook komt er dagelijks iemand langs voor het huishouden. Kan niet goed naar toilet gaan.
Man, 67 jaar, gepensioneerd ambtenaar, houdt van reizen met zijn vrouw en van wandelen en fietsen. Gaat graag op restaurant waar hij de menukaart graag doorneemt. Heeft diabetes type 2, geen obesitas (BMI 24) en beginnend nierfalen. Heeft geen klachten en beschouwd zijn ziekte als niet erg. Zijn filosofie is dat zijn ziekte bij het leven hoort en je dat er dus bij moet nemen. Net opgenomen in het ziekenhuis voor zijn achteruitgaande nier en komt nu naar de diëtist bij het verlaten van het ziekenhuis. Hij neemt insuline, calciumcarbonaat, Na-carbonaat en atorvastatine. Bloedwaarden: LDL en Cholesterol oke, creatinine te hoog, kalium te hoog, HbA1c te hoog, fosfaat oke.
Januarie 2011
Man, 56 jaar, last van zijn rug, diabetesvoet en slechtziend. Heeft diabetes type 2 maar men heeft insuline ingeschakeld omdat zijn medicatie onvoldoende werkte. Ook last van verhoogde cholesterol, voornamelijk verhoogde TG.
Januari 2010
Vrouw 43, 5 kinderen, druk leven, max. 20 min in koken steken, lust geen gekookte aardappelen en heeft een chocoladeverslaving. Voelt zich moe en als ze duizelig is eet ze een pakje chips. Bloeddruk is 96/63 en LDL chol is 202, tot chol is 290 en HDL is 77.
Dokter schrijft een dieet voor hypercholesterolemie. Ze wil eerst dieet volgen voordat ze aan medicatie begint.
Epidemiologie (2VX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-25). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
augustus 2015
vraag 1: waar of niet waar en leg uit: - ecologische studies gaat uit van geaggregeerde gegevens - hoe meer vals positieven, hoe hoger de waarde van g - iets over het verband tussen I en P - randomisatie is het willekeurig indelen van mensen in de indexgroep en de controlegroep
vraag 2: welke studieopzet wordt in onderstaande tekst gevonden. geef de voor- en nadelen van deze studieopzet.
vraag 3: bereken RR en interpreteer deze waarde
vraag 4: jadadscore over artikel geven en interpreteren.
Januari 2012
1) Juist/fout en waarom
- Matching is het per toeval indelen van de onderzoeksgroepen
- Bij een gebrek aan precisie ontstaat er confounding
- De voedselconsumptiepeiling is een cross-sectionele studie
- Om de gevoeligheid en specificiteit te bepalen moeten de onderzoeksgroepen dezelfde kenmerken hebben
- Nog eentje
2) Klein stukje tekst (het was een case-control: de odds-ratio werd beschreven in de tekst)
- Welke onderzoeksvorm is dit en motiveer
- Wat zijn de voor- en nadelen van deze studie
3) Bereken het relatieve risico op nefropathie bij diabeten van 40-45 jaar. Er is geen tijdsinterval gegeven. Wel een tabel met diabeten en niet diabeten, met telkens een onderverdeling geen nefropathie en wel nefropathie.
Januari 2010
A/ Waar en niet-waar vragen : leg telkens uit.
1) hoe meer vals positieven, hoe hoger de gevoeligheid.
2) De DASH studie is een interventie studie
3) Een follow-up studie is altijd retrospectief
4) Randomisatie wil zeggen dat je voor elke persoon van de indexgroep een persoon kiest met gelijkaardige kenmerken voor de controlegroep.
B/ Leg uit wat confounding is en geef een zelfgekozen voorbeeld.
C/ Wat is het attributieve risico een trombose bij rokers in de leeftijdsgroep van 30-39jaar? Interpreteer het resultaat.
Opmerking: er is een tabel gegeven met aantal rokers in niet rokers en hoeveel hiervan trombose hebben. Je moet dus zelf eerst de incidentie van de blootgestelden en niet-blootgestelden berekenen.
er was geen tijdsinterval gegeven dus kon je geen incidentie berekenen, werken met formule (R1-R0)/R1 met R de PW
1. Waar- niet waar + motiveer. Geaggregeerde waarnemingen zijn typisch aan een ecologische studie.
2. Waar – niet waar + motiveer. Een follow-up studie is altijd retrospectief.
3. Waar – niet waar + motiveer. ....
4. Leg de regels van Bayes uit en geef een eigen voorbeeld.
5. Bereken het relatieve risico en verklaar wat je berekent. (je krijgt een tabel)
PDO (2VX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-25). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2012
Januari 2011
1. Ziekenhuisweekmenu aanpassen aan hemodialyse + diabetes
2. Wat wordt er besproken in de eerste consultatie
3. Leg energiebalans uit + effect
4. Noem een 5-tal waters die niet mogen worden gedronken in een zoutarm dieet
5. Geeft de principes van een zoutarm dieet
6. Geef de streefcijfers van een AVVZ dieet
7. Sorteer de kazen op hun fosforgehalte
8. Pas een wokgerecht aan, aan zoutarm dieet
9. Gegevens van een patiënte met obesitas: Bereken de energieinname (energiebeperkt)
10. Vrouw met diabetes: bereken koolhydraatruilwaarden en verdeel over de dag
11. Leg uit extens. en intens. zoetstoffen + voorbeelden
12. Welke zoetstoffen mogen bij energiebeperktdieet en diabetes?
13. Noem 3 confituren met verlaagd suikergehalte
Januari 2010
- Geef 3 sausen (warm of koud) voor een energiebeperkt dieet.
- Geef zoetstoffen die diabetespatiënten met overgewicht mogen gebruiken.
- Geef 5 dingen waar iemand met een kaliumbeperkt dieet moet op letten.
- Ziekenhuisweekmenu: pas aan aan een cholesterol, fosfor en zoutbeperkt dieet.
- Algemeen dagschema: vul in voor een cholesterolbeperkt dieet
- Een afprint van een voedingsanamnese met het Becelprogramma wordt gegeven. Vul het evaluatiesjabloon in (zowel macro-als micronutriënten + tips geven)
Januari 2009
- Wat wordt er besproken bij een laatste, afsluitend consultatiegesprek?
- Algemeen dagschema opstellen voor kaliumbeperkte voeding
- Uitprint van een dagschema: aan de hand daarvan, bijlage 3 invullen (+ ook aanbevelingen kennen!)
- Geef 3 zoutarme kazen
- Wat is dit product (tagatesse)Leg uit+ Geef aan in welk dieet dit speciale product past. Verklaar en geef de voordelen
- Welke antropometrische metingen doet een dietist?
- Geef 3 fosforarme kazen
- Maak een algemeen dagschema voor een natriumbeperkt dieet
Voedingsleer - deel 2 (2VX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-25). 51% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
Google docs 2019
Januari 2018
-20multiple choice vragen, grootste deel over vita!! en mineralen, niet veel over spoorelementen met giscorrectie: bv : welke is de juiste volgorde, welke stelling is fout/juist-> bv duid aan welk VM in belgie best geforticificeerd wordt,welke in enterohepatische cylus aanduiden, welke is toxisch bij orale inname bij volwassenen
-open vragen: 5 stellingen W of NW- thiaminase ,bv: K bij prematuren, stoffen bij jodium die in insecticide zitten
- gegeven: vit k, B2, B3 en B12- geef 1 functie en symptoom bij tekort en geeft chemische naam/namen
- leg uit waarom lever en niepathos problemen geven bij vit D (aanmaak)
-Leg uit welke 2 systemen er zijn om pH in lichaam op peil te houden (in detail!)
Januari 2016
1) 3 gevolgen van vit A deficiëntie
2) geef het schema van de werking van de schildklier (feedback)
3) 2 positieve en 2 negatieve factoren die opname van Fe beïnvloeden
4) 5 waar/niet waar + uitleg
- man meer vit B1 nodig als vrouw?
- wordt de ijzerbalans geregeld door het lichaam zelf?
- heeft een prematuurtje verhoogd risico op vit K deficiëntie?
- thiaminase helpt bij de opname van vit B1?
- elementaire sondevoeding gaat dat veneus?
5) 3 functie van fortificeren + voorbeeld
Januari 2012
- 30 meerkeuzevragen zonder giscorrectie waarvan 22 meerkeuzevragen letterlijk uit de voorbeeld examenvragen en waarvan de volgende sorteervraag (elk op 1 punt)
1) Rachitis A) Geassocieerd met onvoldoende inname van fluor
2) Osteomalacie B) Compleet verlies van de menstruele functie
3) Amenorroe C) Ontstaat door overconsumptie van fluor
4) Fluorosis D) Vitamine D deficiëntie bij volwassenen
5) Tandcaries E) Vitamine D deficiëntie bij kinderen
- 2 juist/fout (elk op 5 punten)
o Het lichaam is capabel om energie te genereren van macronutriënten zonder B-vitamines
o Mensen met obesitas ontwikkelen altijd diabetes
- 2 open vragen (elk op 5 punten)
o Kies een antioxidant vitamine of mineraal. Beschrijf kort het werkingsmechanisme van het antioxidant
o Onderzoek op micronutriënten is moeilijker dan op macronutriënten. Leg uit waarom dit zo moeilijk is en hoe de hoeveelheden worden opgesteld.
Januari 2011
25 meerkeuzenvragen (vnl. over vitaminen en mineralen)
1 open vraag: Geef 5 sporenelementen met hun functie
Januari 2010
25 meerkeuzevragen
3 open vragen
Geef de verschillende stadia van ijzer-deficiëntie anemia. Wat heeft dit te maken met het zuurstoftransport?
Wat kan de ijzerabsorptie beïnvloeden?
Wat is de invloed van koper op de ijzerstatus?
2 waar/ niet waar vragen.
Zorgt vitamine C supplementatie voor een betere weerstand tegen verkoudheid?
Bij een thiamine, riboflavine en vitamine B6 tekort heb je een mindere fysieke conditie.
Vorige jaren
Voedingsleer herexamens
Bespreek vitamine A (6/10) en koper (4/10)
wat is de glucosetolerantiefactor; geef de aanbeveling van zink, folaat, en nog 1; geef zoveel mogelijk oorzaken van glossitis; wat is functionele deficientie en verduidelijk dit door minstens 3 voorbeelden; welke aandoening onstaan door een thiamine tekort en geef de hoofdbeeld en de nevenbeelden
<br>
Bespreek jodium (6/10) en vitamine B6 (4/10)
Geef alle deficienties die invloed hebben op het immuunsysteem
geef de aanbeveling van Vit C, Niacine, geef de maximum inname van alcohol
wat is het effect van vitamine K deficientie?
wat is scheurbuik?
welke vitamines zijn niet altijd essentieel?
<br>
Geef de aanbeveling van niacine, B2 en biotine
Wat is het effect van vitamine D deficiëntie?
Van welke nutrienten hebben zwangere vrouwen meer nodig?
Wat is functionele deficiëntie en geef er 3 voorbeelden van
Welke vitaminen worden intestinaal geproduceerd?
<br>
Examen januari 2009
- Bespreek Niacine (6/10) en Selenium (4/10)
- Waardoor ontstaat Pellagra?
- Welke nutrienten zorgen voor de wondheling?
- Welke nutrienten zijn anti-oxidanten?
- Welke deficientieziekte ontstaat er bij B12?
- Geef de aanbevelingen van pantotheenzuur, calcium en zink.
- Wat zijn de gevolgen van een tekort aan vitamine A?
<br>
Hoofdvragen (mondeling)
Bespreek Vitamine C (6/10) en Fosfaat (4/10)
Bijvragen (schriftelijk)
- Welke vitaminen staan in voor het behoud van skelet?
- Wat is pernieuze anemie? Hoe ontstaat het en wat doet men om het te voorkomen?
- Geef de aanbeveling van Vit B1, Jodium en Chloor
- Welke vitaminen zijn enkel van dierlijke bron?
- 7 wortelen leveren 6000 RE/dag. Hoeveel wortelen moet ik eten alvorens ik een chronisch tekort ontwikkel?
Voedingsleer van de volwassene (2VX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-25). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2012
1) pathofysiologie van dyslipidemie bij insulineresistentie?
2) Maagbypass?
1) Leg uit: MUST (malnutrition universal screening tool) for adults
1) wat gebeurt er met de serumlipidenwaarden als de VV vervangen worden door KH of andere vetten (PUFA's , MUFA's)
2) geef de streefwaarden voor LDL
Januari 2010
1) geef de defenitie van het metabool syndroom
2) waarom hoort het triglyceridegalte ook tot het metabool syndroom?
3) gamma-linoleenzuur
1) Isocalorische vervanging van verzadigde vetten
2) Thermogenese
Examenvragen voorbije jaren
- vergelijk de voedingsgewoonten in belgië van´'79-84 en 2004
- leg uit visvetzuren
- Geef de samenstelling van de lipoproteïnen
- Leg uit: bilio - pancreatische derivatie
- SOS studie
- stearinezuur
- Leg uit : pathofysiologie van dyslipidemie bij diabetes type 2
- Procamstudie
- Dyslipoproteïnemie bij insulineresistentie (wat is dyslipoproteinemie, ontstaansmechanisme, behandeling farmacologisch en niet farmacologisch)
- Linolzuur
- Het metabolisme tijdens vasten
- Geef het effect van de isocalorische uitwisseling van de verschillende vetzuren en koolhydraten op de serumlipiden
- Leg uit MUST (Malnutrition Universal Screening Tool)
- Dyslipoproteïnemie bij insulineresistentie (wat is dyslipoproteinemie, IR, effect van de isocalorische uitwisselen van vv en kh op dyslipoproteinemie bij IR (effect HDL, LDL, triglyceriden))
- Wat is DASH
- Bypass operatie, er wordt 1 van ze allemaal gevraagd en als bijvragen is dan welk effect en problemen er kunnen optreden.
- Leptine, leg uit
- Alfa linoleenzuur
- schema geven van ondervoeding
- Studie van het effect van koolhydraten op de triglyceriden in het bloed
'Samenvatting'
Hoofdstuk 1: Atherosclerose
- Hart: coronaire hartziekten = ischemische hartziekte → te weinig O2 naar de hartspier
- Hersenen: cerebrovasculaire insufficiëntie
- Onderste ledematen: perifere vasculaire insufficiëntie
1. Atherosclerose: kliniek
1.1 Algemeen
Onvoldoende toevoer van O2-rijk arterieel bloed kan resulteren in:
- functieverlies en klinische verschijnselen van tijdelijke aard
- blijvend deficit door weefselbeschadiging
Hartspier:
Tijdelijke ischemie → angina pectoris of angor
Bij volledige afsluiting kroonslagader → myocardinfarct (MI) → ontstaat vrijwel altijd door een onderbreking van de bloedstroom door vorming van een bloedklonter
Hersenen:
Kan leiden tot een tijdelijke neurologische uitval: TIA (transient ischemic attack) en RIND (reversible ischemic neurological deficit) of tot een CVA (cerebrovasculair accident of beroerte) waarvan geen of slechts een gedeeltelijk herstel optreedt.
Onderste ledematen:
Ischemie veroorzaakt claudicatio intermittens, ischemische huidulceraties en gangreen
1.2 Angina pectoris
= Een karakteristieke drukkende of samentrekkende retrosternale pijn, vaak uitstralend naar hals, kaak of linkerarm, veroorzaakt door myocardischemie
→ Tijdens inspanning, emotie, na een maaltijd of overgang van warmte naar koude
→ Klachten verdwijnen binnen enkele minuten
Vaststellen:
Inspanningstest (fiets, looptapijt) + coronarografie om te kijken in welke arterie het probleem zich bevindt. Dit gebeurt doordat met een katheter vanuit lies of elleboogplooi naar het hart te brengen.
Oplossing Angor:
PTCA (percutane transluminele coronaire angioplast) = doorheen de huid via bijvoorbeeld de ader verbreden
Probleem:
- Symptomen zijn weg, maar levensstijl niet veranderen = hervallen! (→ diëtiste)
- Scheurtjes in aderwand + bloedklonters (→ medicamenten)
Andere oplossing:
- Stent/prothese om aderwand te ondersteunen + soms ingebouwd met medicamenten
De behandeling is gebaseerd op 4 principes:
- vorming van een thrombus beletten → acetylsalicylzuur (aspirine)
- dilatatie van de coronaire arteriën voor een maximale aanvoer van O2 naar het myocard → nitraten
- verminderen van de O2-behoefte → β-blokkers
- beheersing van risicofactoren → rookstop, behandeling dyslipidemie, ...
1.3 Acuut myocardinfarct (AMI)
= de klassieke evolutie van angor, maar kan ook plots optreden zonder voorafgaande symptomen
Klachten:
- meer pijn
- houdt langer aan
- over groter gebied
- reageert niet of onvoldoende op nitraten
→ Deze gaan vaak gepaard met één of meer vegetatieve verschijnselen: angst, misselijkheid, braken, …
Soms veroorzaakt infarct helemaal geen pijn = silentieus infarct (→ bijvoorbeeld bij diabetici)
Vaststellen:
ECG (elektrocardiogram) toont afwijkingen + biologisch is er na een MI een verhoging in het bloed van intercellulaire enzymen (troponine, creatininefosfokinase en CPK) als gevolg van myocardnecrose (= hartspier afsterving).
Belangrijke verwikkelingen van een acuut MI zijn:
- ritmestoornissen
- gedaalde pompwerking van het hart → hartfalen en cardiogene shock
- thrombo-embolie
- ruptuur van de hartspier
Behandeling:
- intensieve zorgen, continue toedienen O2 en intraveneuse toediening heparine naast klassieke behandeling angor
- doorgankelijkheid herstellen door thrombolitische geneesmiddelen of onmiddellijke angioplastie
1.4 Cerebrale ischemie
Komen vooral voor bij personen ouder dan 65 jaar, 50-80% door atherosclerose van de bloedvaten die hersenen van bloed voorzien.
TIA (transient ischemic attack)
- plots optredend neurologisch deficit
- van korte duur (meestal minder dan 1 uur)
- geen zware gevolgen
- hemiparese (zwakte of verlamming in één lichaamshelft), geen zicht, gevoelsstoornissen, plots neervallen (drop attacks) en spraakstoornissen
RIND (reversible ischemic neurological deficit)
- verdwijnen de neurologische afwijkingen binnen maximaal 3 weken volledig
CVA (cardiovasculair accident)
- geen of slechts een partieel herstel
- blijvend letsel
Afhankelijk waar het infarct zich voordoet zal een van deze 3 optreden.
1.5 Perifeer vaatlijden
- doffe, soms stekende pijn in onder- of bovenbenen
- bij lopen, afhankelijk van tempo en afstand en bij stilstand weer verdwijnen
- na verloop van tijd kan ook pijn optreden tijdens rust (etalageziekte)
1.6 Schema
Tijdelijk Definitief
Coronair Angor MI
Hersenen TIA en RIND CVA
Onderste ledematen Claudicatio (perifeer) Gangreen
2. Het voorkomen van de hart- en vaatziekten (epidemiologie)
2.1 Vlaanderen – België
40-75 jaar 7000 fatale en niet fatale acute coronaire aanvallen
Belgian Stroke Council: jaarlijks 25 000 beroertes + 10 000 mensen sterven aan CVA
Sterfte – mortaliteit
Hart- en vaatziekte belangrijkste doodsoorzaak, 57 000 personen overleden in Vlaams Gewest. Vanaf 65 jaar zijn de ischemische hartziekten de belangrijkste doodsoorzaak.
Klinische morbiditeit (ziekte)
Hart- en vaatziekte belangrijkste oorzaak van chronische invaliditeit in geïndustrialiseerde landen. Vanaf 45 jaar bij mannen en 65 jaar bij vrouwen zijn hart- en vaatziekten de belangrijkste reden van hospitalisatie.
→ Hetgeen ook betekent dat zij een erg belangrijke kostplaats uitmaken in de financiering van de gezondheidszorg
2.2 Internationaal
Europa
Prevalentie: voorkomen → momentopname
Incidentie: voorkomen/tijdseenheid → over bepaalde periode
N-Z: verschil verkleind door de aangepaste voeding en de overname van de mediterrane voedingsgewoonten
O-W: verschil vergroot door de ongezondere levensstijl, ze roken onder andere meer
België
Heeft een Z-N gradiënt: in Wallonië is er meer atherosclerose → meer roken, kwaliteit van de voeding, sociale druk, ...
Evolutie
- Tussen ’50 en ’72 steeg de voor de leeftijd gestandaardiseerde sterfte aan hartziekten met gemiddeld 2% per jaar in de Westerse landen
- Hoogtepunt in 1972 → vanaf dan daalde de sterfte aan ischemische hartziekten in bv. Nederland, België, de Verenigde Staten en Australië
- In Oost Europa daarentegen was er een sterke toename
- Wereldwijd wordt 60% van de sterfte veroorzaakt door kanker, hart- en vaatziekten, diabetes, obesitas, ...
- Hart- en vaatziekten alleen al zijn verantwoordelijk voor 1/3 van de sterfgevallen
- Rond 2020 zou dat ¾ zijn en zullen deze sterfgevallen vooral gesitueerd zijn in de ontwikkelinglanden
3. Risicofactoren
3.1 Definitie – achtergrond – ‘klassieke’ risicofactoren
Een risicofactor wordt bij prospectief epidemiologisch onderzoek omschreven als een kenmerk dat een statistische correlatie vertoont met een nadien optredend ziektebeeld, zonder dat dit verband echt automatisch een causale (oorzakelijke) relatie inhoudt
Sommige risicofactoren zijn enkel ‘merker’ terwijl anderen wel rechtstreeks kunnen leiden tot ischemische ziekten.
Prospectief: vooruit kijken → betere kwaliteit
Retrospectief: terug kijken → geen goede kwaliteit
2 bevolkingsonderzoeken:
Framingham-studie:
Er werden 5000 mensen tussen 30 en 62 jaar geselecteerd bij wie nog geen manifestaties van coronaire hartziekten aanwezig waren. Er werden de tot dan toe bekende paramaters met betrekking tot hart- en vaatziekten gemeten en later werden er nieuwe aan toegevoegd. Elke 2 jaar wordt sindsdien een tussentijdse evaluatie verricht. Deze studie heeft uitgewezen dat atherosclerose een multifactoriële aandoening is, waarbij genetische factoren een wisselwerking hebben met de omgeving.
Niet beïnvloedbare factoren:
- Geslacht (man > vrouw)
- Leeftijd (↑ = risico stijgt)
- Erfelijkheid
Beïnvloedbare factoren:
- Dyslipoproteïnemie (coronair vaatgebied)
- Nicotine (perifere vaatgebied)
- Hypertensie (hersenvaatgebied)
- Diabetes mellitus
- Abdominale vetopstapeling
Het 7-landen onderzoek van Ancel Keys:
Toonde aan dat de mortaliteit door hart- en vaatziekten hoger lag in het noordelijk halfrond (USA, Finland, Nederland) dan in landen van het zuiden. Die sterfte hield verband met een hoger cholesterolgehalte in het bloed bij noordelijke landen als gevolg van een groter gebruikt van verzadigde vetten.
→ Basis relatie voeding en atherosclerose!
3.2 Prevalentie van cardiovasculaire risicofactoren
Procam-studie:
= Prospective Cardiovascular Münster trial → prevalentie van risicofactoren in een West-Europees land einde jaren ’80.
3.3 Cumulatief effect van risicofactoren
Uit Framingham studie blijkt dat gelijktijdig voorkomen van verschillende risicofactoren het risico voor hart- en vaatziekten op een exponentiële manier doet toenemen.
Bv: bloeddruk stijgt, roker, cholesterol stijgt → risico niet x 3 maar x 9
Verschillende risico’s hebben dus samen een ‘multiplicator’ of cumulatief effect. Dit houdt dan ook in dat het risico van een persoon met één ernstig gestoorde risicofactor toch lager kan zijn dan dat van een andere persoon met meerdere, zij het matig verstoorde, risicofactoren.
Concept van ‘totaal, absoluut cardiovasculair risico’ → het is niet één risicofactor, maar het totaal klinisch beeld dat bepalend is voor cardiovasculair risico
→ Ligt aan de basis van de Europese Richtlijnen 2007 voor preventie ischemische hart- en vaatziekten
3.4 Cardiovasculair risico
Wordt bepaald door de kans om binnen 10 jaar te overlijden ten gevolgen van een cardiovasculair accident (coronair, cerebrovasculair of perifeer). Het risico wordt als hoog beschouwd als het meer dan 5% op 10 jaar bedraagt.
Hoog cardiovasculair risico aanwezig bij:
1) Alle personen die de gevolgen van atherosclerose al hebben ondervonden (secundaire preventie) = 5-10% van de volwassen bevolking
2) Personen zonder symptomen (primaire preventie) met:
- Meerdere risicofactoren waardoor hun 10 jaar risico op cardiovasculaire sterfte 5% hoger is.
- Één, zeer sterk verstoorde risicofactor
Bv. totaal cholesterol > 300 mg/dl of bloeddruk > 180 mmHg
- Diabetes type 2 en diabetes type 1 met microalbuminurie (soort proteïnurie → verlies eiwitten in de urine) = 15% van de volwassen bevolking
Risico evalueren met SCORE-systeem
Houdt rekening met geslacht, leeftijd, roken, systolische bloeddruk en totaal cholesterol.
Totaal cardiovasculair risico kan hoger zijn dan wat de tabel aangeeft:
- als persoon hogere leeftijdscategorie nadert
- bij personen zonder symptomen met preklinische tekens van atherosclerose (echografie, CT-scan, ...)
- bij personen van wie familie op vroege leeftijd overleden is aan hart- en vaatziekten
- bij personen met glucose-intolerantie, een laag HDL-chol, hoge TG en vooral in geval van een metabool syndroom
- bij personen met hoog hs-CRP, fibrinogeen, homocysteïne of Lp(a)
- bij obesen en sedentaire personen
3.5 Streefcijfers
Lipiden:
Totaal chol < 190 mg/dl en LDL-chol < 115 mg/dl
MAAR: Totaal chol < 175 mg/dl (indien haalbaar < 155 mg/dl) en LDL-chol < 100 mg/dl bij:
- personen met ischemische hartziekten
- personen zonder symptomen met cardiovasculair sterfterisico > 5%/10 jaar
- diabetes type 2 en diabetes type 1 met microalbuminurie
HDL-chol en TG:
→ Geen specifieke streefwaarden
MAAR, merker van hoger risico als:
- HDL-chol < 40 mg/dl bij mannen en HDL-chol < 46 mg/dl bij vrouwen
→ vrouwen hogere waarde omdat oestrogeen sowieso voor een hoger HDL-gehalte zorgt
- TG nuchter > 150 mg/dl
Bloeddruk:
< 140/90 mmHg
MAAR: < 130/80 mmHg bij personen met diabetes
3.6 Nieuwe risicofactoren
3.6.1 Homocysteïne
= S-houdend AZ gevormd bij omzetting van essentiële AZ methionine naar cysteïne:
Methionine → homocysteïne → cystathionine → cysteïne
- Vit B6 is hierbij co-factor bij omzetting van homocysteïne naar cystathionine
- Vit B12 en foliumzuur co-factor bij remethylering van homocysteïne naar methionine
- Tekort aan Vit B6, B12 en foliumzuur kan leiden tot een te hoog homocysteïne-gehalte in het bloed = hyperhomocysteïnemie
→ Hogere kans op atherosclerose en thrombose
→ Homocysteïne is dus een risicofactor voor hart- en vaatziekten
Verlaging homocysteïne-gehalte door behandeling foliumzuur is op zich niet effectief als preventieve maatregel.
3.6.2 Lipoproteïne (a) of Lp(a)
Bestaat uit een LDL partikel waaraan een eiwit, namelijk het apolipoproteïne (a), is gehecht.
→ Bloedspiegels vooral erfelijk bepaald
→ Ongeveer 20% van het blanke ras vertoont een hoge Lp(a) concentratie in het bloed
→ Verdubbelt kans op hart- en vaatziekten bij personen met een LDL-chol > 115 mg/dl
3.6.3 Geoxideerde LDL, Ox-LDL
= LDL dat gereageerd heeft met O2 in het bloed → risicofactor hart- en vaatziekten.
3.6.4 C-reactive Proteïn, hs-CRP
Plasma CRP is een merker van ontsteking en zo dus een risicofactor. Het is nog niet bekend of reductie van een initieel verhoogd CRP effectief het risico doet dalen.
3.6.5 Stolling
Aan thrombusvorming gaat meestal een acuut coronair accident vooraf. Diverse merkers zoals fibinrogeen en leucocytose zijn dan ook predictoren van ischemie.
3.6.6 Metabool syndroom
= is een klinisch concept voor insulineresistentie
→ Risico op type 2 diabetes en ischemische hart- en vaatziekten verhoogd
→ Vaak ook ox-LDL, hs-CRP en stollingsfactoren verstoord
IDF (International Diabetes Federation) definitie 2005 van metabool syndroom:
Middelomtrek: bij mannen > 94 cm en bij vrouwen > 80 cm
+ minstens 2 van de vier andere risicofactoren:
- nuchter glycemie > 100 mg/dl of gekende diabetes type 2
- nuchter TG > 150 mg/dl
- HDL < 40 mg/dl bij mannen en < 46 mg/dl bij vrouwen
- Bloeddruk > 130/85 mmHg
4. Fysiopathologie: Hoe ontstaat atherosclerose?
4.1 Definitie
De term atherosclerose wijst op een plaatselijke verdikking van de intima in de grote tot middelgrote slagaders (arteriën).
Vetstrepen (Fatty Streaks):
- Reversiebele, atherosclerotische letsels
- In de intima
- Bestaan uit schuimcellen (Foam cells) → gladde spiercellen en macrofagen die met lipiden zijn gevuld
Atherosclerotische plaque:
- Kapsel: collagene vezels, elastische vezels en gladde spiercellen
- Lipidenkern: bestaat uit schuimcellen, T-lymfocyten en lipiden
Deze letsels kunnen verkalken en leiden zo tot:
- Elasticiteitsverlies van de (arterie)wand
- Vernauwing van het arterieel lumen → daling O2 voorziening → ischemie
- Ulceratie of bloeding intramuraal met thrombusvorming
4.2 Het endotheel, het aangrijpingspunt van vaatwandbeschadiging
4.2.1 Functies van een intact endotheel
1) Barrière: tussen bloedstroom en onderliggende vaatstructuren: ontbreken van de deklaag = geen scheiding tussen stollingsfactoren, bloedplaatsjes enerzijds en onliggende vaatstructuren anderzijds → samenklonteren van bloedplaatjes → thrombusvorming
2) Filtratie: endotheelcellen verwijderen diverse stoffen uit de bloedstroom → belangrijke metabole functies
- Capillairen aan oppervlak van vetweefsel en spieren: LPL hydrolyseert TG van CM en VLDL
- In de longen gebeurt de omzetting van AI tot AII door ACE
- Opname vasoactieve stoffen
3) Synthese
- Componenten van de intima (collageen, elastine, glycoproteïnen)
- Stollingsfactoren
- Prostacycline: aggregatieremmende en vaatverwijderende werking
Een intact endotheel beschermt tegen atherosclerose omdat het thrombose en inflammatie tegengaat en fibrinolyse bevordert.
4.2.2 Relatie risicofactoren en beschadiging van het endotheel
Atherosclerotisch proces begint met herhaalde beschadiging van het endotheel door:
- mechanische factoren: hoge bloeddruk, turbulentie van de bloedstroom, …
- humorale factoren: AII, stresshormonen (NA, A), CO (roken) en LDL-chol
Er bestaat dus een verband tussen de epidemiologisch vastgestelde risicofactoren en hun invloed op het epitheel.
4.3 Pathogenese van atherosclerose
Herhaalde endotheelletsels leiden tot blootstelling van intima en verandering in functie en permeabiliteit van het endotheel, zodat bloedplaatjes zich aan het subendotheel hechten en lipiden (cholesterol) de intima infiltreren.
4.3.1 Lipideninfiltratie
Opstapeling van schuimcellen in de intima wordt dus beschouwd als de initiële stap in de ontwikkeling van atherosclerotische letsels. Deze schuimcellen zijn zowel macrofagen als gladde spiercellen die talrijke vetdruppels in hun cytoplasma bevatten.
Cel: cholesterol zelf maken en cholesterol uit het bloed opnemen (cholesterol is dus zeer belangrijk voor de cel).
LDL bij de geboorte:
- 30-40 mg/dl
- Max. zelf cholesterol maken omdat er weinig LDL in bloed zit
- Max. aantal LDL-receptoren openzetten om tekorten LDL in het bloed op te vangen
LDL na 2 weken:
- 75-80 mg/dl
- Meerdere LDL-receptoren sluiten omdat er meer LDL in bloed zit → afremmen
LDL student:
- 115-125 mg/dl
Probleem: macrofagen in intima hebben geen LDL-receptoren!
→ Wel alternatieven = Scavenger recpetor
LDL kan hierop niet binden → ox-LDL wel = oxidatie van Apo B-100 op LDL
Deze Scavenger receptor wordt niet zo strikt geregeld omdat deze niet reageert op hoge concentratie LDL in de cel → gevolg = opstapeling LDL in intima
4.3.2 Bloedplaatjes
Als bloedplaatjes aan endotheel gaan kleven scheiden deze stoffen uit die langskomende bloedplaatjes doen samenklonteren. Deze stoffen zijn ondermeer adenosine-difosfaat (ADP) en tromboxaan (TXA2).
→ Ontstaan murale thrombus!
Geactiveerde bloedplaatjes = ↑ afscheiding groeifactoren (platelet derived growth factor) → zet gladde spiercellen aan tot proliferatie + stimuleert migratie van deze stoffen tot in de thrombus.
Ox-LDL stimuleert adhesie bloedplaatjes → lipideninfiltratie en bloedplaatjesadhesie zijn complementaire processen → een gevorderd letsel ontstaat.
4.3.3 Langzame en snelle componenten van bloedvatobstructie
Plaquevorming kent telkens fasen van schade en herstel waarbij endotheel weer glad over de knobbel heengroeit = traag proces (vergt jaren).
Scheuren in fibreuze kap van plaque → bloedingen in lipidenkern en thrombusvorming bovenop plaque = snel proces (in enkele uren of dagen).
→ Leiden tot een plotse en vaak volledige vernauwing van het bloedvat en daardoor tot hartinfarct door myocardischemie.
Hoofdstuk 2: Arteriële hypertensie
1.Algemene begrippen
1.1 Definitie en prevalentie
Bloeddruk (BD)= de kracht die door het bloed wordt uitgeoefend per eenheid van vaatwandoppervlakte. Een druk van 100 mmHg betekent dat die kracht volstaat om een kwikkolom 100 mm hoog omhoog te stuwen
De hoogte van de bloeddruk wordt in onderlinge samenhang bepaald door:
- Het hartdebiet: slagvolume x hartfrequentie
- De perifere vaatweerstand
Bloeddruk = hartdebiet x perifere vaatweerstand
Hypertensie = verandering hartdebiet en/of verandering perifere vaatweerstand
Stijging perifere vaatweerstand is belangrijkste afwijking bij hypertensie. Deze wordt beïnvloedt door de straal van het bloedvat.
→ Als de straal met de helft afneemt, neemt de weerstand toe met een factor 16.
Regeling van hartdebiet en perifere vaatweerstand staan oiv veel factoren zoals natrium in voeding, nierwerking, sympatisch ZS, hormonen, erfelijkheid, ...
→ Hypertensie kan gevolg zijn van dysfunctie van elk van die factoren!
De systolische BD stijgt tot 80 jaar en diastolische BD tot 50 jaar om daarna te stabiliseren of licht te dalen (te wijten aan afname van elasticiteit van de grote slagaders).
Bij volwassenen bestaan 2 soorten hypertensie:
- systolo-diastolische hypertensie: BD ≥ 140/90 mmHg
- geïsoleerde systolische hypertensie: systolische BD ≥ 140 mmHg + diastolische BD < 90 mmHg
Richtlijnen BD bij volwassenen:
Systolische BD Diastolische BD
Normotensie
optimaal
normaal
hoog-normaal
< 120
< 130
130-139
en
en
of
< 80
< 85
85-89
Hypertensie
stadium 1
stadium 2
stadium 3
140-159
160-179
≥ 180
of
of
of
90-99
100-109
≥ 110
De epidemiologie van hypertensie kan zo worden samengevat:
- Arteriële hypertensie: 25-35% van de volwassen bevolking
- Prevalentie stijgt met de leeftijd: 60-70% personen ouder dan 70 jaar hebben hypertensie
- Hypertensie miskend bij 18-25% van de patiënten
- Hypertensie niet behandeld bij 20% van de patiënten
- Slechts 45% van de hypertensieve patiënten worden correct behandeld
- Arteriële hypertensie is 1 van de 5 componenten van metabool syndroom
1.2 Bloeddrukregulatie
Bloeddruk varieert in de loop van de dag, vnl bij fysieke activiteit, maar wordt binnen nauwe grenzen gehouden door ZS, RAAS, ...
Sympatische zenuwstelsel (acuut)
Noradrenaline (NA) → vasoconstrictie (BD↑)
Renine-Angiotensine-Aldosterone systeem
Renine (enzyme) splits angiotensinogeen tot angiotensine I. Dit wordt op zijn beurt omgezet in actief angiotensine II oiv angiotensine converting enzym ACE. AII is sterke vasoconstrictor waardoor BD↑ en wordt via AIII gedegradeerd tot inactieve producten. Zowel AII als AIII stimuleren vrijzetting aldosterone in bijnier. Aldosterone bevordert de Na-retentie en K-secretie. Na-retentie zorgt voor verhoging perifere weerstand. Dit systeem zorgt voor een verhoging van de BD.
Verschillende factoren beïnvloeden de bloeddruk via ondermeer hun effect op de vrijzetting van renine. De secretie van renine wordt bevorderd door: het sympatisch ZS, NaCl-depletie, BD-daling, … en de secretie van renine wordt onderdrukt door: BD-stijging, AII, NaCl-overlading, Ca en K uit de voeding, …
Prostaglandines
Prostacycline (in endotheel) = vasodilatator → bloeddruk ↓
Tromboxaan (in bloedplaatjes) = vasoconstrictor → bloeddruk ↑
2. Gezondheidsrisico
2.1 Symptomen en tekens
= meestal is hypertensie een asymptomatische aandoening die toevallig wordt ontdekt.
Meeste voorkomende klachten zijn:
- Occipitale pulserende hoofdpijn
- Vertigo (draaierigheid)
- Oorsuizen
Deze komen voort uit de complicaties van hypertensie: angina pectoris (angor), CVA, infarct, inspanningsdyspnoe of orthopnoe (hartfalen), scotomen (oculaire bloedingen of exsudaten in het netvlies) en nierfalen.
Terecht noemt men arteriële hypertensie vaak ‘de stille doder’.
2.2 Verwikkelingen
Classificatie van hypertensie in functie van de aantasting van doelorganen:
- Stadium 1: geen objectieve orgaanaantasting
- Stadium 2: (en/of)
Linkerventrikelhypertrofie
Proteïnurie
Creatinine 1,2-2 mg/dl
Echografisch of radiologisch bewijs van atherosclerotische plaques
- Stadium 3: symptomatische orgaanbeschadiging
Hart: angor, MI, hartfalen
Hersenen: TIA, RIND, CVA, HT-encefalopathie
Ogen: retinopathie, bloedingen en exsudaten
Nieren: S creatinine > 2 mg/dl
Bloedvaten: claudicatio intermittens, dessecerend aneurysme (= insijpelen bloed in bloedvatwand)
Linkerventrikelhypertrofie: toename massa van het linker ventrikel, kan aangetoond worden met echocardiografie bij 50% van de niet behandelde hypertensiepatiënten.
Renale dysfunctie: gevolg van sclerose van kleine slagaders en intrarenale arteriolen.
Microalbuminurie: gevolg van intraglommerulaire hypertensie, gaat proteïnurie vooraf (→ vooral bij diabetici).
3. Etiologie (= oorzaak)
Talrijke factoren kunnen aan de basis liggen van een stijging van de bloeddruk: de omstandigheden van de bloeddrukmeting, erfelijkheid, levenswijze, voedingsgewoonten, ziekten, bepaalde GM, …
3.1 Wittejashypertensie
Bloeddruk die verhoogd is als hij wordt gemeten door arts in praktijk of ziekenhuis, terwijl hij normaal is bij ambulante meting of bij een meting thuis uitgevoerd. Dit treft men aan bij ongeveer 20% van de lichte gevallen van hypertensie.
3.2 Secundaire hypertensie
Als een ziekte of organische aandoeningen aan de basis ligt van de arteriële hypertensie. Het gaat om zeldzame ethiologieën die men slechts bij < 5% van de patiënten met een te hoge BD kan aantonen.
3.2.1 Nieren
Oorzaken renovasculaire hypertensie: 1 of meerdere atherosclerotische vernauwingen van de renale arteriën (→ stenose vermindert renale perfusie → nier probeert bloeddruk op te drijven door RAAS) of fibromusculaire dysplasie.
3.2.2 Bijnieren
Sommige tumoren van de bijnier kunnen vrijstelling bevorderen van hormonen die de bloeddruk opdrijven.
Primair hyperaldosteronisme door goedaardig adenoom van Conn of corticale hyperplasie: aldosterone stijgt → Na en water-retentie + K-secretie.
Het feochromocytoom is een meestal goedaardige tumor van het bijniermerg die een stijging van de circulerende catecholamines veroorzaakt (NA en A = stresshormonen).
Bij het syndroom van Cushing is er overproductie van corticoïden door stoornissen in bijnierschors zelf, in de hypothalamus of in de hypofyse of zelfden door tumoren.
3.2.3 Andere vormen
Er bestaan nog talrijke andere oorzaken van secundaire hypertensie.
- GM
- Laurierdrop (snoephout)
- Glycerisinezuur (Stimerol)
- Orale contraceptiva (verhogen BD licht, maar leiden niet tot hypertensie)
- Erfelijke afwijkingen
3.3 Essentiële/primaire hypertensie
Wanneer er geen specifieke oorzaak kan worden gevonden. Het is deels genetisch bepaald en deels het gevolg van milieu-invloeden.
Bepaalde aspecten van levenswijze bevorderen verhoging van de bloeddruk:
- een sedentair leven
- centrale obesitas
- hoge zoutinname
- een overconsumptie van alcohol
4. Is de behandeling van hypertensie effectief voor preventief van hart- en vaatziekten?
Behandeling van hypertensie zorgt voor een lager aantal cardiale en cerebrovasculaire incidenten en een daling van de incidentie van chronisch hartfalen.
Meta-analyse van 17 prospectieve, gerandomiseerde studies met placebocontrole, waarin 48 000 patiënten opgenomen waren, toonde aan dat een daling van de diastolische BD met 5-6 mmHg gedurende 5 jaar lang, gepaard gaat met een reductie van 38% van het aantal cerebrovasculaire accidenten en 16% van de fatale of niet fatale coronaire accidenten.
5. De niet farmacologische behandeling van essentiële hypertensie
De interesse voor een niet-medicamenteuze behandeling van hypertensie resulteert gedeeltelijk uit problemen met de farmacologische behandeling:
- nevenwerkingen
- kostprijs
- slechte therapietrouw: 50% van de patiënten nemen na 1 jaar behandeling nog regelmatig hun medicatie in
Bovendien passen de voorgestelde maatregelen perfect in de globale multifactoriële preventiestrategie van ischemische hart- en vaatziekten.
5.1 Vermagering
5.1.1 Lichaamsvet
Systolische en diastolische bloeddruk stijgt als BMI stijgt. Een hoge energie-inname en een sedentaire levensstijl stimuleren ook het sympatische ZS, een verhoogde activiteit van het sympatisch ZS leidt tot wandhypertrofie van de perifere bloedvaten en zo via toename van perifere vaatweerstand tot hypertensie.
5.1.2 Vetverdeling
Centrale vetopstapeling gaat gepaard met glucose-tolerantie en hyperinsulinemie.
- Insulineresistentie bevordert Na-rententie: BD ↑ = hypertensie
- 1 kg vermageren = daling syst BD met 1,6 mmHg en diast BD met 1,3 mmHg
- Bij hypertensieve patiënten laat vermagering toe de dosis van medicatie te verminderen
- Bij patiënten met hoog-normale BD beperkt gewichtreductie de evolutie naar hypertensie, behoud van vermagering van > 4,5 kg na 3 jaar: daling incidentie van hypertensie met 65%
5.2 Gezonde voeding
5.2.1 Vegetarische voeding
Vegetariërs hebben een lagere gemiddelde bloeddruk en minder vaak hypertensie. Welke voedingsbestanddelen voor het gunstig effect verantwoordelijk zijn is vooralsnog onduidelijk.
Mogelijke kandidaten zijn:
- Vezels
- Plantaardige eiwitten
- Complexe KH
- PUFA’s (meervoudige onverzadigde vetzuren)
- Antioxidantia
- K
- Mg
Vegetariërs hebben daarnaast ook een lager lichaamsgewicht, alcoholgebruik en een hogere fysieke activiteit dan algemene bevolking.
5.2.2 DASH: Dietary Approaches to Stop Hypertension
DASH-onderzoek in USA: gerandomiseerde, gecontroleerde multicenter onderzoek met 459 personen met normale of hoog-normale BD of met stadium 1 hypertensie.
→ 3 weken controle dieet: weinig groenten, fruit en zuivelgehalte, vetgehalte typisch voor USA
Daarna 8 weken 1 van de 3 studieschema’s:
- verder met controle dieet
- een dieet met extra groenten en fruit
- een dieet met extra groenten en fruit, vis, noten, vetarme zuivel en globaal verlaagd gehalte aan totaal en verzadigd vet
Nutriënten Controle Groenten + fruit Combinatie
dieet dieet DASH-dieet
Vetten (EN%) 37 37 27
VV 16 16 6
MUFA 13 13 13
PUFA 8 8 8
KH (EN%) 48 48 55
Ew (EN%) 15 15 18
Chol (mg/dag) 300 300 150
Vezels (g/dag) 9 31 31
K (mg/dag) 1700 4700 4700
Mg (mg/dag) 165 500 500
Ca (mg/dag) 450 450 1240
Na (mg/dag) 3000 3000 3000
Na was identiek bij elk dieet + alle diëten waren isocalorisch + in een centrale keuken bereid.
Effecten op bloeddruk
Groenten en fruit Combinatie
Systolische BD - 2,8 mmHg - 5,5 mmHg
Diastolische BD -1,1 mmHg - 3,0 mmHg
Bovendien gaf het combinatie DASH-dieet een 9% LDL-cholesterol daling.
5.2.3 Natrium
Onderzoeken hebben aangetoond dat er een verband bestaat tussen de Na-inname en BD.
Zo zal een lagere inneming van Na resulteren in een lagere systolische BD:
- Bij normotensieve personen: - 1 tot 2 mmHg
- Bij hypertensieve personen: - 3 tot 6 mmHg
Hiervoor zijn wel grote veranderingen nodig in de Na-inname: - 2 tot 4 g/dag (x 2,5 voor hoeveelheid keukenzout in g).
Per g vermindering van Na-inname betekent dit:
- Bij normotensieve personen: max. - 1 mmHg
- Bij hypertensieve personen: max. - 2,5 mmHg
Bij de diastolische BD vermindering Na-inname:
- Bij normotensieve personen: niet met zekerheid aan te geven of er een daling is
- Bij hypertensieve personen: - 1,8 mmHg
De geschatte Na-inname in België is 3,4-3,6 g/dag, in Nederlands 3,7 g/dag
Uitscheiding van Na in urine is 95% van de inname → geschatte inname: 24-uurs urinaire Na excretie/0,95.
Bevolking
Nederlandse Gezondheidsraad: vermindering Na-inname van 3,7 naar 3 g (- 20%) = daling systolische BD met max. - 0,9 mmHg, diastolische BD met max. - 0,6 mmHg.
Daling systolische BD met 1 mmHg = daling sterfte 1,5 à 3% (= niet echt veel).
Vlaanderen: over 5 jaar met voorlichtingscampagnes en vermindering van het zoutgehalte in brood → daling Na-inname van 8% gerealiseerd (= zelfs met grove middelen niet echt veel).
Individu
Na-inname reduceren met 25-40%:
- 20% Na van nature aanwezig
- 30-40% huishoudelijk toegevoegd
- 40-50% bedrijfsmatig toegevoegd
→ 80% komt in aanmerking voor verlaging (niet de van nature aanwezig)
→ huishoudelijk en bedrijfsmatig toegevoegd zout verminderen zonder gevolgen van acceptatie, houdbaarheid en productiewijze van de voedingsmiddelen.
Bij zoutgevoelig personen kan een vermindering van keukenzoutgebruik een zinvolle bijdrage leveren.
Als vervolg op DASH-onderzoek is het DASH-Natrium onderzoek uitgevoerd: 412 personen gerandomiseerd naar controledieet en gecombineerd DASH-dieet.
Voor beide voedingen werd het bloeddrukeffect van 3 niveaus van Na-inname gedurende 30 dagen bestudeerd (3,3 of 2,5 of 1,5 g Na → mmol Na = mg/23). Voor elk niveau waren systolische en diastolische BD lager bij het gecombineerd DASH-dieet.
Met natriumbeperking waren bij zowel controle als gecombineerd DASH-dieet de systolische en diastolische BD verlaagd. Nochtans was er bij het DASH-dieet een kleinere bloeddrukdaling tijdens de Na-beperking.
→ Zoutbeperking lijkt dus van minder belang voor de BD bij personen die reeds een gezond voedingspatroon hebben. Bloeddrukverschil was het grootst wanneer men een laag natrium- DASH dieet vergeleek met een hoog natrium controle dieet.
5.2.4 Kalium, Calcium, Magnesium
5.2.4.1 K
Een hogere K-inname verlaagt de bloeddruk. In meta-analyse van 33 studies was er een gemiddelde daling van:
- Systolische BD: - 4,5 mmHg
- Diastolische BD: - 2,5 mmHg
Het effect is het grootst bij personen van het zwarte ras, bij hypertensieven en bij een hoge Na-inneming.
Waarschijnlijk kan het bloeddrukverlagend effect van ‘groenten en fruit dieet’ aan deze hogere K-inname worden toegeschreven.
Aanwijzingen dat Na niet zozeer van belang is voor bloeddruk, maar wel de verhouding Na/K.
Na/K balans kan gewijzigd worden door keukenzout te vervangen door mineraalzout met een laag Na gehalte en hoog K en Mg gehalte.
→ Bij zoutgevoelige onderzoekspopulatie resulteert dit in bloeddrukdaling.
Opgelet: bij personen met verhoogd risico op hyperkaliëmie moet men opletten met deze mineraalzouten of met kaliumchloride supplementen.
5.2.4.2 Ca en Mg
In observationele studies: hogere inname Ca en Mg = lagere BD
In interventiestudies: effecten klein en niet consistent
=> geen Ca/Mg supplementen geven met het doel BD te verlagen.
5.2.5 Andere nutriënten
Voedingsvezels, complexe KH, OVVZ en eiwitten → bloeddrukverlagend effect
Cafeïne heeft een acuut pressoreffect en een individueel en sterk variërend chronisch bloeddrukverhogend effect.
5.2.6 Ethanol
Consumptie van > 3 eenheden alcohol/dag verhoogt de bloeddruk.
Bij reductie van 1 eenheid/dag = daling systolische en diastolische BD: ± 1 mmHg.
→ Zonder contra-indicaties zijn bij vrouwen 1 eenheid en bij mannen 2 eenheden toegelaten.
5.2.7 Fysieke activiteit
Aerobe fysieke activiteit, waarbij hart- en ademfrequentie stijgen, doet de bloeddruk dalen.
Bij hypertensieven:
- Systolische BD: - 7 mmHg
- Diastolische BD: - 5 mmHg
Aanbevolen: > 3-5 x /week 20-60 minuten aan 60-90% van max. hartfrequentie
Medische begeleiding aanbevolen bij:
- ouderen
- personen met hoog risico voor ischemische hart- en vaat ziekten
- patiënten met secundaire preventie
Nu ook: krachtsport = bloeddrukverlagend effect.
5.2.8 Samenvatting
Maatregel Aanbeveling Systolische BD-daling
Vermagering - 5 à 10% gewicht op 6 maanden 5-20 mmHg/10 kg
Gezonde voeding
DASH
Natrium
extra groenten, fruit, vis, noten, vetarme zuivel, beperking totaal en VV
< 2,4 g Na/dag
< 6 g keukenzout/dag
8-14 mmHg
2-8 mmHg
Fysieke activiteit aerobe activiteit
> 30 min/dag 4-9 mmHg
Alcohol man ≤ 2 eenheden/dag
vrouw ≤ 1 eenheid/dag 2-4 mmHg
Hoofdstuk 3: Dyslipoproteïnemie
1. Lipoproteïnen
1.1 Definities
Lipiden en vetten = stoffen die onoplosbaar zijn in water, oplosbaar in organische oplosmiddelen + die esters van vetzuren kunnen vormen.
Lipiden bestaan ondermeer uit triglyceriden, fasfatiden en sterolen.
In het lichaam zijn lipiden van belang omdat zij:
- Essentiële onderdelen zijn van celmembranen (fosfolipiden en cholesterol)
- Energiereserve (TG in vetweefsel)
- Bouwstenen van stoffen met belangrijke biologische activiteit zoals hormonen (steroïden), prostagladines en vitaminen (D)
Vetten = eetbare componenten in de voeding met als functie:
- Levering van energie
- Drager van de vetoplosbare vitaminen (A, D, E en K)
- Drager van essentiële vetzuren
Transport doorheen bloedbaan met lipoproteïnen: macromoleculaire complexen van eiwitten en lipiden.
Een lipoproteïnedeeltje bestaat uit:
- Een kern: triglyceriden (TG) en veresterd cholesterol (CE)
- Een schil (monolaag): vrij cholesterol (VC) en fosfolipiden (FL)
Apo’s, receptoren, enzymes → hier gaan de problemen zich bevinden!
Lipoproteïnen worden samengehouden door gespecialiseerde eiwitten: apoproteïnen (apo’s).
Apoproteïnen → zorgen voor structuur + geven richting aan het transport door zich te binden aan specifieke receptoren op de wand van de cellen en door enzymen te activeren. Die dan op hun beurt in de bloedbaan het lipoproteïnen metabolisme beïnvloeden.
1.2 Indeling lipoproteïnen
Al naargelang de hoeveelheid lipiden en apoproteïnen die ze bevatten kan de soortelijke massa (densiteit) van de lipoproteïnen variëren van < 0,94 tot 1,21 g/ml.
Indeling van de lipoproteïnen gebeurt op grond van hun densiteit:
- Chylomicronen: voedingsvet van de darm → vetweefsel, spier en lever
- VLDL (Very Low Density Lipoproteins): TG vanuit de lever → vet- en spierweefsel
- LDL (Low Density Lipoproteins): VLDL uit lever afkomstig chol → perifere weefsels
- HDL (High Density Lipoproteins): chol van perifere weefsels → lever
Samenstelling van de lipoproteïnen
Chylomicronen VLDL LDL HDL
Densiteit < 0,94 0,94-1,006 1,006-1,063 1,063-1,210
Electroforese oorsprong pre-beta beta alfa
Diameter 80-1000 30-80 19-25 6-11
Gewicht%
TG 90-95 50-65 6-12 3-8
Chol ester 2-4 8-14 35-45 10-20
Chol vrij 1 5-8 6-10 1-6
FS 2-6 12-18 22-26 25-40
Apo’s 1-2 5-10 22-26 36-55
waarvan:
A-I 33 / / 62-65
A-II / / / 10-23
B-48 5-8 / / /
B-100 / 30-40 > 95 /
C’s 32 40-50 / 5-15
E 10 15 / 1-3
2. Normale lipoproteïnen stofwisseling
Het vrachtvervoer van lipiden in het bloed is zeer effectief en dynamisch. Het verloopt volgens verschillende kringlopen:
2.1 Exogeen vettransport
Chylomicronen (CM) vervoeren voedingvetten van de darm naar de lever. Tijdens dit proces worden een deel van de TG opgenomen in vet- en spierweefsel. Hiervoor moeten de TG wel gesplitst worden, dit gebeurd door LPL, dat aanwezig is in de capillairen. De activiteit van LPL wordt bevorderd door insuline. De vrijgekomen vetzuren worden gebruikt voor opslag of verbranding van energie.
Zodra de CM in het bloed terecht komen worden Apo C’s en E vanuit HDL overgedragen op de CM. Dit zorgt voor activatie van LPL. Na lipolyse worden Apo C’s en E terug overgedragen op HDL samen met de vrijgekomen oppervlakte componenten zoals vrij cholesterol (VC) en fosfolipiden (FL).
Na deze lipolyse blijven er CM-remnants over. Deze worden door de lever uit de circulatie gehaald via interactie van de remnant met een voor Apo E specifieke receptor, de Apo E-receptor, op de hepatocyten.
De Apo E-receptor is nauwelijks geregeld, dit wil zeggen dat op een overaanbod van voedingsvetten geen rem staat op de aanvoer naar de lever.
De halfwaardetijd van CM is ongeveer 15 minuten, er zijn in nuchtere toestand geen CM in de bloedbaan (BB) aanwezig.
2.2 Endogeenvettransport: VLDL-IDL-LDL cascade
TG en cholesterol worden vanuit de lever naar de perifere weefsel gebracht. De lipiden in VLDL, dat in de lever wordt aangemaakt, komen enerzijds van CM-remnants en anderzijds van vetzuren van endogene oorsprong (vetweefsel en lever).
VLDL katabolisme: overdracht van Apo C’s en E vanuit HDL. VLDL ondergaat lipolyse door LPL zodat TG worden afgesplitst en oppervlaktecomponenten (VC, FL) terug naar HDL worden overgedragen. De oppervlakte componenten dienen als bouwstenen voor HDL. VLDL heeft halfwaardetijd van 6-12 u. In nuchter plasma is er minder VLDL dan postprandiaal.
Uit VLDL ontstaat een kleiner deeltje IDL, dit wordt gedeeltelijk in de lever opgenomen (50%) via de Apo E receptor en gedeeltelijk in LDL omgezet. LDL is rijk aan cholesterol en FL.
LDL heeft halfwaardetijd van enkele dagen. Twee mechanismen staan in voor het katabolisme van LDL: 75% van LDL-deeltjes worden via Apo B-100, Apo E-receptor op de meeste cellen geklaard. De rest wordt opgenomen in de verschillende weefsel via de Scavenger-pathway (= niet Apo B-100, Apo E klaring, wel langs macrofagen en histiocyten).
Wat gebeurt er verder met de LDL in de cellen.
LDL bevat Apo B-100 dat wordt herkend door LDL receptor en wordt zo in de cel opgenomen. In de cel wordt Apo B-100 door lysosomale enzymen afgebroken tot AZ. De cholesterolester (CE) uit LDL wordt door cholesterolasterase gesplitst in vrij cholesterol (VC) en vetzuren (VZ).
Toename van VC in de cel heeft 3 gevolgen:
- Intracellulaire cholesterol aanmaak wordt onderdrukt omdat enzyme HMG-CoA reductase wordt onderdrukt
- VC wordt als veresterd cholesterol in reserve opgeslagen oiv het enzyme acyl-CoA: ACAT cholesterol acyltransferase
- Activiteit LDL-receptoren worden via ‘feedback’ verminderd
De LDL receptor wordt dus streng geregeld:
- Bij te laag gehalte intracellulair cholesterol → LDL opengezet → stijging opname cholesterol vanuit circulatie = plasmacholesterol ↓
- Bij te hoog gehalte aan intracellulair cholesterol → LDL receptoren sluiten = plasmacholesterol ↑
Bij dit alles primeert dus het constant houden van het cholesterolgehalte in de cel. Dit gebeurt ten koste van een hoge plasmacholesterol en zal dus zorgen voor een hoger risico op atherosclerose.
2.3 Het HDL-systeem
2.3.1 Metaboslisme HDL
HDL precursoren: schijfvormige deeltjes, samengesteld uit VC, FL en Apo’s. Zij ontstaan:
- door het vrijgekomen van oppervlakte componenten bij hydrolyse van VLDL en CM
- uit complexen van vrije apoproteïnen en FL
- door hepatische of intestinale secretie
Na opname van VC uit weefsel en uit andere lipoproteïnen → oiv LCAT (lecithin cholesterol acyltransferase) veresterd VC → CE worden opgeslagen in de kern → sferische HDL3.
Verdere inbouw VC, FL, Apo A, C en E, die vrijgekomen bij hydrolyse TG-rijke lipoproteïnen en verestering van VC door LCAT → grotere minder dense HDL2.
Diverse processen dragen bij tot het katabolisme van HDL
1) transfert van CE naar lipoproteïnen (VLDL, LDL) oiv CETP (cholesterol ester tranfer protein)
2) rechtstreekse verwijdering door lever van FL, VC en deel van de apoproteïnen uit HDL2 oiv van HEL (hepatisch endotheliaal lipase). Hierbij wordt HDL 2 gerecycleerd tot HDL 3 waarbij de activiteit van HEL wordt beïnvloed door hormonen (oestrogeen, insuline, TSH)
3) opname in perifere weefsel (met name de endocriene organen en de nieren)
2.3.2 Functies HDL
- Omgekeerd cholesteroltransport: bij vorming van HDL wordt uit de perifere weefsels VC gehaald en wordt dit rechtstreeks of onrechtstreeks afgevoerd naar de lever. Daar dient cholesterol als bouwsteen voor galzuren, zodat cholesterol via stoelgang kan worden uitgescheiden
- Acceptorfunctie: HDL is ontvanger van oppervlakte componenten die vrijkomen bij klaring van TG-rijke lipoproteïnen
Opm: bij hypertriglyceridemie is klaring VLDL lager waardoor het aanbod oppervlakte componenten beperkt is = HDL ↓
- Donorfunctie: donor van apoproteïnen C’s en E
Opm: parentale (in de bloedbaan ingespoten) voeding toegediende lipidenemulsies bevatten geen apo’s, maar door de transfer van Apo C en E verloopt de klaring uit het bloed bijna even snel als van endogene TG-rijke partikels
- Bescherming LDL partikels tegen oxidatie: enzymes, gehecht aan HDL, beschermen LDL tegen oxidatie → bescherming atherosclerose
- Steroïdogenese (aanmaak hormonen met als bouwsteen cholesterol): HDL moduleert de productie van hormonen in de ovaria, testes en bijnieren
2.4 Een centrale rol voor de lever
De lever staat centraal in het lipoproteïnen metabolisme:
- Via de chylomicron-remnants ontvangt de lever voedingsbestanddelen en intestinaal geabsorbeerde cholesterol
- Door de lever worden exogene en endogene vetzuren ingebouwd in TG, die in VLDL naar de perifere weefsels worden gebracht
- Hepatisch cholesterol, van voeding of endogeen aangemaakt oiv HMG CoA-reductase, kan verschillende metabole wegen uitgaan:
opslag in lever als reserve in de vorm van ester
transport naar perifere weefsels via VLDL, IDL, LDL cascade
inbouw in galzuren of secretie samen met gal
- De lever is de uiteindelijke bestemming van het omgekeerd cholesterol transport via het HDL-systeem (het maakt galzuren aan waardoor de lever een bijdrage levert tot afvoer van cholesterol uit het lichaam).
3. Het gestoord lipoproteïnen metabolisme
Hyperlipoproteïnemie: wanneer door overmatige productie en/of vertraagde klaring uit de bloedbaan een ophoping van lipoproteïnen ontstaat.
Soms betreft de stoornis in het metabolisme eerder een kwalitatieve afwijking (aantal deeltjes is hetzelfde maar de kwaliteit verschilt) of zelfs een te laag bloedgehalte. Daarom wordt vaak de ruimere term dyslipoproteïnemie gebruikt.
Ontstaan:
- Erfelijk = primaire vorm
- Andere aandoeningen (GM, voeding) = secundaire vormen
→ Meestal het gevolg van interactie tussen genetische en omgevingsfactoren.
Het lipidenprofiel van een persoon is het resultaat van enerzijds de leef- en voedingsomstandigheden van dat ogenblik en anderzijds van het genetisch bepaald potentieel van het individu om (via enzymen, transfert eiwitten, receptoren, …) met die wisselende omstandigheden om te gaan.
3.1 Historiek. Indeling van Fredrickson volgens fenotype
In 1967: Fredrickson → indeling patiënten met hyperproteïnemie ovb totaal cholesterol, TG en semi-kwantitatieve schatting van de lipoproteïnenklassen door electroforese.
→ Er werden 5 fenotypes onderscheiden (I, II, III, IV, V)
Indeling: louter descriptief → geen aanduiding over pathogenetische mechanismen.
Type Totaal cholesterol TG Verhoogd lipoproteïne Electroforese
I normaal +++ CM CM
IIA +++ normaal LDL beta band
IIB +++ ++ LDL en VLDL prebeta, beta
III +++ ++ IDL brede beta
IV normaal ++ VLDL prebeta
V + +++ VLDL en CM prebeta, chylo
Types uitgelegd:
- Type I: geïsoleerde hypertriglyceridemie met een normaal cholesterol + ↑ TG
- Type IIA: zuivere hypercholesterolemie met als probleem een te hoog LDL
- Type IIB: gemengde hyperlipidemie met ↑ cholesterol + ↑ TG
- Type III: gemengde hyperlipidemie net zoals type IIB
- Type IV: zuiver hypertriglyceridemie met te hoog VLDL
- Type V: geïsoleerde hypertriglyceridemie met een licht gestegen cholesterol + ↑ TG
→ Het is een tijdelijke weergave en geeft niet weer wat de oorzaak ervan is.
3.2 Indeling volgens ziektetype en pathogenetische mechanismen
3.2.1 Primaire (erfelijke) vormen
Zuiver genetische dyslipoproteïnemie zijn eerder zeldzaam: 1 tot 2% van de bevolking.
3.2.1.1 Familiale hypercholesterolemie (= type II)
Deze autosomaal dominante ziekte komt voor in heterozygote vorm bij 1/500 personen.
2 soorten problemen door mutatie:
- ½ van de LDL receptoren geproduceerd → vertraagde klaring LDL
- Samenstelling Apo B-100 gewijzigd
LDL is geïsoleerd > 200 mg/dl (totaal cholesterol > 300 mg/dl)
- Is al voor/bij de geboorte aantoonbaar
- Deze patiënten kunnen peesxanthomen ontwikkelen = LDL opstapeling in de pezen zodat er onderhuids knobbels ontstaan
- Hebben 50% kans om voor 60 jaar MI te krijgen
Homozygote patiënten hebben 2 mutaties. Extreem hoge cholesterolwaarden (700-1200 mg/dl) leiden al op kinderleeftijd tot uitgebreide xanthomen + MI op 6 jaar.
Behandeling van deze kinderen: transplantatie van de lever (want lever heeft centrale rol). Er is geen probleem met concentratie van het LDL in het bloed, het probleem zit hem in de LDL-R.
3.2.1.2 Familiale dysbetalipoproteïnemie (= type III)
Apo E mutatie veroorzaakt ophoping van CM en van IDL in het plasma. Er zijn 3 hoofdvormen van Apo E bekend: Apo E-2, -3, -4.
Er zijn 6 genotypen mogelijk:
- E2/E2: dysbetalipoproteïnemie patiënten zijn homozygoot voor Apo E2 (1%)
Geen goede opname door receptoren → opstapeling VLDL.
Ontstaan van VLDL overproductie door voeding, alcohol, DMII, abdominale obesitas en oestrogenen.
- E2/E3
- E3/E3: komt vaakst voor (62%)
- E3/E4 + E4/E4 + E4/E2: 1 of 2 allelen voor Apo E4 → hoger LDL + ↑ kans op Alzheimer (20-25% van de bevolking)
→ Apo E is van belang voor de werking van zenuwcellen
3.2.1.3 Familiale gecombineerde hyperlipidemie
= vaakst voorkomende erfelijke stoornis (1/100), komt pas na 20e-30e levensjaar tot uiting.
Binnen 1 familie:
1/3 ↑ LDL (IIA); 1/3 ↑ VLDL (type IV) en 1/3 ↑ LDL + VLDL (type IIB)
→ Verschillende fenotypes kunnen bij dezelfde patiënt voorkomen
Oorzaak: overproductie van VLDL door de lever.
3.2.1.4 Familiale hypertriglyceridemie (= type IV, V)
= ↑ VLDL en/of (in ernstige gevallen) van CM.
- Komt tot uiting na 30ste levensjaar
- Geen ↑ atherosclerose
- Wel acute pancreatitis TG-gehalte > 600-800 mg/dl door ↑ VLDL secretie oiv alcohol, diabetes, centrale vetopstapeling, hypothyroïedie en GM (orale contraceptie en diuretica)
Oorzaak: overproductie van TG-rijke VLDL partikels die snel worden geklaard uit het bloed + ↓ productie van LDL.
3.2.1.5 Familiale LPL op Apo C-II deficiëntie
= Zeldzaam: ophoping van CM en grote VLDL partikels (= type I)
- Door ontbreken van de lipolyse hebben deze patiënten een melkwit serum, eruptieve xanthomen, lever- en miltvergroting, buikklachten en aanvallen van pancreatitis
- Geen ↑ atherosclerose
3.2.1.6 Samenvatting
Type Oorzaak Risico Voorkomen
Atherosclerose Pancreatitis
Familiale hyperchol
Homozygoot
Heterozygoot IIA Defect LDL-R of Apo B100
++++
+++
0
0
1:1 miljoen
1:500
Familiale dysbetalipo-proteïnemie III Defect Apo E + VLDL overproductie ++ 0 1:5000
Familiale gecombineerde hyperlipidemie IIA
IIB
IV Overproductie VLDL-ApoB ++ 0 1:100
Familiale hypertriglyceridemie IV
V Overproductie VLDL-TG + gestoorde klaring van VLDL ? + 1:500
Familiale LPL of apo C-II deficiëntie I LDL of apo CII ontbreekt ? ++ 1:1 miljoen
3.2.2 Secundaire dyslipoproteïnemie
Hypercholesterolemie:
- Hypothyroïdie (LDL-R heeft T4/3 nodig)
- Galwegenobstructie
- Anorexia nervosa
Hypertriglyceridemie
- DM II
- Centrale vetopstapeling
Gemengde dyslipidemie
- Nierziekten (nefrotisch syndroom/ nierfalen)
GM
- Orale anticonceptiva
- Thiazide diuretica
- β-blokkers
- HIV proteaseremmers
- Retinoïnezuurderivaten
Voeding
- Alcohol = ↑ VLDL productie → genetische aanleg voor dyslipidemie ↑
Slechts bij een minderheid kan een duidelijk primaire of secundaire etiologie aangetoond worden. 1/6 heeft polygenetische aanleg + voeding met overmaat aan VVZ. Door hoge aanbod van VVZ en cholesterol wordt de hepatocyt overspoeld met vetten en cholesterol: de Apo E receptor staat niet onder strikte feedback controle: IC vrij cholesterol ↑ + LDL-R ↓ = hypercholesterolemie ↑.
Westerse voeding leidt tot een ‘ondergebruik’ van beschikbare LDL-receptoren. (LDL-R).
4. Epidemiologie
4.1 België
1979 tot 1984: BIRNH-studie → verband tussen voedingsgewoonten en cardiovasculaire risicofactoren voor 25-74 jarigen.
Totaal cholesterol (mg/dl) België Wallonië Vlaanderen
Man 323 239 228
Vrouw 235 234 238
Nu liggen deze waarden in Vlaanderen een stuk lager.
4.2 Lipiden en ischemische hart- en vaatziekten
Epidemiologische onderzoeken sedert Framingham onderzoek dat er voor wat betreft ischemische hart- en vaatziekten:
- een positief verband is tussen totaal cholesterol en LDL-cholesterol
- een negatief verband is met HDL-cholesterol
Er kan gesteld worden dat deze lipoproteïnen fracties atherogeen zijn:
- LDL
- Lp(a)
- Ox-LDL
- HDL (negatieve correlatie)
- TG-rijke LPL (lipoproteïnen)
Bij insuline resistentie
In associatie met klein, dens LDL en/of laag HDL
Postprandiaal
Hoe kan groot LDL (goed LDL) worden omgezet naar klein LDL (slecht LDL) bij hoge TG waarden?
Lipoproteïnen wisselen constant lipiden uit (= normaal). Stel TG ↑ boven drempel = meer uitwisseling lipiden = samenstelling LDL wijzigt (kwaliteitsverandering: TG↑, CE↓).
Probleem: TG in LDL worden aangevallen door HEL/LPL + afgebroken = TG↓ in LDL maar CE blijft constant = kleinere dense LDL gevormd.
Besluit: kwaliteit van LDL ↓ bij een hoge TG = kwaliteit HDL ↓ = vorming klein dense HDL → wordt makkelijk afgebroken in de nieren → HDL kan zijn functie niet meer uitvoeren. Dit gebeurt vooral bij insulineresistentie, centrale obesitas en diabetes.
5. Behandeling van dyslipoproteïnemie
5.1 Voeding
5.1.1 Inleiding: vetzuren
Vetzuur = koolwaterstofketens met aan de kop methyl en aan de staart een zure carboxylgroep. Het aantal C’s kan variëren van 2 tot 24. Verzadigde vetzuren: alle C’s zijn bezet met H-atomen
Mono- en polyonverzadigde vetzuren: met dubbele binding waarbij telken 2 H-atomen ontbreken → dubbele binding kan in de cis of de trans-vorm zijn.
VVZ en MUFA’s kunnen door lichaam worden gemaakt. PUFA’s linolzuur en α-linoleenzuur zijn essentieel omdat de enzymen ontbreken om tussen de methylgroep (aan de kop) en de 1e dubbele binding verder C-atomen in te bouwen → worden verder gemetaboliseerd door desaturatie (+ dubbele binding) en elongatie (+ 2 C-atomen aan carboxylzijde) oiv van desaturases en elongases.
PUFA’s met meerdere dubbele bindingen zijn bouwstenen voor eicosanoieden (leukotriënen, prostaglandinen en thromboxanen).
Archidonzuur (AA) -eicosanoieden = pro-inflammatoir en pro-aggregerend. Eicosapentaeenzuur (EPA, timnodonzuur) en docosahexaeenzuur (DHA, cervonzuur) -eicosanoieden = anti-inflammatoir en anti-aggregerend.
5.1.2 Overzicht
Zie apart blad
5.1.3 Energie
Eerst streven naar juist lichaamsgewicht. Bij een gestabiliseerde vermagering van 10%:
- TG ↓ 30%
- LDL ↓ 15%
- HDL ↑ 8%
5.1.4 Totaal vet en voedingscholesterol
Hoeveelheid energieprocent van vetten in België: 40%
Isocalorische substitutie van vetten tot KH: vetbeperking tot 30 EN% + minder VVZ + minder transvetzuren + meer KH = TG ↑, HDL ↓ + LDL ↓ + totaal cholesterol ↓.
Cholesterol beperking van belang? Efficiëntie van cholesterolabsorptie = 50%
Endogene cholesterol synthese past zich aan aan de wijzigingen in de aanvoer van cholesterol via de voeding → effect van voedingschol eerder beperkt: reductie van voedingschol met 200 mg/dag = totaal cholesterol - 5 mg/dl en LDL - 4 mg/dl.
30% van de bevolking is gevoeliger voor verschil in voedingscholesterol door minder adequate feedbackmechanismen → consumptie tot 1 ei/dag lijkt geen invloed te hebben op risico op cardiovasculair risico van gezonde personen (JAMA).
Besluit: voedingschol is een beperkte oorzaak van HVZ omdat ze zo’n aanpassingssystemen in het lichaam bestaan zodat de hoeveelheid cholesterol niet echt uitmaakt.
Dieet waarbij verzadigde vetzuren ↓ = beperking van cholesterol.
5.1.5 Onverzadigde vetzuren
5.1.5.1 n-6
Linolzuur komt vooral voor in vegetale oliën (zonnebloemolie, maïsolie, sojaolie) en noten.
Isocalorische vervanging van VVZ door n-6 vetzuren = totaal cholesterol ↓ + LDL ↓.
Hogere ratio van PUFA’s/VVZ = ↓ risico op ischemische HVZ omdat die de insulinegevoeligheid zou kunnen verhogen.
Aanbeveling: 4-8%
Waarom geen 20 EN% als ze dan toch zo goed zijn? → een teveel ervan kan leiden tot kanker of kan de ontwikkeling van kanker bevorderen.
5.1.5.2 n-3
Inuit Eskimos in Groenland: 400 g zeevoedsel/dag met veel n-3 vetzuren → tov Denen hebben ze minder coronaire hartziekten maar wel meer hersenbloedingen.
Zutphen studie in Nederland: > 30 g vis/dag over 20 jaar → 2,5 x minder coronaire hartziekten
→ Beschermend effect toe te schrijven aan gebruik van vette vis.
1-2 x/week vis = al beschermend effect:
- TG ↓
- aggregatie plaatjes ↓
- verbeterde endotheelfunctie
- anti-arrytmische effecten (minder hartritmestoornissen)
Waarom bevatten vis n-3 vetzuren?
Als ze verzadigde vetzuren zouden bevatten zouden ze verstijven in de koude zee.
Meer hersenbloedingen bij inuits?
Door het eten van n-3 vetzuren gaat de aggregatie van de plaatjes worden verminderd = stolling ↓ + bloedingneiging ↑ + hersenarteriën zijn hier gevoeliger voor.
Tegenargumenten: dioxines, zware metalen, ... in vissen → zou kunnen leiden tot toxicologische problemen => niet waar!
Lijnzaadolie, raapzaadolie, sojaolie en noten bron van n-3 vetzuren → rijk aan essentiële vetzuren α-linoleenzuur dat wordt gemetaboliseerd tot EPA en DHA.
Aanbeveling: 2 g/dag α-linoleenzuur en 200 mg/dag EPA + DHA.
5.1.5.3 MUFA’s
Werd lang als neutraal beschouwd = niet juist: isocalorische vervanging van verzadigde vetzuren door MUFA’s → totaal cholesterol ↓ + LDL ↓
In landen rond Middellandse zee minder HVZ, terwijl voedingspatroon vetrijke is maar de majeure bron is oliezuur. Olijfolie (naast archideolie, amandelolie, noten en avocados) belangrijkste bron van MUFA’s. Westers voedingspatroon: vleesproducten en vlees belangrijkste bron. MUFA’s zijn relatief resistent tegen oxidatieve modificatie.
Bij personen met matige hypertriglyceridemie (TG nuchter 150-400 mg/dl) en laag HDL zoals bij patiënten met DMII en/of metabool syndroom kan een gerichte verhoging van MUFA’s (tot 15 EN%) en reductie van EN% KH leiden tot correctie van de dyslipidemie.
→ Kan ook bij personen zonder dyslipidemie!
40 EN% vet: 16 EN% VV, 14 EN% MUFA (worden meegesleurd met VV) en 7-8 EN% PUFA.
Als VV ↓ = MUFA ↓ (daarom werken met olijfolie, arachideolie, ...).
5.1.6 Verzadigde vetzuren en transvetzuren
Verzadigde vetzuren: in boter, volle melk en volle melkproducten, vet vlees en vette vleeswaren.
Effect op serum lipiden:
- korte ketenvetzuren (tot C10:0) zijn niet atherogeen
- 12 tot 16 C-atomen: ↑ totaal cholesterol, ↑ LDL en ↑ HDL
- stearinezuur (C18:0): ↑ cholesterol in diverse fracties niet maar doet wel Lp(a) ↑ + verstoord fibrinolyse
Transvetzuren zijn isomeren van MUFA’s en PUFA’s waarvan structuur werd gemodificeerd door industriële hydrogenatie of biohydrogenatie in pensmaag van herkauwers.
Bronnen: zuivel, vlees en vleeswaren, olie en vetten, koeken en gebak, chips en frieten.
Gehalte aan transvetzuren in plantaardige margarines en frituurvetten is laatste jaren gedaald. In Nederland daalde de inneming van transvetzuren met 4 EN% in 1985 tot 2 EN% in 1995.
Verhogen cardiovasculair risico:
- ↑ LDL + ↓ HDL (in vgl met cis)
- Totaal cholesterol/HDL ratio 2x zo hard ↑ als verzadigde vetzuren
- ↑ Lp(a)
- ↑ TG
- Inhibitie enzyme Δ-6-desaturatie (geen vorming van onverzadigde vetzuren)
- Toename van insulineresistentie
5.1.7 KH en vezels
5.1.7.1 KH
Substitutie van verzadigde vetzuren door KH = ↓ HDL, ↓ LDL en ↓ totaal cholesterol, geen verandering van tot cholesterol/HDL ratio + ↑ TG.
5.1.7.2 Oplosbare vezels
2-10 g/dag
- ↓ totaal cholesterol (- 1,7 mg/dl)
- ↓ LDL (- 2,2 mg/dl)
- geen effect op HDL of TG
Klinisch is dit een beperkt effect: 3 g oplosbare vezels in havervlokken = 3 x 28 g vlokken = - 5 mg/dl totaal cholesterol en LDL.
5.1.8 Eiwitten
Vervanging van dierlijke eiwitten door soja-eiwitten (25-50 g/dag) = ↓ LDL 13% bij personen met hypercholesterolemie.
400 ml sojamelk + 100 g tofu = 30 g soja-eiwitten (grote inspanning voor klein effect).
5.1.9 Alcohol
Alcohol = ↑ HDL
1 eenheid/dag → risico op myocardinfarct ↓ 35%
> 1-2 eenheden = nadelig!
5.1.10 Besluit
Isocalorische omstandigheden is onderlinge uitwisseling van KH, verzadigde vetzuren, MUFA’s en PUFA’s = meest ingrijpende manier om serum lipiden te beïnvloeden. Vervanging van verzadigde vetzuren door KH niet zelfde effect als vervanging door PUFA’s en MUFA’s.
2 meta-analyses besluiten:
- 395 ‘metabolic ward’ experiment: vervanging 5 EN% verzadigde vetzuren door complexe KH, PUFA’s of MUFA’s heeft volgende effect:
Totaal chol LDL HDL
VVZ → KH - 10 - 7 - 6,6
VVZ → MUFA’s - 9,3 - 8,5 - 1,6
VVZ → PUFA’s - 15,1 - 11,2 - 1,6
- 60 publicaties: vervanging van 5 EN% KH door verzadigde vetzuren, transvz, MUFA’s of PUFA’s heeft volgend effect:
Ratio tot chol/HDL Totaal chol LDL HDL TG
KH → VVZ + 0,01 + 7,0 + 6,2 + 1,9 - 9,3
KH → transvz + 0,11 + 6,0 + 7,7 = =
KH → MUFA - 0,13 - 1,2 - 1,7 + 1,5 - 8,4
KH → PUFA - 0,16 - 1,4 - 3,7 + 1,2 - 11,5
5.2 Fysieke activiteit
Aerobe fysieke activiteit heeft bij stabiel gewichtsgunstig effect:
- ↓ TG-rijke lipoproteïnen + ↓ klein dens LDL + ↑ HDL
Voor de effecten op LDL en HDL is een hoge intensiteit van fysieke activiteit nodig.
5.3 Geneesmiddelen
5.3.1 Cholesterolsynthese remmers: statines
Statines inhiberen HMG-CoA (sleutelenzyme bij cholesterolsynthese).
= ↓ IC vrij cholesterolgehalte = ↑ LDL-R op celwand levercellen = ↑ klaring LDL
→ LDL verlagend effect van -20 à 60%
Nevenwerking: stijging CK en spieraantasting (rhabdomyolyse)
→ De tolerantie is zeer goed
5.3.2 Beperking v intestinale cholesterolabsorptie
5.3.2.1 Galzuurbindende harsen
Vormen complex met galzouten in de darm → entero-hepatische cyclus wordt onderbroken
→ galzuursynthese ↑ = ↓ IC VC gehalte = ↑ LDL-R = ↑ LDL klaring.
Daling LDL gehalte in serum niet zo groot als met statines omdat de endogene cholesterolsynthese zal toenemen ter compensatie.
Nevenwerkingen: gastro-intestinale klachten
5.3.2.2 Ezitimibe
Een inhibitor van de intestinale cholesterolabsorptie (25% wordt geabsorbeerd).
= ↓ VC + ↑ LDL-R = ↑ klaring LDL (LDL ↓ 20%)
→ De tolerantie is goed
→ Worden samen gebruikt met statines: ↓ absorptie + ↓ cholesterolsynthese in lever = ↑ LDL-R = ↓ LDL 70%
5.3.2.3 Sterolen/stanolen
= inhibitor intestinale cholesterolabsorptie door structurele gelijkenis met cholesterol treden ze in competitie met cholesterol.
Plantensterolen worden verwerkt in margarines, melk of yoghurt zonder effect op smaak en textuur → 2-3 g/dag = ↓ LDL 10-15%.
Zonder nevenwerkingen? Er is nog niet veel onderzoek gedaan naar de veiligheid van plantensterolen + risico op atherosclerose. Er is discussie!
5.3.3 Fibraten
↓ hepatische synthese van cholesterol + ↑ activiteit van LPL = ↓ TG + ↑ HDL.
5.3.4 Nicotinezuur
↓ TG + LDL en ↑ HDL.
Nevenwerkingen: vasodilatie (rode wangen).
Effecten op serum lipiden van GM
Fibraten Statines Harsen
LDL - 15-20% - 25-60% - 15%
HDL + 10-20% + 5-10% + 3%
TG - 25-40% - 15-30% + 10%
Combinatie van statines is mogelijk met andere klassen van GM, zij het onder bepaalde voorwaarden voor wat betreft fibraten.
6. Preventie van ischemische HVZ: preventie effectief?
Weten dat een variabele een risicofactor is, is één zaak. Aantonen dat het mogelijk is om met voeding, fysieke activiteit en/of GM de risicofactoren te beheersen is een andere. Uitdaging = bewijzen dat die beheersing van risicofactoren met behandelingsstrategie ook effectief de morbiditeit en mortaliteit voorkomt zonder toename van ander pathologie.
Cruciale vragen zijn dus:
- wat gebeurt er met de incidentie van ischemische hart- en vaatziekten?
- wat gebeurt er met cardiovasculaire sterfte?
- wat gebeurt er met de totale sterfte?
- is dit veilig op lange termijn
7.1 Voeding
‘Dieet-hart’ hypothese: verzadigde vetzuren en cholesterol en primordiale rol spelen in ontstaan HVZ → voedingaanbevelingen < 30 EN% vetten.
Nu heel wat argumenten dat deze hypothese te simplistisch is. Effecten van voeding op HVZ kan door heel wat meer mechanismen gemodieert worden dan enkel via serum lipiden.
Nu 35 EN% (omdat ongeveer 40 EN% is) → minder zwaar om naar 35 EN% te geraken.
Omdat er zoveel gekende mechanismen zijn is het nodig om de wetenschappelijke evidentie, waarbij naar harde klinische eindpunten (4 vragen) werd gekeken, te evalueren → zo kan men tot goed voedingsadvies komen.
7.1.1 Observationeel onderzoek
Vb. Nurse Health studie USA bij vrouwen
- 80 000 vrouwen
- 14 jaar lang
- extreem grondige voedingsinformatie
Relatieve risico (RR): 1,00 = standaard
95% BI betrouwbaarheidsinterval BI < 1,00
P > 0,005 = niet significant
Variabelen RR 95% BI P waarde
Cholesterol (elke ↑ met 200 g/1000 kcal) 1,12 0,91-1,40 0,29
Totaal vet (elke ↑ met 5 EN%) 1,02 0,97-1,07 0,55
VV (elke ↑ met 5 EN%) 1,17 0,97-1,41 0,10
Trans OVZ (elke ↑ met 2 EN%) 1,93 1,43-2,61 < 0,001
MUFA (elke ↑ met 5 EN%) 0,81 0,65-1,00 0,05
PUFA (elke ↑ met 5 EN%) 0,62 0,46-0,85 0,003
Bespreking tabel:
- Cholesterol ≠ risico HVZ: 12% extra kans maar P > 0,05 = niet significant
- Totaal vet ≠ risico: 2% extra kans maar P > 0,05 = niet significant
- VV ≠ risico: 17% extra kans maar P > 0,05 = niet significant
- TOVZ = risico ↑: 93% extra kans + P < 0,05 = significant
- MUFA = risico ↓: 19% minder kans + P = 0,05 = significant
- PUFA = risico ↓: 38% minder kans + P < 0,05 = significant
Vaststellingen:
RR op niet fatale + fatale ischemische coronaire ziekte niet significant gecorreleerd met totaal van VV of cholesterol, maar wel met trans OVZ. Er is een omgekeerd verband met MUFA’s en PUFA’s.
Besluit:
In Nurses Health studie per 5 EN% vervanging van VV door KH = ↓ coronaire hartziekten 17%.
Analoge vervanging door OVZ = ↓ 42%.
7.1.2 Interventieonderzoek
Interventie toevoegen: zeggen wat er moeten doen/eten/...
Interventieonderzoek in secundaire preventie met vetarme voeding → geen significante ↓ coronaire hartziekten
Alternatieven:
- Hoge ratio PUFA/VV: > 35 EN% en P:S ratio > 2 (of P:S ratio > 1,5 met reductie TOVZ): 4-8 jaar tijd ↓ 12-43% incidentie coronaire hartziekten
(Toch een hoog vetgehalte maar goede kwaliteit van vet = ↓ HVZ)
- Hogere inneming n-3 PUFA’s uit visolie (1,4 g DHA en EPA/dag): stabiliseren plaques
- Verhoogde inname n-6 VZ = geen effect. In secundaire preventie ↓ supplement n-3 PUFA’s over 1-2 jaar de incidentie van coronaire hartziekten (Laag gehalte aan n-3 PUFA’s over een korte periode in secundaire preventie = ↓ HVZ)
- Totale aanpak (DASH): hogere inname noten, groenten en fruit, volkorenproducten = ↓ coronaire hartziekten. Gezonde voeding (noten, groenten, fruit, volk producten) = onafhankelijke, negatieve predictor van HVZ (risicoverlagend effect). Componenten zoals vlees, boter, frieten, ... zijn positieve predictoren (hebben risicoverhogend effect)
Griekse cohort studie (20 000 gezonde volwassenen opvolging 3,5 jaar): Mediterrane voeding = beschermend effect.
Lyon heart study:
- Klassieke vetarme voeding (< 30 EN% vetten)
- Mediterraanse voeding (meer brood, fruit, groenten, vis gevogelte, minder vlees en boter) + supplement α-linoleenzuur
Indo-Mediterranean Diet Heart Study: gerandomiseerde single blind studie bij hoog risicopatiënten vetarme voeding > 30 EN% vetten vergeleken met vetarme voeding waarin extra fruit, groenten, noten, volkoren granen en mosterdolie als bronnen van α-linoleenzuur worden gebruikt = coronaire eindpunt lager dan de gewone vetarme voeding (volgens auteur).
→ Bleek uiteindelijk fraude te zijn!
Besluit:
Vervanging van VV en trans onverzadigde vetzuren door cis onverzadigde vetzuren is efficiënter voor HVZ dan klassieke vetarme, koolhydraatrijke voeding. In aanbevelingen dus minder nadruk leggen op totaal vetgehalte maar meer aandacht besteden aan type VZ. Voor klinische voeding moet meer gebruikt gemaakt worden van de totale aanpak.
7.2 Geneesmiddelen
Grootschalige gerandomiseerde placebogecontroleerde dubbel-blind studies:
→ behandeling met statines LDL ↓ 25-40% (nu 50-60%) gedurende 3-5 jaar + ↓ 25-35% RR op HVZ in zowel primaire als secundaire preventie (zowel ↓ niet fatale/fatale) coronaire eindpunten als beroerte.
↓ RR onafhankelijk van leeftijd, geslacht, andere risicofactoren of startwaarden LDL.
Effectieve preventie van statines deels te wijten aan effecten op serum lipiden (nu weet men dat het veel met LDL te maken heeft) maar ook omdat ze het atherosclerotische proces zelf beïnvloeden: pleiotropte effecten → stabiliseren plaques = kans op ruptuur ↓: thrombose met onderbreking van de bloeddoorstroming ↓.
Hoofdstuk 4: Overgewicht en obesitas
1. Algemene begrippen
1.1 Definitie
1.1.1 Body Mass Index (BMI)
Obesitas = toestand van overtollige vetopstapeling. Bepalen van hoeveelheid vet met nauwkeurige methoden zoals onderwaterweging = duur, moeilijk uit te voeren, tijdrovend en niet beschikbaar in klinische praktijk.
BMI = inschatten hoeveelheid lichaamsvet. Rekening houdend met: lengte → nauwkeurigere maat totaal lichaamsvet dan met het gewicht op zich.
Beperkingen:
- Eenzelfde BMI niet bij elk individu eenzelfde vetpercentage
- Vetpercentage overschatten bij gespierde mensen
- Vetpercentage onderschatten bij niet gespierde mensen (bejaarden)
- Houd geen rekening met geslacht, leeftijd of etnische origine
Berekening: BMI (kg/m²) = lichaamsgewicht (in kg)/lengte in kwadraat (in meter)
- Overgewicht = BMI > 25 kg/m²
- Obesitas = BMI ≥ 30 kg/m²
- Zwaarlijvigheid: slaat zowel op overgewicht als obesitas
Classificatie overgewicht en obesitas (WHO: World Health Organisation):
→ Tabel relateert BMI aan gezondheidsrisico
→ Toch gezondheidsrisico sterk individueel bepaald + verschil tussen verschillende populaties
→ Personen met beperkte zwaarlijvigheid kunnen toch meerder RF hebben, terwijl personen met ernstige vorm van obesitas slechts weinig RF kunnen hebben
Classificatie van overgewicht en obesitas op basis van (obv) BMI, middelomtrek en geassocieerd gezondheidsrisico (GR).
BMI (kg/m²) Type obesitas Gezondheidsrisico*
Middelomtrek
Mannen < 102 cm
Vrouwen < 88 cm ≥ 102 cm
≥ 88 cm
Ondergewicht < 18,5 - -
Normaal 18,5-24,9 - Verhoogd**
Overgewicht 25,0-29,9 Verhoogd Hoog
Obesitas 30,0-34,9
35,0-39,9 I
II Hoog
Zeer hoog Zeer hoog
Zeer hoog
Morbide obesitas ≥ 40,0 III Extreem hoog Extreem hoog
- Risico voor DMII, hypertensie en HVZ in verhouding tot normaal gewicht en normale middelomtrek
** Een grotere middelomtrek kan ook bij personen met en normaal gewicht een toename van het GR meebrengen
1.1.2 Lichaamsvetverdeling
Verdeling van het vet over heel het lichaam → belangrijke factor voor bepalen van morbiditeits- en mortaliteitsrisico: abdominaal (appel/androïd) > perifeer (peer/gynoïd).
Eenvoudige praktische methode: meten middelomtrek
Nauwkeurige methoden zoals CT scan, MRI, ... = wetenschappelijke doeleinden
Meten van de middelomtrek:
De middelomtrek wordt gemeten mbv een lintmeter op het middelpunt tussen de onderste rib en de crista iliaca (heupkam). Huid niet samendrukken + lintmeter evenwijdig met grond. Meting gebeurt op het einde van normale uitademing.
→ Onafhankelijke voorspellende factor: geassocieerd met ↑ risico DMII en verschillende cardiovasculaire RF zoals dyslipidemie en hypertensie.
Risico op met obesitas geassocieerde stofwisselingsproblemen en cardiovasculaire RF
Verhoogd risico Sterk verhoogd risico
≥ 94 cm ♂ ≥ 102 cm ♂
≥ 80 cm ♀ ≥ 88 cm ♀
1.2 Prevalentie
Frequentie van obesitas neemt wereldwijd toe + gaat gepaard met diverse gezondheidsproblemen die minder ernstig maar ook dodelijk kunnen zijn.
→ Ook in België toenemende ‘verzwaring’.
Wereldwijd kunnen we epidemiologisch 3 belangrijke tendensen vaststellen:
- Progressieve toename zwaarlijvigheid
- Ook meer kinderen en adolescenten overgewicht. In USA ligt toename overgewicht aan de basis van een hoge prevalentie van DMII op jonge leeftijd
- Evolutie van W → O: frequent voorkomen van overgewicht in W-Europa en USA verschuift nu ook naar O-Europa en over het Midden-Oosten tot in China en andere Aziatische landen.
1988-‘94 prevalentie overgewicht en obesitas:
USA: ♂ 60% (40% overgewicht, 20% obees) en ♀ 50% (25% overgewicht, 25% obees)
België: onderzoek BIRNH: ♂ 12% en ♀ 20%
Opvallend was ook de toename van obesitas met de leeftijd, vooral in vrouwelijke populatie tussen 65-74 jaar 31% obees
Voorkomen van overgewicht en obesitas in België geëvalueerd in 6 studies de voorbije 20 jaar:
- FFS (fysieke fitheid studie) 1977-‘78: tewerkgestelde mannen van middelbare leeftijd bestudeerd
- Monica project 1986-‘92: in Gent en Charleroi in kader van groot Europees project
- ORCA onderzoek naar risicofactoren voor cardiovasculaire aandoeningen 1991-93: tewerkgestelde populatie in Vlaanderen geëvalueerd
- BELL-STRESS project 1996-‘97: grootschalig onderzoek in 24 Belgische ondernemingen → obesitas einde jaren ‘70: 8% + midden jaren ‘90: 15%
- BELL-STRESS (recenter): > 16 000 ♂ en > 5 000 ♀ 35-39 jaar onderzocht
zwaarlijvigheid: ♂ 50% en ♀ 30%
obesitas: ♂ 14% en ♀ 13%
¼ verhoogde middelomtrek = abdominale vetopstapeling
ook socio-economische, gedrags- en omgevingsfactoren determinanten van zwaarlijvigheid (lager geschoolden vaker obees)
- Euroaspire II studie (1999-2000): 15 Europese landen prevalentie en behandeling cardiovasculaire risicofactoren bij patiënten in secundaire preventie onderzocht.
Belgische patiënten obesitas + overgewicht 80% (overgewicht 53%, obees 30%)
80% had verhoogde middelomtrek
1.3 Klinische aanpak (≠ behandeling)
Verloopt in 2 stappen:
- Evaluatie: classificatie volgens graad obesitas + bepalen risicostatus
- Therapie: initiële gewichtsreductie + behoud lager G om geassocieerde RF te beheersen
Obesitas = chronische ziekte: behandeling moet met lange termijn perspectief zijn + geïndividualiseerd en flexibel
→ Geen jojo-effect: stapsgewijs werken
→ Gewicht is niet belangrijk, maar de gezondheidsstatus wel
Intensiteit van klinische interventie bepalen:
- Bepalen risicostatus dmv middelomtrek te meten
- Evalueren bijkomende RF en met obesitas geassocieerde aandoeningen
- Sommige aandoeningen of RF = ↑ vroegtijdige sterfte: agressieve aanpak van de RF + de zwaarlijvigheid
Symptomen obesitas:
Niet levensbedreigend:
- gyneacologische aandoeningen
- galstenen: zowel bij obesitas als bij een te snelle gewichtsreductie
- stress-incontinentie
- slaap-apnoe: luid snurken of ademhalingsstop gevolgd door luide diepe ademhaling en kortstondig ontwaken → patiënten zijn vermoeid overdag
Vermageren/C-PAP = continue positieve luchtdruk (gaat afsluiten bovenste luchtwegen tegen)
Levensbedreigend:
- kanker: ovarium- en borstkanker ↑ bij vrouw en prostaatkanker ↑ bij man
2. Oorzaken van Obesitas
Rationele behandeling vereist inzicht in de etiologie en de pathogenese van de te behandelen aandoening.
2.1 Secundaire vormen
Genetische afwijkingen:
- Laurence-Moon-Biedl syndroom: obesitas, hypogonadisme (minder snel volwassen), retinitis pigmentosa (minder goed zien) en polydactylie
- Prader-willi syndroom: jong volwassen met morbide obesitas → verwikkelingen zoals DM, hartproblemen → lager rustmetabolisme = lager energieverbruik: gaan sneller in gewicht toenemen. Ouders inlichten op vroege leeftijd, zodat ze zeer jong gezond eetgedrag aanleren (is veel moeilijker op jong volwassen leeftijd).
- Leptine deficiëntie: vetcellen produceren geen leptine meer
- Lipotrofie: 1/10 miljoen geboorten
→ Geen metabool actieve vetcellen
→ Geen vetcellen = geen leptine = geen regeling van de hongercentra
→ Hebben constant honger dus eten veel
Gevolg: hypertriglyceridemie: omdat ze geen vetweefsel hebben worden de TG niet opgenomen in het vetweefsel → VZ gaan overal zitten waar ze niet moeten zitten!
Ze doen ook geen ketoacidose en zijn insulineresistent
Symptomen:
mager
honger
hoge TG
Endocriene stoornissen:
- Syndroom van Cushing
- Hypothyreoidie
- Insulinoma
Letsels van de ventromediale hypothalamus:
Craniofaryngioom = een gezwel dat ondermeer kan leiden tot verworven obesitas, hoofdpijn, groeiachterstand en endocriene dysfunctie. Deze personen hebben geen verzadigingsgevoel meer. Bij wegnemen van het gezwel → vaak beschadiging van de eetcentra = zeer snel G ↑↑.
2.2 Erfelijke versus omgevingsfactoren
Oorzaken adipostias (zwaarlijvigheid) = multifactorieel, zowel erfelijke als omgevingsfactoren spelen een rol
‘Obesity runs in families’:
- 2 ouders obees = 80% kans
- 1 van de ouders obees = 40% kans
- Beide ouders mager = 10% kans
Kinderen van obese ouders hebben ook dikkere tricepshuidplooi dan kinderen van magere ouders. MAAR kinderen kunnen ook dik worden door de eetgewoonten van de ouders en niet noodzakelijk erfelijk aangelegd zijn om obesitas te creëren.
2.2.1 Erfelijke factoren
2.2.1.1 Onderzoek bij proefdieren
Ob/ob muizen zijn genetisch bepaald om obesitas te krijgen.
Onderzoek voor 2 reden van belang:
Cafetaria type dieet: muizen worden van nature normaal niet dik, enkel wanneer ze eten krijgen dat ze heel lekker vinden gaan ze blijven eten en verdikken. Er blijkt toch een verschil te zijn in de graad van verdikking. Sommige worden dikker dan andere. Dit kan toegeschreven worden aan de thermogenese.
Leptine secretie ↓ = afbraak V ↓: leptine ingespoten → vetweefsel ↓ + spiermassa bleef constant + worden extreem fertiel → na enkele weken: energieverbruik ↑ = dit kwam door de ↓ productie van NPY.
2.2.1.2 Onderzoek bij de mens
Tweelingenonderzoek:
- 1-eiige tweeling: kans dat ze beide obesitas hebben is groter
- 2-eiige tweeling: kans dat ze beide obesitas hebben is kleiner
→ Als men kenmerken terugvindt bij twee-eiige tweelingen die ze beide hebben, kan men zeker zijn dat die kernmerken erfelijk bepaald zijn (concordantie bepalingen)
Adoptiekinderen: sterke samenhang tussen BMI van de kinderen en de biologisch ouders maar geen samenhang met de pleegouders.
Besluit:
- De erfelijke factoren zijn niet onbelangrijk
- Obesitas wordt voor 1/3 erfelijk bepaald
2.2.2 Omgevingfactoren
2.2.2.1 Dierproeven
Ratten kunnen gewicht goed op peil houden met standaardvoeding, maar wanneer ze ‘cafetaria type voeding’ krijgen worden ze obees. Cafetaria type voeding = Westerse voeding met hoog vetgehalte en voor de rat smakelijke producten met een hoge energiedichtheid.
2.2.2.2 Epidemiologische studies
- In geïndustrialiseerde landen: verband tussen socio-economische klasse en prevalentie van overgewicht/obesitas (lage klasse = hoge prevalentie)
- In ontwikkelingslanden: is het omgekeerd: hoge klasse = hoge prevalentie
- Uit studies naar lichaamssamenstelling van emigranten van ‘niet W’ naar ‘W’-landen
= ↑ lichaamsgewicht
2.3 Adipositas is steeds het gevolg van een positieve energiebalans
Het feit dat iemand te veel lichaamsvet heeft bewijst slechts dat in het verleden zijn energiebalans positief is geweest (meer energie genomen dan dat noodzakelijk was). Dit overschot aan energie heeft zich dan in de vorm van vet opgestapeld.
De energievergelijking heeft 2 zijden: E-inname = E-verbruik + E-opslag. Een positieve energiebalans kan dus zowel gevolg zijn van:
- te grote energie-inname
- te laag energieverbruik
Wat is het belangrijkste: E-verbruik of E-inname? → Onderzoek naar verricht.
24-uurs energieverdeling kan worden opgesplitst in 3 componenten: ruststofwisseling, thermogenese en activiteitsstofwisseling.
2.3.1 Ruststofwisseling
= de min of meer constante hoeveelheid energie nodig voor functioneren van het lichaam in rust in basale omstandigheden. Dit wil zeggen in een thermoneutrale omgeving, 8-12 u na de maaltijd of fysieke inspanning.
De ruststofwisseling omvat energie voor ondermeer de werking van de bloedsomloop, de ademhaling en voor normale in nuchtere toestand verlopende stofwisselingsprocessen.
→ Vertegenwoordigt 60-65% van totaal energieverbruik
Majeure determinanten zijn: FFM, eiwit-turnover en schildklierhormonen.
→ Rustmetabolisme x 1,5 = totale stofwisseling
2.3.2 Thermogenese
= E-verbruik in rust dat niet tot de stofwisseling kan worden gerekend. Thermogenese staat voor de energie die nodig is voor vertering, absorptie, metabolisme en opslag van voedsel (= diet induced thermogenesis) en voor de energie die nodig is voor effecten van blootstelling aan koude, thermogene agentia, psychologische invloeden en stress.
→ Vertegenwoordigt 15% totaal energieverbruik
DIT: belangrijkste component + kan worden opgesplitst in 2 delen:
Verplicht deel 60-70%: het verplicht thermogeen effect van een gemiddelde maaltijd is 8-10% van de energie-inhoud.
De energiekost van de vertering en opslag van:
- Voedingsvet als TG: 3%
- Glucose als glycogeen: 7%
- Glucose als vet: 23%
Facultatief deel (vooral bij knaagdieren): om surplus aan energie in warmte om te zetten.
→ Een te hoge energie-inname wordt niet volledig omgezet in lichaamsreserves, maar wordt in warmte omgezet via de futiele stofwisselingscycli via bruin vetweefsel (knaagdieren + baby’s).
= Futiele stofwisselingscycli brown adipose tissue (bruin vetweefsel)
ATP wordt verbruikt en de energie die vrijkomt is warmte. Futiele stofwisselingsroutes leveren uiteindelijk hetzelfde product als de uitgangsstof. → Gebeurt ook bij mens maar in mindere maten dan bij knaagdieren.
Koude geïnduceerde thermogenese (bij de mens een ondergeschikte rol): pasgeborenen → bruin vetweefsel productie van warmte = afweer tegen koude omgevingstemperatuur.
Thermogene agentia zoals nicotine en in mindere mate cafeïne wel van belang: 24 sigaretten/dag → stijging E-verbruik van 200 kcal/dag + onderdrukt eetlust.
Stoppen = gewichtstoename door ↑ E-inname + ↓ E-verbruik.
Pychologische invloeden en stress: ondermeer via ↑ hartritme = ↑ E-verbruik.
2.3.3 Activiteitsstofwisseling
= extra energieverbruik tijdens en na fysieke activiteit (15-20% totale energieverbruik, maar afhankelijk van duur en intensiteit spierarbeid) en de extra energie nodig voor groei, herstel, zwangerschap en lactatie.
Is het energieverbruik verlaagd bij adipositas?
Ruststofwisseling
In absolute termen = hoger bij obesen: ↑ lichaamsvet + ↑ FFM
In relatieve termen = kost BMR voor FFM bij obesen = hetzelfde als bij niet obesen
Thermogeen effect van voedsel
Lager bij obesen als obees sinds kindertijd = compenseert hogere BMR niet → 24 u energieverbruik (BMR + DIT) hoger bij obesen dan bij magere personen.
Spierarbeid
Geen belangrijke verschillen → totaal E-verbruik verhoogd bij obesen: 1 kg extra = ♀: + 20 kcal/dag en ♂: + 25 kcal/dag. Om de energiebalans bij obesen te handhaven ligt dus de E-inname hoger bij obesen.
Praktische gevolg: na een periode van vermagering een aangehouden beperkingen van E-inname noodzakelijk is om lichaamsgewicht op een lager niveau te behouden. Vb. een postobese persoon na vermagering van 20 kg, zal om gewicht te stabiliseren de E-inname 400 kcal/dag lager dienen te houden dan voor de vermagering
2.4 Synopsis
Invloed van erfelijke vs omgevingsfactoren en rol van te hoge E-inname van te lage inname kunnen als volgt worden samengevat:
- Adipositas is een familiale aandoeningen, gedeeltelijk erfelijk bepaald. Bij erfelijk voorbeschikte personen bestaat vóór de ontwikkelingen een verlaagd E-verbruik. Redenen hiervoor zijn multipel en niet precies omschreven: ↓ DIT, ↓ FA, ... Dit lager E-verbruik zou bij pre-obese 40% van latere toename in gewicht kunnen verklaren.
- Tijdens ontwikkeling van adipositas spelen omgevingsfactoren een belangrijke rol, zodat tijdens deze fase de E-inname te hoog ligt in functie van het E-verbruik.
- Obesen hebben bij gestabiliseerd gewicht een hogere E-inname en hoger E-verbruik dan niet obesen.
- Postobesen hebben een lagere E-behoefte dan voor de gewichtsreductie (-20 kcal/kg/dag) = moeilijk lagere gewicht handhaven → jojo-effect.
3. Metabole gevolgen van abdominaal vet
3.1 Waarom is een ‘buikje’ een gezondheidsrisico
Metabole verschillen tussen gluteale en abdominale vetopstapeling:
Hormonen: insuline, NA/A, progesterone, testosterone beïnvloeden vetstofwisseling. Hun invloed bepaalt of er in de vetcel vetopslag (lipogenese) of vetafbraak (lipolyse) plaatsvindt.
Vetopbouw: door LPL in endotheel bv. van spier/vetweefsel → splitst TG uit CM en VLDL = VZ in cel opgenomen. Bij ♀: LPL in gluteale regio sterk gestimuleerd door progesterone + geremd door testosterone. Bij ♂: LPL geremd in gluteale regio door testosterone → LPL betere werking in abdominale regio.
→ Vetopbouw (glucose-opname) wordt gestimuleerd door insuline en geremd door NA.
Vetafbraak: lipolyse → insuline heeft een remmende werking, NA en testosterone heeft een stimulerende werking. NA en testosterone vooral actief in abdominale vetcel → verklaart waarom abdominale vetweefsel beter mobiliseerbaar is dan gluteale vetweefsel.
G↑ = abdominaal ↑↑ + perifeer ↑ en G↓ = abdominaal ↓↓ + perifeer ↓
Als TG ↑ in bloed = I ↑ = opname VZ ↑ en vrijzetten VZ ↓
Zwangerschap en lactatie: vetopbouw en afbraak in gluteale zone bij vrouw vervult functie bij opbouw E-reserve tijdens de 1e helft van de zwangerschap en bij mobilisatie van energie tijdens de 2e helft van de zwangerschap en de lactatie.
1e helft zwangerschap: hoge bloedspiegels vrouwelijk hormoon = ↑ gluteale vetopstapeling
Einde zwangerschap: Prolactine en Lactogeen → remmen LPL in gluteale regio = minder opslag in gluteale regio + stimuleren lipolyse → meer VZ in het bloed voor ↑ E-behoefte foetus. Prolactine en Lactogeen stimuleren ook LPL-activiteit in mammae = synthese melkvet.
Abdominaal vetweefsel en gezondheidsrisico: abdominaal vet zal bij langdurige positieve E-balans meer vet opslaan = hypertrofie van vetcel → insuline resistentie. Bij lipolyse van vetten uit abdominale vetcellen, normaal geremd door I en gestimuleerd door (nor)adrenaline en testosterone, ontstaan vrije VZ → worden via vena porta naar lever gebracht. De lever vangt deze stroom op → leversteatose = omzetten VZ + TG en in VLDL steken → hypertriglyceridemie. Hoge concentratie vrije VZ in lever remt afbraak van insuline → hyperinsulinemie → Na-retentie ↑ = hypertensie + kan ook leiden tot glucose-intolerantie en DMII.
4. Behandeling
4.1 Doelstellingen
- Bevolkingsniveau: stabilisatie van het gewicht
- Individueel: ideaal = terug naar een stabiel, normaal gewicht
Voor de meeste patiënten is een gewichtsdaling van 10% na 6-12 maanden een juist en realistisch streefdoel → hierdoor wordt toch ook een reductie van de gezondheidsrisico’s bekomen. Een gewichtsdaling van < 5 % na 6-12 maanden wordt als onvoldoende beschouwd.
Een gewichtsreductie van 10% heeft al majeure effecten op gezondheidsrisico:
- Symptomen: ↓ vermoeidheid, rug en gewrichtspijnen
- Longfunctie: verbetering klachten slaapapnoe
- Psychosociaal functioneren: levenskwaliteit verbetert door reductie angst en depressieneiging en door betere sociale contacten
- Hypertensie: ↓ SBD 10 mmHg en ↓ DBD 20 mmHg
- DMII: betere glycemiecontrole + insulinegevoeligheid
- Lipiden: ↓ tot cholesterol 10%, ↓ LDL 15%, ↓ TG 30% en ↑ HDL 8%
- Ovariële functie: verbetering insulinegevoeligheid, herstel normale mensen
- Mortaliteit: ↓ totale sterfte bij personen met DMII of ischemische HVZ
4.2 Strategieën voor gewichtscontrole
Principes:
- Actief vermageren + behoud gewicht = combinatie dieet, FA en gedragsverandering
- Farmacotherapie en heelkunde kunnen soms toegevoegd worden (= weloverwogen)
- Dieet + FA ook effect op cardiovasculaire risicofactoren en co-morbiditeiten
- Strategie individueel + aangepast
- Langetermijnperspectief
- Preventie G ↑ bij personen met BMI > 25, zelfs zonder co-morbiditeiten
- Vermagering is niet strikt aangewezen bij personen met BMI 25-29,9 tenzij 2 of meer risicofactoren
Selectie behandelingsstrategieën:
BMI (kg/m²) categorie
25-26,9 27-29,9 30-34,9 35-39,9 ≥ 40
Dieet
FA
Gedragstherapie met co-morbiditeiten met co-morbiditeiten + + +
Farmacologie met co-morbiditeiten + + +
Chirurgie met co-morbiditeiten +
De + geeft aan dat een bepaalde strategie geïndiceerd is ook zonder de aanwezigheid van andere co-morbiditeiten of risicofactoren.
4.3 Dieet
Gebaseerd op reductie van calorieën: E-inname < E-verbruik, maar wel voorzien in alle essentiële nutriënten.
Graad van restrictie kan variëren van persoon tot persoon → 2 vormen:
- Matige energiebeperking: 500-1000 kcal onder behoefte = LCD (Low Calorie Diet)
- Strenge energiebeperking: < 800 kcal/dag = VLCD (Very Low Calorie Diet)
4.3.1 Matige energiebeperking
Energiedeficit van 7000 kcal = gewichtsverlies van 1 kg
Matige E-restrictie van 500-1000 kcal/24u → 0,5-1 kg/dag → 10% over 6 maanden.
In klinische praktijk totaal E-verbruik berekenen met formules. Uitgangspunt = gezonde en gevarieerde voeding die samengesteld is volgens principes van de voedingsdriehoek.
Samenstelling LCD (= idem DASH)
Energie - 500 tot 1000 kcal/dag
Totaal vet
VVZ
MUFA
PUFA 25-35 EN%
< 10 EN%
< 20 EN%
< 10 EN%
Cholesterol < 300 mg/dag
Eiwitten 15 EN%
KH 50-60 EN%
Vezels 20-30 g/dag
Na < 6 g NaCl/dag
Ca 1000-1500 mg/dag
Opmerkingen:
1. Ook reductie van de inname van alcohol
2. Lightproducten → vet arm + laag calorisch + consumptie niet compenseren door andere voedingsmiddelen
3. Geïsoleerde hypercholesterolemie: zuivere LDL ↑ = VV reduceren tot max. 7 EN% + cholesterol < 200 mg/dag (= automatisch als ↓ VV)
4. Matige hypertriglyceridemie en laag HDL zoals bij DMII: ↑ MUFA’s + reductie KH → correctie dyslipidemie
5. Eiwitten zijn bij voorkeur van plantaardige bronnen en van magere dierlijke oorsprong
6. Snelle KH beperken → complexe KH = verzadiginggevoel
7. Tijdens vermagering aandacht voor correcte voorziening van vitaminen en mineralen
Voedingsinformatie voor de patiënt omvat ongeveer volgende aspecten:
- Etikettering van voedingsmiddelen
- Vetarm koken
- Beperking consumptie alcohol
- Energiegehalte en samenstelling van voedingsmiddelen
4.3.2 Strenge energiebeperking
= vervangingsmaaltijden 450-800 kcal/dag, > 50 g biologisch hoogwaardige eiwitten, volledige behoefte mineralen, oligo-elementen en vitaminen, 30-100 g KH ,< 10 g vet: 3 g linolzuur en 0,5 g α-linoleenzuur, geen vezels (voedingssupplement nemen).
Wanneer aangewezen?
- Ernstige gevallen obesitas in geval van falen matige energiebeperking
- Snelle vermagering bij chirurgie
Wanneer niet aangewezen:
- Kinderen en adolescenten
- Lever/nierfalen
- HVZ
- DMI
- Kanker
- Psychiatrische stoornissen
- Alcoholisme
- Toxicamanie
VLCD vereisen medisch toezicht.
→ Gewichtsverlies 2-4 kg 1e week en na 6 weken gemiddeld 1-1,5 kg/week.
4.4 Gedragstherapie
Voedingsgedrag = alle handelingen en gedachten rond eten en drinken.
Aangeleerd gedrag kan afgeleerd worden, maar niet van de ene dag op de andere. De mensen moeten bewust gemaakt worden van hun huidige gedrag en door oefeningen wordt geprobeerd dit stap voor stap te veranderen. De personen moeten hier actief bij betrokken worden.
4.4.1 Bewust worden van het te veranderen voedingsgedrag
Eetverslag: systematische bijhouden wat er gegeten en gedronken wordt, waar en in welke situatie en in welke stemming.
→ Onderkennen van factoren die voedingsgewoonten bepalen (Bv. 7-dagennotitie).
4.4.2 Beïnvloeden van het voedingsgedrag
- Veranderen of beheersen van prikkels die tot eten aanzetten = stimuluscontrole
aankopen van voedsel: met boodschappenlijst, met volle maag
plaats en tijd: vaste etenstijd en eetplaats
voedselopslag in huis: alle voedsel wegbergen en restjes weggooien
feesten en vakanties: alcohol beperken, beleefd voedsel afwijzen
- Aanleren van technieken om voedingsgedrag zelf te beïnvloeden
- ‘Hoe ga ik om met mijn emoties’
- Inschakelen van mensen uit de omgeving
- Voedingsinformatie
kennis voedingswaarde
inzicht in hoeveelheden
kennis variatiemogelijkheden
vaardigheden in energiebewuste wijze van koken
- Fysieke activiteit = positieve bijdrage: verhoogt energieverbruik → verbeteren psychologische variabelen zoals eigenwaarde + LBM worden beter behouden
4.4.3 Bevestigen van het nieuwe voedingsgedrag
Bewustwording van negatieve gevolgen van teveel eten en positieve gevolgen op een rijtje zetten.
Er moet gewezen worden op de fouten, maar tevens moet er ook aangegeven worden hoe het goed kan en dit gedrag dan stimuleren. Zelfbeloning kan helpen in het volgende van de stappen.
Speciale gevallen
Vreetbuistoornissen of binge eating disorder:
- eten van grote hoeveelheden voedsel
- in een beperkte tijd
- gevoel van controleverlies
- zonder compensatorische gedragingen (braken)
Nachtelijk eten of night eating syndrome:
- apatische eetstoornis
- ochtendlijke anorexie
- doorgedreven voedselrestrictie overdag
- vreetbuien gedurende de nacht
- slapeloosheid
Een patiënt met een eetstoornis eerst helpen een gezond eetpatroon te ontwikkelen en pas in de 2e fase een vermagering toepassen.
4.5 Fysieke activiteit
= Is een essentieel onderdeel van de behandeling van obesitas. Obesitas heeft negatieve invloed op inspanningscapaciteit en tolerantie: grotere inspanning om niveau van fysieke activiteit (FA) te verhogen.
4.5.1 Invloed van fysieke activiteit op gewicht en complicaties
Dagelijkse FA = spontane fysieke activiteit + bijkomende regelmatige fysieke training.
Gunstige effecten op obesitas en co-morbiditeiten:
- Lichaamsgewicht: 1 kg vet verliezen = 7000 kcal verbruiken. → Iemand van 100 kg zou 25 uur moeten wandelen aan 5 km/u of 17 u fietsen aan 20 km/u. Ook na gewichtsreductie blijven sporten om minder in gewicht toe te nemen
- Lichaamssamenstelling
Verlies vetmassa
FFM en BMR blijft behouden
Grote afnamen visceraal vet
- Capaciteit voor mobilisatie en verbranding van vet
Uithoudingsactiviteit: verbruik TG↑ + verbranding bloedglucose en spierglycogeen ↓
- Voedselinname
Drang eten stimuleren? Niet waar: komt door omgevingsfactoren en veel minder door metabole effecten van fysieke activiteit
- Cardiovasculaire risicofactoren
Gunstige invloed op lipidenprofiel, insulinegevoeligheid en bloeddruk
- Gemoedstoestand
Endorfines na/tijdens inspanning = gevoel van euforie
Regelmatig beweging geeft verbetering van spanning, angst, depressie, zelfbeeld, zelfvertrouwen, slaapstoornissen, …
Dieet wordt beter volgehouden
4.5.2 Invloed van obesitas op inspanningstolerantie
Obesitas zelf geeft geen aanleiding tot fysieke deconditionering. Maar deze kan wel primair ontstaan door stoornissen in de natuurlijke lichaamsfuncties als gevolg van overgewicht zoals:
- cardiale en pulmonale dysfunctie
- excessief zweten
- huidmaceratie
- urinaire stressincontinentie
- gastro-oesofagale reflux
- veneuze stase in onderste ledematen
Inspanningscapaciteit VO2/kg is lager bij obesen en meer uitgesproken indien graad overgewicht toeneemt. Vb: obesen die wandelen: sneller uitgeput, musculosketetale klachten, verbruiken meer zuurstof → door extra gewicht moet grote spiermassa geactiveerd worden waardoor cardiovasculair systeem en bewegingsstelsel meer wordt belast + gewicht FM op thoraxwand en viscerale vetophoping zorgen voor grote ademhalingsweerstand.
Het bloedlactaatgehalte kan snel oplopen = relatief lichte inspanningen worden moeilijk verdragen.
Secundair kan de fysieke fitheid weerlegd worden door verwikkelingen zoals gonartrose, lumbartrose, overbelasting van de enkels, DM, angor pectoris en hypertensie. Bovendien hebben obesen vaak een schaamtegevoel.
4.5.3 Aanbevelingen voor lichaamsbeweging
Vooraf een grondige evaluatie van cardiovasculaire, metabole, musculoskeletale, uroloschie en psychosociale toestand. Nadruk niet leggen op gewichtsverlies, maar wel op één van de 3 pijlers in de behandeling naast dieet en gedragstherapie.
Belangrijk: realistisch activiteitenprogramma opstellen:
- aanpassen aan graad overgewicht
- verschillen in fysieke conditie
- orthopedische en cardiovasculaire problemen
- motivatie
1ste spontane lichamelijke activiteit bevorderen en daarna past sportactiviteiten. Voorkeur: 3 maal per week aan matige intensiteit: ‘talk-test’.
Beste = fysieke activiteit zoals zwemmen, fietsen en wandelen.
Fietsen: gewicht gedragen door fiets → geen impact op gewrichten
Wandelen: vaak minder goed verdragen door gewrichtsproblemen
Zwemmen: is goed, gewicht wordt door water gecompenseerd → echter wel rekening houden met schaamtegevoel van obesen
Ook kunnen dansen, aerobics, gymnastiek beoefend worden → wel meer overbelasting mogelijk.
Aansluiten bij sportclubs: goed voor sociale contact, maar tempo ligt vaak te hoog. Voor obesen best een persoonlijke trainingprogramma zodat ze niet zo snel afhaken!
Tips:
- stevige sportschoenen
- gepaste t-shirts die zweet absorberen
- huidplooien behandelen met poeder: tegengaan infecties door zweten
- niet tijdens warme uren van de dag gaan sporten
- regelmatig water drinken
- bekkenbodemreëducatie bij vrouwen met stressincontinentie
4.6 Farmacotherapie (= optioneel!)
Als ondersteunende behandeling bij patiënten met BMI > 30 of met BMI van 27-29,5 met bijkomende co-morbiditeiten
Kan enkel gebruikt worden als onderdeel van dieet, fysieke activiteit en gedragstherapie.
Geneesmiddelen voor gewichtscontrole
Geneesmiddel Dosis Werking Ongewenste effecten
Sibutramine:
(Reductil®) 10 mg per os, kan verhoogd worden tot 15 mg Inhibitor van de heropname van de noradrenaline en serotonine Toename van bloeddruk en hartfrequentie
Orlistat:
(Xenical®) 3 x 120 mg per os bij elke maaltijd Inhibitor van intestinale lipases, waardoor redutie vetabsorptie Eventueel daling absorptie vetoplosbare vitaminen; intestinale nevenwerkingen
Sibutramine:
- Energieverbruik ↑
- BD ↑ = opletten bij hypertensie + antidepressiva
- Werking: inhibitor heropname NA en serotonine
- Ongewenst effect: BD ↑ + HF↑
- SCOUT: onderzoek naar GM bij mensen met ↑ CV-risico’s
Orlistat:
- 1/3 ↓ vetabsorptie (in stoelgang = G↓)
- < 30 EN% vet innemen
- Werking: inhibitor intestinale lipiasen, waardoor reductie vetabsorptie
- Ongewenst effect: ↓ absorptie vetoplosbare vitaminen + intestinale nevenwerkingen
Belangrijk:
Obesitas is chronische ziekte, daarom moet farmacologische behandeling mogelijk zijn op lange termijn en dus het gewichtsverlies op lange termijn helpen behouden.
Daarvoor dienen deze geneesmiddelen over een uitstekende tolerantie te beschikken!
Obesitas gaat vaak gepaard met ernstige risicofactoren, het is daarom belangrijk de effecten van anti-obesitas GM op deze cardiovasculaire risicofactoren in overweging te nemen.
4.6.1 Farmacologische klassen
- Regeling eetlust door een wijziging van het eetgedrag (anorexigenen)
- Sympathicomimetisch effect, stimuleren energieverbruik
- Inhiberen intestinale vetabsorptie
Enkel Orlistat en Sibutramine geregistreerd, niet magistrale bereidingen → geen doeltreffendheid bewezen + soms ernstige en ongewenste neveneffecten.
4.7 Heelkunde
= uitzonderlijke maatregel: niet altijd doeltreffend en veilig.
→ Swedisch Obese Subjects (SOS) studie
4.7.1 Heelkundige methoden
4.7.1.1 Maagverkleiningen
Gastroplastie (Mason)
→ Enkel een verkleining van het maagvolume (er is nog normale absorptie)
Maagring
→ Geen grote maaltijden
- Voordeel: maag zelf niet opereren, maagring kan verwijderd worden, opblazen/aflaten (diameter veranderen)
- Nadeel: duur, misbruik van aanpassen, ring kan zich verplaatsen
Gastro-Jejuno-bypass (Rouw en Y-lis)
→ Maag verbinden met jejunum (geen duodenum meer + maag wordt verkleind)
→ Deel duodenum planten aan deel jejunum voor verteringsenzymen = geen malabsorptie
4.7.1.2 Malabsorptie
Jejuno-ileale bypass → mag niet meer worden toegepast!
→ Contact beperken met verteringsslijmvliezen: malabsorptie = enorm gewichtsverlies.
Nadelen: problemen absorptie van vitaminen, mineralen en oligo-elementen + gastro-intestinale problemen (diarree) + ‘dode lis’ (bacteriën stapelen zich op en maken het erger).
Boliopancreatische bypass = scopinario
→ Geen ‘dode lis’ meer, maar nog steeds malabsorptie: gewichtsdaling
Nadeel: 10 jaar na ingreep = ondervoeding
4.7.2 Doeltreffendheid
Gewichtsverlies max. na 6 maanden → 30 kg na 12 maanden. Gewichtsverlies maagderivatie > gastroplastie. Minder snel gewichtsverlies met maagring.
SOS studie: groot aantal patiënten onderworpen aan bariatrische heelkunde vergeleken met een niet-geopereerde controlegroep → nauwkeurige evaluatie van mortaliteit en morbiditeit.
Na 8 jaar opvolging: blijvend verschil van 20 kg tussen geopereerde groep en controle groep + daling van co-morbiditeiten en vasculaire risicofactoren.
4.7.3 Veiligheid
Peri-operatief (korte termijn): mortaliteit < 1% bij jonge personen zonder co-morbiditeiten en een BMI < 50, terwijl dit 2-4% is bij personen met BMI > 60 met co-morbiditeiten.
Verwikkelingen op korte termijn:
- losloten suturen
- adseccen
- milttrauma
- longembolie
- wandinfecties
- inflammatoire stenose van openingen
Verwikkelingen op lange termijn:
- massale vermagering: plastische problemen
- wandhernia
- maagrestrictie: reflux, braken, obstructie van de opening
- malnutritie/malabsorptie: tekorten aan mineralenzouten vooral Fe en vitaminen
- neurologische stoornissen bij vitamine B tekorten
- opnieuw bijkomen door loslaten van hechtingen, verandert eetgedrag, reëxpansie bovenste maagzak
4.7.4 Praktische aanbevelingen
- Enkel na 1 jaar intensieve behandeling, als blijkt dat deze niet werkt.
- Enkel bij personen met extreme BMI > 40 en ernstige obesitas BMI > 35
Wat moet er allemaal gebeuren/aanwezig zijn:
- Team dat ervaring heeft
- Peri-operatief toezicht van personen met massieve obesitas
- Preoperatieve evaluatie van psychologische of organische contra-indicaties
- Voor/nadelen verschillende operaties duidelijk maken + gevolgen ervan
- Duidelijk maken dat een operatie ene verandering van eetgewoonten met zich meebrengt (+ sommige dingen niet meer mogen eten)
- Na ingreep multidisciplinaire opvolging noodzakelijk om slaagpercentage op lange termijn te verhogen en ongewenste effecten op te sporen
Bariatrische heelkunde kan voor bepaalde patiënt met morbide, refractaire obesitas de enige oplossing betekenen!
Multidisciplinaire behandeling heeft volgende kenmerken:
- Zelfregistratie van voedingsinname, eetgedrag en fysieke activiteit
- Controle van stimuli die voorafgaan aan eten
- Oefenen van technieken om eetgedrag te beheersen
- Versterken van gewenste gedragswijziging
- Voedingsvoorlichting
- Verhogen fysieke activiteit
- Cognitieve herstructurering
Hoofdstuk 5: Diabetes mellitus
1. Definitie
1.1 Diabetes Mellitus
Een metabole aandoeningen, gekenmerkt door een verhoogde glycemie, die het koolhydraten-, vet- en proteïnemetabolisme verstoort. De aandoening is te wijten aan een defect in de insulinesecretie, de werking insuline of beide.
1.2 Type I
Een auto-immune aandoening, gekenmerkt door destructie van de β-cellen van de pancreas.
→ Geen aanmaak insuline. Meestal op jongere leeftijd.
1.3 Type II
Door dubbel probleem: weerstand perifere cellen tegen insuline (insulineresistentie) + β-cellen zullen er uiteindelijk niet in slagen de resistentie tegen insuline te compenseren.
1.4 Secundaire diabetes
Er ligt een andere ziekte aan de basis zoals pancreatitis, neoplasie, metabole aandoeningen, endocriene aandoeningen, gebruik van diabetogene medicatie.
1.5 MODY
= Maturity-Onset Diabetes of the Young
Bijzondere vorm van diabetes mellitus type II op jonge leeftijd → erfelijk → gendefecten.
1.6 LADA
= Latent Auto-immune Diabetes of Adults
Bijzondere vorm van diabetes mellitus type I die traag evolueert. Diagnose wanneer orale antidiabetica weinig effectief zijn en er een hyperglycemie blijft vertonen.
1.7 Zwangerschapsdiabetes
Gestoorde glucosetolerantie die ontstaat tijdens de zwangerschap. Verdwijnt in vele gevallen na de zwangerschap.
→ Ongunstige effecten op foetus + voorbode DMII voor moeder.
1.8 GGT/GNG
GGT = gestoorde glucosetolerantie
GNG = gestoorde nuchtere glycemie
→ Glycemie is verhoogd, maar voldoen nog niet aan criteria van diabetes
Deze verhogen het cardiovasculair risico + het risico om diabetes te ontwikkelen.
Nuchter (mg/dl)
< 100
≥ 100 en < 126
≥ 126 Normaal
GNG
DM
Niet nuchter (mg/dl)
≥ 126 en < 200
≥ 200 Nuchter herhalen
DM
2 u na belasting met 75 g glucose = OGTT (orale glucose tolerantie test)
≥ 140 en < 200
≥ 200 GGT
DM
1.9 Onderscheid tussen DM type I en DM type II
Het is niet eenvoudig op grond van leeftijd, symptomen en glucosewaarden onderscheid te maken tussen I en II en secundaire diabetes.
Om diabetes mellitus type I van diabetes mellitus type II te onderscheiden, wordt gebruik gemaakt van een aantal klinische parameters:
Kenmerken van DMI:
- Jonge leeftijd
- Plots begin
- Uitgesproken polyurie
- Belangrijk gewichtsverlies
- Geen overgewicht
- Ketonurie
Aanwezig Afwezig
Waarschijnlijk DMI Andere oorzaak van diabetes?
Afwezig Aanwezig
Waarschijnlijk DMII Waarschijnlijk secundaire diabetes
2. Epidemiologie
- Komt voor in de hele wereld
- IDF (International Diabetes Federation) schat 177 miljoen mensen
- WHO maakt een voorspelling voor het jaar 2030 van 366 miljoen diabeten
Europa:
4% totale bevolking → DMII 90%
Meer dan 10% van de bevolking ouder dan 65 jaar heeft DM
DMII nu ook vaak op jongere leeftijd door toenemend overgewicht bij kinderen
België:
Jaarlijkse 2070 nieuwe DMI-patiënten en 23500 DMII-patiënten. De prevalentie van diabetes I en II in België wordt geschat op 5,2% en GTT 7,4% van de bevolking. DMII kan verschillen al naargelang de etnische samenstelling van de populatie, met een 2- tot 6-voudige stijging bij allochtonen ten opzichte van de autochtone bevolking.
Oorzaken:
Belangrijkste diabetesgerelateerde oorzaken = macro- en microvasculaire ziekten.
DM belangrijkste oorzaak van blindheid, amputatie ledematen, nierfalen.
3. Preventie
GNG/GGT = pre-diabetes → verandering eet- en leefgewoonten.
Diabetes Prevention Study: 522 obese patiënten van middelbare leeftijd 55 jaar met GGT gerandomiseerd. Interventiegroep kreeg geïndividualiseerde counseling: gewichtsverlies, daling totale vetinname, verminderde inname van verzadigde vetzuren en meer vezels.
Na 4 jaar: incidentie diabetes 11% bij interventiegroep en 23% bij controle groep. Ontstaan diabetes wordt gereduceerd tijdens studie met 58% → door levensstijlverandering.
Ook het gebruik van metformine blijk effectief, maar minder dan leefstijlinterventies.
4. Behandelingsdoelen
- Symptomen hyperglycemie vermijden
- Acute complicaties (hypo/hyper) voorkomen
- Chronische complicaties voorkomen
- Mortaliteit ↓
- Zelfredzaamheid van de patiënt behouden/bevorderen
- Sociale discriminatie tegengaan
Actiepunten:
- Overgewicht reduceren en beweging stimuleren
- Roken ontmoedigen en hypertensie behandelen
- Een statine starten
- Opstart van een lage dosis aspirine evalueren
Werken met ‘moving target’ = de lat naar het einde toe telkens lager leggen om doelstellingen te bereiken.
Knelpunt = haalbaarheid van de doelstellingen. Het blijft belangrijk het algemeen welbevinden en levenskwaliteit van de patiënt te behouden daarom volgende klinisch haalbare doelstellingen:
- Rookstop
- Gewichtsdaling bij obesitas: 5-10% op 1 jaar
- HbA1c: < 7% (bij te hoog glucose gehalte bindt glucose zich aan Hb)
- Nuchtere glycemie: ≤ 125 mg/dl
- BD < 130/80 mmHg
- LDL < 100 of < 80 mg/dl als risico patiënt in secundaire preventie
5. Verwikkelingen
5.1 Acute verwikkelingen
5.1.1 Hypoglycemie
Ontstaat door een teveel aan insuline in het bloed met als gevolg aan lage glycemie < 70 mg/dl.
Adrenerge symptomen:
- Zweten
- Beven
- Palpitaties
Neurglycopene symptomen:
- Concentratie stoornissen
- Gedragsstoornissen
- Bewustzijnsveranderingen
Aanpak:
Eerst een bloedglucosebepaling om de diagnose te bevestigen.
Een patiënt die nog bewust is: snelresorbeerbare KH zoals 2-3 klontjes suiker, 3-5 druivensuiker 10-15 mg, ½ glas frisdranken/fruitsap (geen light) → daarna boterham, stuk fruit of …
Patiënt met een verminderd bewustzijn: 1 ampul hypertone glycose intraveneus toedienen of 1 mg Glucagon (Glucagen®) subcutaan, intramusculair of intraveneus.
5.1.2 Hyperglycemie of dreigend keto-acidose
Als patiënt ziek is kan de glycemie snel ontregeld raken → daarom belangrijk regelmatig glycemie controleren.
5.2 Chronische verwikkelingen
5.2.1 Retinopathie
Leidt to blindheid (vooral bij 25-75 jaar) → strikte regeling van glycemie en de bloeddruk.
Kenmerken:
- Bloedingen
- Exsudaten (uitlekken van vocht)
- Micro-aneurysmata (broosheid kleine bloedvaten)
- Retinale verdikking
Een vroegtijdige behandeling bij oogarts met laser kan de evolutie remmen of stabiliseren.
5.2.2 Nefropathie
Vooral bij DMI, maar vermits prevalentie van DMII stijgt, zal ook de helft van de DMII patiënten dit ontwikkelen. 20-30% DMII microalbuminurie → van deze groep 30-40% tot nierlijden met macro-albuminurie → van deze groep 20% nierinsufficiëntie.
1e teken nefropathie is aanwezigheid van lage naar abnormale hoeveelheden albumine in de urine (albumine-excretie > 30 mg/g creatinine).
5.2.3 Neuropathie
Ongeveer ½ van de DM patiënten vertoont na 25 jaar neuropathie = aantasting sensibele zenuwen met trillen, pijn en uiteindelijk verminderde gewaarwording. Ook motorische zenuwen (parese) en autonoom ZS (impotentie, gastroparese, ...). Sensibele neuropathie in onderste ledematen geeft vaak aanleiding tot het vormen van voetwondjes.
5.2.4 Voetproblemen
Zijn heel frequent aanwezig door de neuropathie voelen de patiënten het niet meer → meer risico op infecties of zelfs gangreen. Het risico op amputatie ligt 15-45 maal hoger dan bij personen zonder diabetes → preventief werken!
6. Aanpak
= Is erg complex en omvat:
- educatie
- opstellen behandelingsdoelen
- behandeling glycemie
- opvolging van cardiovasculaire risicofactoren
- opsporen en behandelen van chronische verwikkelingen
Zelfzorgeducatie = Empowerment → patiënt zelfstandig leren omgaan met de ziekte + zelf beslissingen laten nemen. Op korte termijn een positief effect op de HbA1c waarde + op de parameters die effect hebben op de kwaliteit van het leven. Voor effecten op lange termijn is van belang dat de educatie een continu proces is en niet een eenmalige interventie. Educatie + ondersteuning leefstijlaanpassing(en) → geleidelijk en stapsgewijs.
Volgende punten moeten aan bod komen:
- Psychosociale gevolgen van diagnose van DM
- Geïndividualiseerde behandelingsnoden
- Persoonlijke voedingsvereisten
- Rol fysieke activiteit
- Verbetering leefstijl: roken, alcohol, medicatie
- Interactie tussen voedingsinname, fysieke activiteit en orale antidiabetica/insuline
- Toediening en toepassing insuline indien nodig
- Juiste reacties bij ontregeling/ziekte: hypo of hyper
- Voorkoming en vroegtijdige detectie chronische complicaties met speciale aandacht voor voetverzorging
- Gebruik van diabetespas
- Optimaal gebruik van bestaande gezondheidsvoorzieningen
- Aanpassingen aan het rijbewijs
7. Medicamenteuze behandeling van hyperglycemie
7.1 Orale antidiabetica
5 klassen van orale antidiabetica:
- Biguanide: metformine → Glucophage®: insulinewerking bevorderen door onder meer de glucoseproductie in de lever te verlagen
- Hypoglycemiërende sulfamiden (sulfonurea): stimuleren insulineafgifte
Kortwerkend: gliclazide → Diamicron®
Langwerkend: glibenclamide → Bevoren®, Daonil®
- Gliniden zoals sulfonurea: repaglinide → Novonorm®
- Glitazones: pioglitazone → Aactos®: verminderen insulineresistentie
- Afaglucosidaseremmers: acarbose → Glucobay®: remmer intestinale opname glucose
Biguaniden Sulfonurea Gliniden Glitazones Acarbose
Werkings-mechanisme Insuline-resistentie↓
hepatische glucoseproductie↓ Insuline-secretie↑ Insuline-secretie↑ Insuline-resistentie↓ Vertraging intestinale KH-resorptie
HbA1c ↓ met monotherapie 1,5-2 % 1,5-2% 1,5-2% 0,7-2% 0,5-1%
Extra effecten gunstig effect op cardiovasculaire factoren - - gunstig effect op cardiovasculaire factoren (blijkt niet waar te zijn) ↓ TG
Risico hypo - + ± - -
Gewicht ↓ of = ↑ ↑ ↑ =
Gunstig effect complicaties bewezen bewezen nog geen studies nog een studies nog geen studies
Nevenwerkingen - maagdarmlast
- lactaatacidose (zeldzaam) - hypo
- gewichts-toename - gewichts-toename
- oedeem
- hartfalen - Maag-darmlast
Contra-indicaties situaties met ↑ risico op lactaatacidose:
- nierinsuff
-leverinsuff
-ernstige harts-decompensatie
-ernstige COPD - nierinsuff - leverinsuff
- harts-decompensatie
- combinatie insuline - nierinsuff
Kostprijs € € € €€€ €€
Terugbetaling België OK OK OK enkel in combinatie met SU of metformine Niet terugbetaald
7.2 Insuline
Insuline moet als eerste keuze worden gebruikt in de volgende situaties:
- DMI
- Zeer hoge nuchtere glycemie > 300 mg/dl, die niet daalt met dieetmaatregelen (→ men kan proberen orale antidiabetica op te starten)
- Zwangerschap
- Contra-indicaties voor orale antidiabetica
Inschakelen van insuline wanneer het niet lukt met orale antidiabetica de glycemie onder controle te houden.
Insuline Merknaam Starwerking Piek Duurwerking
Ultrasnel lispro insuline Humalog®
Novorapid® 5-15 min
1 u
3-5 u
Snel regular insuline Actrapid®
Humuline
Regular® 20-30 min 2 u 6-8 u
Intermediair NHP-suspensie Insulatard®
Humuline
NPH® 1-2 u 4-6 u 10-18 u
Traag Zn suspensie Monotard®
Ultratard® 1-2 u
4 u 4-6 u
6-8 u 10-18 u
20-24 u
Ultratraag glargine detimir Lantus®
Levemir® 2 u Geen
3-4 u 24 u
18-24 u
Mengsel regular + NPH
aspart + aspart-protamine NPL Humuline®
Mixtard®
Novomix®
8. Voeding
= Komt overeen met een normale, gezonde voeding.
8.1 Doelstellingen
- Volwaardige, gezonde voeding
- Energetische samenstelling: handhaven G? → meeste DMII-patiënten zijn zwaarlijvig = energiebeperking!
- Normaliseren van de metabole stoornissen: schommelingen glycemie worden voorkomen, glycemie verlaagd en bijdrage tot preventie van acute en chronische verwikkelingen
- In evenwicht brengen van de voeding, lichamelijke inspanning en medicatie
8.3 Samenstelling
8.3.1 Eiwitten
Zonder nefropathie : 10-20 EN%. DMI + nefropathie 0,8 g/kg lichaamsgewicht/dag.
Onvoldoende bewijzen naar type eiwit (plantaardig vs dierlijk).
8.3.2 Vetten
Aandacht naar vervanging verzadigde vetzuren en transonverzadigde vetzuren.
Bij geïsoleerde verhoogde LDL < 30 EN%. Bij matige triglyceridemie (150-400 mg/dl) en laag HDL: verhoging MUFA’s tot 15 EN% met < 30 EN% totaal vet + reductie EN% KH.
8.3.3 Koolhydraten
Afhankelijk van limieten vetten en eiwitten 50-60 EN% → geen bewijzen dat er KH-arme voeding moet zijn.
Factoren die de glycemie beïnvloeden:
- Totale hoeveelheid KH
- Type suiker
- Soort zetmeel
- Industriële productieproces en de bereiding thuis
- Vorm van toediening
- Kauwproces
- Interactie andere voedingscomponenten
Het concept van glycemische index (GI): maat voor de snelheid waarmee een koolhydraat-bevattend voedingsmiddel wordt verteerd en geabsorbeerd en de glycemie postprandiaal doet stijgen. GI =
→ inter-individuele verschillen in glycemie respons zijn erg groot
Meta-analyse van 14 studies: gebruik laag GI vs hoog GI voeding: HbA1c 0,43% lager is.
KHRW-systeem: inzicht totaal aantal KH = belangrijker dan type KH. Gebruik suikers < 10 EN%. Dosis medicatie/insuline aanpassen aan KH-inhoud en -bron van de maaltijd. Spreiding KH over de ganse dag van belang voor fysieke activiteit en medicatie.
Nu hoeven geen tussenmaaltijden als men werkt met 1 ultratrage injectie en multipele injecties met ultrasnelwerkende → educatie is zeer belangrijk!
ADA en EASD stellen dat de voorkeur gaat naar KH uit volkoren producten, fruit, groenten, ...
EASD > 40g vezels/dag.
Zoetmiddelen kunnen worden gebruikt.
8.3.4 Alcohol = Matig!
Vrouwen 1 glas/dag en mannen 2 glazen → risico op hypo voorkomen = alcohol bij maaltijd. Alcohol beperken bij overgewicht, hypertensie en/of hypertriglyceridemie, zwangerschap, ernstige neuropathie, erectiele dysfunctie of pancreatitis.
8.3.5 Micronutriënten
Onvoldoende bewijzen dat suppletie gunstig effect zou hebben op gezondheid van de patiënt.
Hoofdstuk 6: Voedingsgewoonten in België
1979-1984: epidemiologische onderzoeken over verband tussen voedingsgewoonten en gezondheid. Gegevens over huidige gewoonten van Belgische bevolking tussen 25-75 jaar.
170 toevalswijze gekozen gemeenten, verdeeld over 43 arrondissementen. In totaal namen 5640 mannen en 5070 vrouwen aan het onderzoek deel = BIRNH-studie (Belgian Interuniversitary Research on Nutrition and Health).
1. Energieverbruik
Hoger in mannelijke populatie. In beide geslachte daalt de inname met de stijgende leeftijd.
2. Energieaanbrengende stoffen
Mannen meer eiwitten, vetten, KH en alcohol. Alcohol bij de man 22 g = 4 x hoger dan bij de vrouw (5 g). Alcoholverbruik daalt licht met de leeftijd bij mannen. Overige voedingsstoffen weinig verschil tussen de geslachten. Als we de energie aangebracht door alcohol niet meetellen dan is de verdeling: 14% eiwitten, 15% vet en 41% KH voor beide geslachten.
3. Vetten en cholesterol
De opgenomen hoeveelheid bedraagt ruim 40%. Geen verschillen tussen geslachten, maar wat betreft de regio’s: Wallonië meer VVZ en minder PUFA’s dan in Vlaanderen.
Vlaanderen Wallonië
VVZ ± 17 EN% ± 19 EN%
PUFA’s ± 8,5 EN% ± 6,5 EN%
P/S 0,60 0,4
Cholesterolinname voor beide geslachten en alle leeftijdsgroepen ligt boven 280 mg, is groter bij mannen dan bij vrouwen en is groter in Wallonië dan in Vlaanderen. De cholesterolinname daalt met leeftijd.
4. Vezels
- Vrouwen 19,7 g/dag
- Mannen 22,7 g/dag
5. Besluit
Dit onderzoek illustreert foutieve voedingsgedrag van onze bevolking. Afwijkingen situeren zich vooral op vlak van hoog vetgebruik, in het bijzonder een te hoog gebruik van verzadigd vet. Deze doen zich voor bij beide geslachten en in alle leeftijdsgroepen, maar variëren wel naargelang van de regio.
Hoofdstuk 7: Malnutritie. Enterale en parenterale voeding
1. Prevalentie ondervoeding
Komt voor bij gehospitaliseerde patiënten:
- 50% op acute interne of chirurgische afdelingen → matig tot slechte toestand
- 15-25% op minder acute verpleegeenheden
- 45% oncologische patiënten hebben gewichtsverlies van 10% van het ideale gewicht
- 20% van vorige zelfs 20% gewichtsverlies
- 8-12% thuiswonende bejaarden > 80 jaar
2. Gevolgen ondervoeding
2.1 Algemeen
Volledige voedselonthouding → 60 dagen overleven. Energiebehoefte van gehospitaliseerde patiënten ligt hoger door trauma of stress dan tijdens gewoon vasten → dood treedt sneller op.
Klinische gevolgen van malnutritie:
- Afname spiermassa en actieve celmassa
- Afname viscerale eiwitten en oedeem
- Gestoorde wondheling
- Apathie (minder reageren op stimuli → psychisch disfunctioneren)
- Gestoorde orgaanfunctie: darm lever en hart
- Dood (meestal N-dood)
2.2 Metabool antwoord op vasten en trauma
2.2.1 Metabole gevolgen van vasten
Gezond lichaam is in staat over te gaan van 3 eetmomenten/dag naar korte of zelfs langdurige toestand van vasten dankzij metabool regulatiesysteem → weefselreserves worden aangesproken + energie- en eiwitsparende situatie treedt op.
2.2.2 Metabole gevolgen van ziekte en stress
Gezonde personen: bij vasten minder eiwitafbraak + meer vetverbranding. Zieke personen: deze mechanismen niet aanwezig → volgens volledig ander patroon met samenspel van neuro-endocriene, metabole en immunologische veranderingen.
= Stressrespons
→ Doel: voldoende substraat metaboliseren om gewijzigde (verhoogde) behoeften te dekken en weefselherstel en genezing te bevorderen. Optreden van deze respons is afhankelijk van de ernst van de stress en kan variëren ngl leeftijd, geslacht en voedingsstatus van de patiënt. Zo is een bij stress optredende katabole reactie bij jonge, welgevoede personen groter.
De stressrespons bestaat uit 3 fasen:
Ebbe: hemodynamische stabiliteit verzekeren (BD behouden, zorgen dat men niet doodbloed).
Kenmerken: hypometabolisme, glycogeenmetabolisme en resistentie van de perifere doelorganen voor hormonale stimuli. Zelfs na ernstige trauma duurt deze niet langer dan 6-18 uur.
Vloed: wanneer aanpassingen tot het overleven van de patiënt hebben geleid gaat deze fase in.
Kenmerken: hypermetabolisme en mobilisatie van energetische substraten → secretie van stress-hormonen (cortisol en catecholamines) en van glucagon en groeihormoon stijgt. Zal bij geen andere verwikkelingen ± 5 dagen duren, maar bij ernstige stress tot 60 dagen.
Toegenomen energiemobilisatie vergt hoge prijs:
- Snel gewichtsverlies
- Sterk negatieve N-balans met onderdrukking eiwitsynthese, stijging proteolyse spieren
- Stijging hepatische gluconeogenese, glycemiestijging en insulineresistentie, verhoogd glucoseverbruik in hersenen en weefsels
- Lipolyse zonder ketoadaptatie door hersenen
Voedselopname (enteraal of parenteraal) is essentieel tijdens deze vloedfase → indammen van het katabolisme.
Anabole fase: herstelfase, afhankelijk van de ernst en type trauma → duurt 5-50 dagen.
Katabole processen niet langer actief + energetische en stikstofnood normaliseren → positieve energie- en stikstofbalans bekomen.
3. Oorzaken ondervoeding
3.1 Onvoldoende aanbod van voeding
Risicogroepen
Meestal gevolg van ziekte. Risicogroepen zoals economisch zwakkeren, alcoholici, bejaarden of bij strenge naleving van religieuze tradities.
Anorexie
Door depressieve toestand maar meestal door onderliggend organische aandoening, maar ook GM kunnen oorzaak zijn.
Vermindering/verandering van smaak en geur + nausea
Ten gevolge van ziekte kan een onaangename smaak voorkomen of het krijgen van een afkeer van bepaalde voedingsmiddelen. Bij anderen kunnen de GM voor misselijkheid zorgen. Eens malnutritie is opgetreden leidt atrofie van smaakpapillen en onvoldoende voeding tot verandering van smaak en geurperceptie.
Aandoeningen van de mondholte, farynx en slokdarm
Verlies van tanden, slechtzittende prothese, speekselaandoeningen, … Afwijkingen van het slikmechanisme zijn frequent in geval van aandoeningen van mondholte, farynx of slokdarm of kunnen het gevolg zijn van een CVA.
Abdominale pijn of braken
Door gastro-intestinale aandoeningen → aanbreng voedsel daalt ook al is eetlust normaal.
Medische onderzoeken en beperkende diëten
Onderzoeken waarbij patiënt lang nuchter moet blijven → voeding kan verminderen. Als iatrogene oorzaak: beperkende diëten en hypocalorische glucoseperfusies.
3.2 Verhoogde verliezen van nutriënten
Malabsorptie en steatorree
Normale omstandigheden: weinig verlies van energie en eiwitten. In geval van ziekte kunnen deze verliezen ten gevolge van malabsorptie toenemen. Steatorree bij diffuse aantasting van dunne darm, bij pancreasinsufficiëntie of cholestatische aandoening → leidt tot verlies van energie. Zo kunnen vitaminetekorten ontstaan zoals osteomalacie en stollingsstoornissen. Ook verlies van mineralen zoals Calcium, Magnesium en Zink kunnen optreden.
Intestinale fistels
Bij digestieve inflammatoire aandoeningen of ten gevolge van een chirurgische ingreep → leiden tot verlies van voedingsstoffen en elektrolyten.
Renaal
Nutriënten kunnen verloren gaan in geval van bv. proteïnurie, hemodialyse of peritonitis.
Huid
Voedingsbestanddelen kunnen verloren gaan bij doorsijpelen van vocht dat rijk is aan elektrolyten en eiwitten zoals bij zware brandwonden.
3.3 Verhoogde nutritionele behoeften
Door ziekte, trauma of stress versnellen metabole processen → ontstaan hypermetabole toestand. Koorts: voor elke graad boven de normale T → ruststofwisseling met 10% verhoogt. Tijdens vloedfase van stressrespons verhogen nutritionele behoeften aanzienlijk.
3.4 Multifactoriële etiologie
3.4.1 Ondervoeding bij bejaarden
Er kunnen verschillende factoren een rol spelen: ziekte, medicatie, eenzaam, immobiel, verward, depressief, …
3.4.2 Kankercachexie
Op metabool vlak vergelijkbaar met hypermetabolisme van stress en trauma. Oorzaken zijn gedaalde inname en gedaalde gastro-intestinale opname van voedsel en anderzijds metabole afwijking secundair aan de tumor.
3.4.2.1 Daling van in- en opname van voedsel
Anorexie door veranderde smaakperceptie:
= stijging bitter en daling zoet
- Verminderde GI secreties en contracties
- Verminderde insulinerespons op glucose
- Verhoogde concentratie vrije VZ en melkzuur
- Gewijzigde concentratie AZ in circulatie en tryptofaan/serotonine stijgt in hersenen
Nausea/vomitus door chemo- of radiotherapie
- Levermetastasen (uitzaaiingen)
- Verhoogde intracraniele druk bij bv. hersenmetastasen
GI obstructie door tumorinvasie darmwand
- Fibrose na heelkunde of radiotherapie
Malabsorptie door exocriene pancreasinsufficiëntie bij tumor pancreas
- Diffuse aantasting dunne darm bv. lymfoma
3.4.2.2 Metabole afwijkingen secundair aan tumor
Tumor kan functioneren als energie- en stikstofval. Energiebron tumor = glucose afkomstig van voeding en van verhoogde hepatische gluconeogenese. Dit resulteert in:
- Melkzuur → glucose in tumor gerecycleerd
- Stijging eiwitkatabolisme in spieren, waarbij vrijgekomen aminozuren worden gebruikt in gluconeogenese als precursoren
- Verhoogd energieverbruik (ATP) geleverd door toegenomen hepatische en perifere lipolyse
Voor de niet geïnhibeerde eiwitsynthese van de tumor wordt gebruikt gemaakt van aminozuren uit voedingseiwitten en uit verhoogd proteolyse in de spieren.
4. Bepaling van de voedingsstatus
4.1 Anamnestische en klinische evaluatie
Van belang bij anamnese is ondermeer:
- Gewichtsverlies tijdens laatste maanden
- Evolutie eetlust en van smaak- en geurperceptie
- Eenzaamheid en depressie
- Socio-economische toestand
- Voorafgaande langdurige opname in instelling
- Vroeger uitgevoerde chirurgische ingrepen
- Bestaan van chronische ziekten of van infecties
- Medicatie en alcoholconsumptie
- Nausea braken diaree of andere intestinale klachten
- Evaluatie van de voedselconsumptie
→ Voedselresten noteren + evalueren (op de verpleegeenheid)
De extreme symptomatologie van ondervoeding is bij klinisch onderzoek vaak niet aanwezig.
In het bijzonder dient men te letten op:
- Spieratrofie
- Huid: verlies subcutaan vet, oedemen (eiwitten, B1), trage wondheling en decubitus (eiwitten, Zn, vit C), dermatitis (B2), droge huid en hyperkeratose (essentiële VZ, Zn, vit A), bloedingen (vit C, K), dunne beharing (eiwitten, Zn), oraal, glossitis (B2, B6, B12, FZ, Fe), angulaire stomatitis (B2, Fe), sublinguale petechieën en tandvleesbloedingen (vit C)
- Neurologie: verwardheid (dehydratatie, B1), gestoord evenwicht (B1, B12), adynamie, verlammingen (B1, B6, B12)
- Botpijn (Ca, P, vit C, D)
4.2 Antropometrisch onderzoek
= onderzoek van lichaamssamenstelling en van de lichaamsmaten → 2 compartimenten model: vetvrije massa (spiermassa, skeletmassa, organen en extracellulair vocht) en vetmassa.
Gewicht en lengte:
Gewichtevolutie is essentieel → rekening houden met deshydratatie of oedeemvorming.
BMI (gewicht/lengte-index met goede correlatie met de vetmassa).
Huidplooimeting:
Tricepshuidplooimeting = maat voor reserve van lichaam dmv kaliper aan rugzijde van de niet- dominante bovenarm, halfweg tussen acromion van scapula en olecranon van ulna.
Spiermassa:
Mid-arm spieromtrek = maat voor spiermassa. Voor de berekening gaat men uit van de tricepshuidplooi en van de op hetzelfde niveau gemeten armomtrek: mid-arm spieromtrek = armomtrek – (3,14 x tricepshuidplooi).
Referentiewaarden Tricepshuidplooi Mid-arm spieromtrek
Man 12,5 mm 25,3 cm
Vrouw 16,5 mm 23,2 cm
4.3 Biomedisch onderzoek
4.3.1 Immunologische testen
Totale lymfocyten: lymfocytopenie → aanduiding malnutritie, maar wordt beïnvloedt door veroudering, steroïden en chemo- en radiotherapie.
4.3.2 Viscerale eiwitten
Eiwitten Range Halfwaarde-tijd (dagen) Verlaagd bij: Verhoogd bij:
Albumine 3,5 – 4,5 g/dl 18 - leverfalen
- overhydratatie
- nefrotisch syndroom
- ZW - deshydratatie
Transferrine 200-400 mg/dl 8 - chron. infectie
- leverfalen
- nefrotisch syndroom
- ijzer overlading - ijzer tekort
- zwangerschap
Prealbumine 20-40 mg/dl 2 - infectie
- leverfalen
- heelkunde
- nefrotisch syndroom
Retinol- bindend eiwit 3-6 mg/dl 0,5 - leverfalen
- hypertyroidie
- Zn tekort
- nefrotisch syndroom - nierfalen
4.3.3 Stikstofbalans
Dynamische evaluatie van N-evenwicht: belangrijk omdat eiwitten een beperkende factor van overleving blijkt te zijn. Meting N-balans = goede parameter eiwitbalans. Kan door het collecteren van urine gedurende 24 u voor bepaling van ureum of totaal N + niet gemeten verlies van N via huid en feces (2-4 g/dag). → Via urine minimum 2 g, in geval van massieve eiwit-afbraak 30 g/dag. De N-balans is negatief wanneer aanbod in voeding kleiner is dan de som van de excretie via urine en het niet-meetbare verlies.
- Gram N2 IN = enteraal + parentaal eiwit/6,25
- Gram N2 UIT = g ureum in 24 u urine/2,15
+ 2-4 g N2
+ eventuele proteïnurie g 24 u/6,25
+ eventuele extra verliezen via drainage, peritoneum, …
4.3.4 Besluit
Bij diagnose wordt niet uitgegaan van 1 parameter maar van een combinatie van elementen, rekening gehouden met anamnese, kliniek, evolutie van gewicht en antropometrische parameters, hypoalbuminemie, lymfopenie en gericht biomedische onderzoeken:
Graden van malnutritie:
Parameters Depletie
Mild Matig Ernstig
Tricepshuidplooi
(% van standaard) 50-90 30-50 < 30
Mid-armspieromtrek
(% van standaard) 80-90 70-80 < 70
Albumine (g/dl) 3-3,4 2,1-3 < 2,1
Lymfocyten (mm3) 1200-1500 800-1200 800
Gewichtsverlies (%)
1 week
1 maand
3 maanden
6 maanden
< 1
< 2
< 5
< 7,5
1-2
2-5
5-7,5
7,5-10
> 2
> 5
> 7,5
> 10
5. Algemene strategie bij ondervoeding
Zie apart blad
6. Enterale voeding
Bij alle patiënten waar gastro-intestinale functie dit toelaat. Recent is heel wat aandacht uitgegaan naar methoden om de toepassing te optimaliseren. Het is inderdaad gebleken dat:
- ongepaste keuze type enterale voeding
- slechte keuze na plaatsing van sonde
- routinegebruik van startregimes
- automatisch reduceren van infusiesnelheid van sondevoeding bij intestinale klachten het rendement van enterale voeding sterk beperken.
6.1 Enterale voedingen
6.1.1 Bijvoedingen
Orale, vloeibare bijvoeding = ‘sip feeding’ → nuttige om een dreigend of beperkt voedingstekort op te vangen.
Bij bejaarden: teveel eiwitten = uremie, veel renaal waterverlies, deshydratatie en hypernatriëmie.
6.1.2 Sondevoedingen
6.1.2.1 Polymere producten
Bevatten volledig eiwit als N-bron. Vereisen normaal functioneren van gastro-intestinaal systeem met intact enzymenstelsel en weinig gestoorde absorptie.
Standaardsondevoeding: 1 kcal/ml, 130-150 niet eiwit kcal/g N2, volledig eiwit als N bron (5-7 g N2/l), KH ovv polysacchariden, vetten ovv lange keten TG (36 EN%), 800-900 mg Na/l, min. behoefte van mineralen, spoorelementen en vitaminen bij dagtoediening van 2000 kcal, lactosevrij of -arm.
Energierijke polymere sondevoeding: 1,5 kcal/ml, volledig eiwit als N-bron, meer polysacchariden, analoge concentratie andere nutriënten als standaardvorm. Indicaties: hyperkatabolisme en/of vochtbeperking bij patiënten met normale GI functies.
Vezelrijk: met vezels verrijkte standaardsondevoeding (22 g voedingsvezel/l) = duur + sonde kan verstoppen.
Startvoeding: verdunde standaardsondevoeding met een energetische densiteit van 0,5 kcal/ml, per 100 ml 50% van de macronutriënten en mineralen aanwezig in standaardsondevoeding, gehalte vitaminen is analoog aan dat van standaardvoeding.
6.1.2.2 Monomere producten
Monomere, voorverteerde sondevoedingen: hebben als N-bron ofwel korte-keten peptiden ofwel AZ. Bij patiënten met ernstige dysfunctie van GI systeem → kostprijs = 2-4 maal hoger. Superioriteit van korteketen peptide tov AZ tov N-balans = niet voldoende bewezen ook al wijzen vele studies erop dat oligopeptiden beter worden geabsorbeerd dan AZ.
Korteketen peptiden sondevoeding: 1 kcal/ml 125-175 niet eiwit kcal/g N2, 5-7 g N2/l oligopeptiden, KH ovv polysacchariden, vetten medium-chain TG (9-35 EN%), 460-700 mg Na/l, meeste spoorelementen, mineralen en vitaminen voldoende aanwezig.
Aminozuren sondevoeding: verdunning met 1 kcal/ml, 235-290 niet eiwit kcal/g N2/l, 3-6 g N2/l aminozuren, 1-3 EN% vetten, 460 mg Na/l, mineralen, vitaminen en spoorelementen voldoende aanwezig.
6.1.2.3 Modulaire producten
= afzonderlijke voedingscomponenten zoals eiwitten, vetten en KH door eigen behoeften met sondevoeding worden gemengd.
6.2 Enterale voeding in de praktijk
= goedkoop en veiliger dan parenterale.
Opstarten zonder supervisie van dokter = afgeraden omdat er toch verwikkelingen kunnen optreden.
6.2.1 Type nasogastrische sonde
Microsonde zou voordelen leveren tov bredere en meer rigide sondes die tot nasofaryngale irritatie, oesogaitis en maagerosie kunnen leiden. Daarom voorkeur naar microsonde buiten bij patiënten met longaspiratie.
Ze zijn echter niet probleemvrij:
- nasobronciale insertie bij plaatsing is groter
- verplaatsing uiteinde van sonde gebeurt vaker → dagelijkse controle dmv lucht insufflatie noodzakelijk
- aspiratie van maaginhoud via microsonde is vrijwel onmogelijk
- kleine diameter belet passage van sondevoeding met hoge viscositeit: na elke voedingsperiode moet sonde gespoeld worden met 30-50 cc water
Soorten:
Jejunostomie 1: na operatie maag vaak niet gauw herstelt → dunne darm wel na 24 u
Gastrostomie 2: indien mogelijk rechtstreeks in de maag → geen last via neus
Nasodeodunale sonde 3: via neus naar duodenum
6.2.2 Bolus of continue voeding?
Bolusvoeding via bredere sonde om de 3-6 uren 250-500 ml aan maximaal 60 ml/min.
Voordelen:
- benadert normale voedingspatroon en zou daardoor op metabool en hormonaal vlak meer fysiologisch zijn
- doorlopend hoge insulinemie vermeden
- patiënt is niet bedgebonden
Nadelen:
- maagontleding verloopt ongecontroleerder dan bij continue (24 u op 24 toediening)
- over 24 u vergt bolustechniek tot 1 u meer tijd van verplegers
- hoeveelheid effectief toegediende voeding is beduidend lager dan bij continuevoeding
Kiezen voor continue voeding omwille van: hogere efficiëntie van voedingsinterventie, betere tolerantie, kortere verzorgingstijd.
6.2.3 Startregime
Men kwam te weten dat de GI nevenwerkingen te wijten waren aan de hoge osmolaliteit van de sondevoeding daarom begint men nu met een startregime en drijft men de osmolaliteit traag op over 3-4 dagen.
Prospectieve, gerandomiseerde onderzoeken hebben aangetoond dat startregimes de GI nevenwerkingen niet verminderen, maar wel de efficiëntie van de voedingsinterventie onnodige verlagen → niet langer verantwoord routinematig startregimes te gebruiken. Wel wanneer er langdurige sondevoeding zal moeten worden toegediend en er atrofie van de darmmucosa of ernstige malabsorptie kan ontstaan.
6.2.4 Diarree
= droog stoelgangsgewicht > 150 g/24u of wanneer watergehalte van de stoelgang > 1500 ml/24u → 10-20% van de patiënten hebben hier last van.
Komt door zowel door lactose-intolerantie als de hoge osmolaire lading van de sondevoeding. Bij continue toediening blijken beide niet bij te dragen aan de diarree.
Majeure oorzaken diarree tijdens sondevoeding zijn:
- GM: deze inhiberen fermentatie KH → minder SCFA + daling opname Na en water
- Bij patiënten met ‘short gut’ syndroom en aantasting colonfunctie is min. 2000 mg Na/l nodig om diarree te voorkomen
- Te lage temperatuur van de sondevoeding
- Besmeeting van de voeding
- Laxativa
Bij diarree moet men zoeken naar de oorzaken en niet meteen het infuusritme van de voeding reduceren.
6.2.5 Metabole verwikkelingen
Extra aandacht voor vocht- en elektrolytenhuishouding: deshydratatie en hypernatriëmie/ vochtretentie en hyponatriëmie komen bij bejaarden vaak voor.
Hypertone deshydratatie kan een resultaat zijn van:
- onvoldoende vochttoevoer
- te hoog aanbod eiwit en/of Na
- abnormale vochtverliezen bij koorts, diarree fistel of drainage
Hyponatriëmie en vochtretentie zorgen voor problemen bij starten sondevoeding: 1e dagen obligate vochtretentie, vooral bij patiënten met nierfalen verhoogd dit het risico op hartsdecompensatie → beperking vocht, energiedense voeding of diuretica kunnen dit risico reduceren.
Naast vocht en natriumbalans dient tijdens sondevoeding ook ondermeer de kaliumhuishouding te worden gevolgd.
Hyperglycemie komt in katabole toestand vooral voor ten gevolge van insulineresistentie.
6.2.6 Besluit
Optimaliseren van enterale voeding door juiste productkeuze en doorgedreven klinische en verpleegkundige supervisie.
Orale bijvoeding kunnen bij vele patiënt voedingstekort opvangen. Sondevoeding bij patiënten met vrijwel normale GI functie bestaat uit 2-2,5 l standaard polymere voeding, toegediend via naso-gastrische microsonde in continue 24 uren zonder startregime. Patiënt met ernstigere stoornissen van de maag-darmfunctie worden best gevoed met monomere producten.
7. Parenterale voeding
= intraveneuze voeding sedert ’70 in ziekenhuizen en recent ook ambulant toegepast
Bestaat uit:
- Aminozuren
- Niet-eiwit energie: glucose en vetten (30-40 EN%)
- Mineralen, spoorelementen en vitaminen
Dergelijke oplossing zijn hyperosmolair → via centrale ader met grote diameter en hoge flow toegediend (v. subclavia of v. jugularis).
Oplossingen met lagere osmolariteit obv voornamelijk vetten kunnen wel via infuuslijn in oppervlakkige voorarm- of elleboogvenen worden gegeven. Deze perifere parenterale voeding is bedoeld voor korte periode (8 dagen) en een beperkter energietoevoer (1800 kcal).
Wetenschappelijk Engels (2VX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-25). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2010
- 2 Nederlandse zinnen naar het Engels vertalen
* 3 Engelse zinnen naar het Nederlands vertalen
* 8 verbs omzetten in a noun en omgekeerd
* 3 zinnen die telkens op 2 manieren zijn geschreven. Jij moet het verschil geven tussen de 2. bv ‘the patient used to sleep’ en ‘the patient is used to sleep’
* Een tekstje waar dat je het al ‘voorgemaakte’ schema moet aanvullen.
* Een andere tekst waar je vragen over moet beantwoorden.
* Een lange tekst ( 7 p). Je moet zeggen of dit een scientific article is of niet, en aantonen waarom. Dit moet door zowel de vorm van de tekst als de taal te bespreken.
Januari 2012
DEEL 1 (zonder glossary)
text: "Reading scientific and technical texts" by James H. Collier
List the 7 structural elements of a scientific text and explain briefly their content and/or use.
What aspect of an author(s) can reveal whether or not a paper is subject to potential biases of the research? Explain your answer.
Explain the press and journals review system of papers offerd for publication and how this can influence your impression of a plublicized article.
DEEL 2 (met glossary)
Vraag 1: 4 zinnen vertalen naar het Nederlands
Vraag 2: 10 vragen oplossen over een toegevoegd wetenschappelijk artikel.
Wetenschappelijk bronnenonderzoek (2VX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2020-02-19). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2009
Een 56-jarige patiente met diabetes type II vraagt of het nuttig is om het voedingssupplement "Diebacinn" te gebruiken. In de folder staat dat de werking wetenschappelijk bewezen is.
- Gebruik de stappen voor evidence based handelen om een juist advies te geven.
- Gebruik de Jadad-score voor 1 van de gevonden teksten.
Januari 2012
- Pico-methode - Zoekpad - JADAD-score - Impactfactor - Niveau van evidence - Correct refereren
Voedings- en dieetkunde – fase 3
Chemie en biotechnologie van de levensmiddelen (3VX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2021-09-18). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Mondelinge vragen (30 pnt)
- Kleurafwijkingen in producten rijk aan chlorofyl. Hoe kan je dit verhinderen? Link dit met de Z-waarde voor kwaliteit. bijvraag: wat weet je van carotenoïden?
- Hoe wordt in de Belgische warenwetgeving yoghurt beschreven. Wat weet je van de melkzuurbacteriën, wat zijn de gevormde metabolieten en geef het bereidingsschema van roer- en standyoghurt.
Schriftelijke vragen (70pnt)
- Welke factoren beïnvloeden de ademhaling van fruit en aanpassingen (20pnt)
- Wat zorgt voor kleurveranderingen van vlees (10pnt)
- Wat is het effect van microgolfstralen op de nutritionele en sensorische kwaliteit? (10 pnt)
- Bespreek volgende termen 30 pnt (3pnt per term)
- Volconcentraten en deelconcentraten van kaas
- Rijping van boter
- FAVV
- GMP
- anti-oxidanten en belangrijkste voorbeelden
- desinfestatie
- parabenverbindingen
- carrageen
- margarineproductie
- boterproductie
- roomijsproductie
- yoghurt
- gentherapie
- invriezen
- PCR
- ettiket: woordjes verklaren
- ademhaling fruit
Mondeling:
- Wat wordt er verstaan onder 'biotechnologie'? Welke technieken bestaan er?
- Op welek manieren kan je een hittebehandeling optimaliseren?
Schriftelijk
- yoghurt: bereiding, metabolieten, bacteriën
- evaporief drogen
- additieven: fosfaten, diglyceriden, gemodificeerd zetmeel
- vlees: wat gebeurt er tijdens rigor mortis en hoe beïnvloedt dat de kwaliteit?
Januari 2010
Mondeling
- Welke richtlijnen moeten in acht genomen worden bij thermische procesoptimalisatie? (20)
- Hoe wordt kaas geproduceerd? Welke zijn de toevoegsels? (20)
Schriftelijk
- Welke factoren hebben een invloed op de bewaarduur van fruit? (10)
- Hoe wordt olie geproduceerd? Welke soorten zijn er? (10)
- Bespreek BSE en PSE-vlees. Hoe ontstaat dit? (5)
- Bespreek vriesdrogen. Wat is het effect op oploskoffie? (5)
- 5 begrippen etiket (3 pnt per): disfosfaten, natriumnitriet, ...
- 5 begrippen bespreken (3 pnt per): RFID + intelligente verpakking (nanotechnologie), cartagena protocol, xerotransplantatie, gentherapie
Mondeling (sept)
- bespreek bruinkleuringsreacties (20)
- bespreek yoghurt (20)
Schriftelijk
- de ademhaling van fruit en aanpassingen (10)
- kleurveranderingen van vlees (10)
- bespreek biotechnologie (10)
- 5 additieven (etiket mayonaise): eigeel, gemodificeerd zetmeel, caroteen, … (15)
- 5 begrippen: biosensor, intelligente verpakking (nanotechnologie), evaporatief drogen, extra vierge olijfolie (15)
Januari 2011
1) Welke factoren hebben bij het vriesproces invloed op de kwaliteit? Hoe vriest men praktisch in? Waarmee moet men opletten tijdens het ontdooien (20ptn). Extra bijvragen: praktische tips voor mensen hun vriezer thuis, welke temperatuur en waarom, ...
2) Wat verstaat men in de belgische wetgeving onder yoghurt? Hoe ondersteunen de microflora elkaar en welke metabolieten worden er gevormd? Geef een overzicht van het productieproces voor stand - en roeryoghurt. Geef hierbij een korte uitleg. (20pnt)
3) Wat verstaat men onder dielektrisch verwarmen? Verklaar het werkingsmechanisme. Welke toepassingen zijn hier mogelijk? Wat is de invloed op de kwaliteit van het levensmiddel? (10ptn)
4) Wat is biotechnologie? Welke klassen onderscheid men? Geef een aantal voorbeelden uit de voedingsindustrie. Hoe kunnen planten genetisch gemodificeerd worden? (10ptn)
5) Wat is zouten en pekelen? Welke problemen komen voor bij het pekelen? Hoe lost men deze praktisch op? (5ptn) (nog zoiets maar die ben ik helaas vergeten, op 5ptn)
6) Verklaar volgende factoren op het etiket. Beschrijf hierbij het werkingsmechanisme, waarvoor ze worden gebruikt,... Amylose, natriumfosfaten, diglyceriden, ... (3ptn per additief)
7) Verklaar volgende woorden: (3 ptn per vraag) FAVV, Smart delivery system, cartagena protocol, ...
Januari 2012
1) geef de bruinkleuringsreacties (mondeling)
2) Wat is biotechnologie, welke technieken worden er gebruikt(mondeling).
3) beschrijf het productieproces van boter
4) Wat is dielectrisch verwarmen, geef het werkingsmechanisme en toepassingen.
5) etiket additieven verklaren: gemodificeerd zetmeel, citroenzuur (en nog 3 andere)
6) termen verklaren: stevioside, radurisatie, Xenotransplantatie, (en nog 2 andere)
7) Wat is yoghurt volgens de Belgische wetgeving? Hoe wordt dit gemaakt? Bespreek het productieproces van roer- en standyoghurt. (20) (mondeling)
8) Gegeven invriescurve oplossing. Bespreek onderstaande invriescurve van een oplossing. Hoe vries je praktisch gezien in? Wel factoren bepalen de kwaliteit? (20) (mondeling)
9) Wat is biotechnologie? Geef toepassingen voor geneeskunde. Welke technieken worden gebruikt voor de modificatie van mens en dier? (10)
10) Wat is diëlektrisch verwarmen? Bespreek het principe. Welke toepassingen? Wat is het effect op de kwaliteit van het levensmiddel?
11) Bespreek de conditionering bij vlees (5)
12) Bespreek de proceswaarde. Hoe kan die bepaald worden? (5)
13) Additieven bij becel margarine (3 punten elk): zonnebloemlecithine, vitamine E, kaliumsorbaat, gemodificeerd tapiocazetmeel, gelatine
14) Verklaar (3 punten elk): EFSA, steviolglycosiden, minimal processing, actieve verpakking
15) Wat is gepulseerd licht? Waarvoor wordt deze techniek gebruikt? Geef enkele toepassingen?
16) Hoe wordt kaas bereid? Welke stoffen worden er toegevoegd?
17) Wat is pekelen en zouten van vlees? Welke problemen worden hierbij ondervonden? Wat kan je doen om deze op te lossen?
18) Welke factoren bepalen het rijpingsproces van fruit?
19) Additieven: Mono- en diglyceriden, Saccharine, Carrageen, ...
20) Begrippen uit te leggen: Biodiversiteit, Witboek, RFDI, ...
Augustus 2012
1)Welke veranderingen vinder er plaats in vlees tijdens de rigor mortis?(Schema kunnen geven) Wat is het effect op de kwaliteit van het vlees?(malsheid, waterbindend vermogen,...)(mondeling,20pt)
2) Wat verstaat men onder biotechnologie? Welke technieken bestaan er om een organisme genetisch te manipuleren? (organise ruim interpreteren: plant, mens, m.o) (mondeling 20pt)
3) Evaporatief drogen? Hoe gebeurt dit in de praktijk? Wat is het effect op het LM? (sensorische en nutritionele kwaliteit) (10pt)
3) Hoge drukbehandeling. (beschrijf) Wat is het effect op micro- organismen? Toepassing op levensmiddelen? (10pt)
4) Additieven van verpakking becel boter (groep en werking)(3pt per additief): kaliumsorbaat, gelatine, zonnebloemlechitine, vitamine E, gemodificeerd zetmeel, fosfaten,...
5) Verklaar: stevioside, rijping room, radurisatie, biosensor, LD50
Januari 2013
Productie van margarine. Wat zijn de kwaliteit en gezondheidsaspecten? Op welke manier kan je in de productie ervoor zorgen dat deze aspecten worden gewaarborgd? (10 punten)
Biotechnologie: wat is het+ toepassingen op mens en dier
Natriumascorbaat
natriumnitriet
pimaricine/natamycine
monoglutamaat
difisfaten
Begrippen:
actieve verpakking
radurisatie
pulsed elektric field
nanotechnologie
voorzorgsbeginsel
1) Hittebehandeling:
Wat is commercieel steriel?
Welke factoren beïnvloeden hittebehandeling?
Op welke manier beïnvloeden deze factoren de hittebehandeling?
2) Yoghurt: Wat is volgens de wetgeving yoghurt? Welke bacteriën zitten er in yoghurt en wat zijn hun metabolieten (+ wat doen deze)? Schema verschil standyogurt en roeryohurt + leg de stappen uit.
3) Gepulseerd licht: Wat is minimal processing? Wat is gepulseerd licht? Hoe doet het zijn werking? Geef toepassingen
4) Wat is biotechnologie? Leg uit hoe men genetisch modificeert bij planten.
5) Mayonaise additieven (geef functie + werkingsmechanisme)
6) Begrippen uitleggen: radicitatie, DFD vlees, richtlijn, extra olijfolie eerste persing, intelligente verpakking
examenvragen: Leg commercieel steriel product uit, welke factoren spelen mee in het kiezen van een thermische warmtebehandeling en leg uit.
- welke veranderingen treden op bij de rigor mortis + leg verder uit
- wat is diëlektrisch verwarmen, leg principe uit + kan men via deze techniek ook de houdbaarheid verlengen? zo ja leg uit. geef nog meerdere toepassingen van deze techniek. wat is biotechnologie + hoe wordt dit toegepast op mens en dier. additieven: kaliumsorbaar, citroenzuur, kinine, guargom, ascorbinezuur begrippen: radurisatie, intelligente verpakken, olijfolie van eerst persing,
Mondeling
1)Invriescurve oplossing wordt gegeven. Verklaar aan de hand hiervan waarom vriespuntsverlaging noodzakelijk is. Bij welke temperatuur vries je best in. Geef de invloed van het invriesproces op de kwaliteit van levensmiddelen. Hoe vries je praktisch gezien in. (25p) 2)Hoe wordt yoghurt wettelijk omschreven. Verklaar de interactie tussen de 2 bacteriën en geef de metabolieten die hierbij worden gevormd. Geef en leg het bereidingsschema uit van stand- en roeryoghurt. (25p)
Schriftelijk
1)Wat is biotechnologie en geef toepassingen om planten genetisch te modificeren. (10p) 2)Waarom is hoge drukbehandeling evengoed als een hittebehandeling. Wat zijn de voordelen ivm een traditionele hittebehandeling. Geef toepassingen van hogedrukbehandeling. (10p) 3)Additieven: carrageen, kaliumfosfaat, rebaudioside A, beta-caroteen, citroenzuur. (elk op 3p) 4)Begrippen: RFID, melkserum, verordening, DFD-vlees, nanotechnologie. (elk op 3p)
Januari 2014: 1) wat is appertisatie, pasteurisatie en f waarde. Leg uit hoe bepaalt wordt welke verhitting wordt toegepast op een levensmiddel 2) yoghurt: definitie, werking, metabolieten en schema 3) wat is dfd vlees en les uit hoe het tot stand komt 4) wat is een GGO en hoe kan dit in een LM worden opgespoord 5) een etiket met echt geen moeilijke additieven, de helft waren kleurstoffen! 6) woordjes uitleggen: intelligente verpakking, electriciteitsnet pulsed field, climacterisch fruit, MAP
Augustus 2013
Mondeling
1)Geef de verschillende bruinkleuringsreacties die kunnen voorkomen in levensmiddelen en hoe deze voorkomen kunnen worden. 2)Geef het productieproces van margarine en wat zijn de toevoegsels.
Schriftelijk
1)Wat is biotechnologie en geef toepassingen in de voedingsindustrie. 2)Invloed van doorstraling op de kwaliteit van het levensmiddel en geef toepassingen. (10p) 3)Additieven: kopercomplexen van chlorofylinen, kaliumfosfaat, ascorbinezuur, arabische gom, citroenzuur. 4)Begrippen: RFID, PSE, verordening, minimal processing, ultrafiltratie.
Topsporters, recreatieve sporters en voeding (3VX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2021-09-18). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Januari 2009
- Bespreek HMB, waarom wordt er getwijfeld aan de werking
- Wat is "Window of opportunity"
- Vraag over werkje en indien je de judoka liet afvallen. Drie dagen voor de wedstrijd weegt uw judoka 83 kg, wat doe je?
- Een hordeloper komt jouw om advies vragen over voedingssupplementen en of ergogene middelen om optimaal vetvrije massa te bekomen. wat geef je hem als advies?
- Wat zijn de factoren die fysieke actviteit bepalen?
- Iemand doet een triatlon, deze duurt negen uur. wat geef je als advies voor tijdens de wedstrijd?
- Afhankelijk van je opdracht judoka:
De judoka weegt 3 dagen voor de weging 83kg, hij wil in de categorie -81kg vechten, wat is je advies?
De judoka weegt 3 dagen voor de weging 87kg, hij wil in de categorie -90kg vechten, wat is je advies?
- Een voetballer komt wil creatine gebruiken om meer kracht te hebben. Wat vertel je hem?
- Wat is glycogeensuperstapeling?
- Een triatleet neemt deel aan een wedstrijd, duur 9uur, wat is je advies ivm voeding na de wedstrijd?
- Een spurter wil een optimale vetvrije massa bekomen. Hij heeft gehoord dat dit kan door calcium- en chroomsupplementen. Wat geef je hem als advies?
- Wat betekent periodisering in de trainingsleer en hoe past het begrip progressieve overload hierin?
- Een marathonloper doet mee aan een volledig marathon van 9 uur. Wat geef je hem als advies qua drinken in de 24 uur voor de marathon?
Januari 2010
- Afhankelijk van je opdracht judoka:
- De judoka weegt 3 dagen voor de weging 82 kg, hij wil in de categorie -81 kg vechten, wat is je advies?(2% LGverlies met vochtmanipulatie)
- De judoka weegt 3 dagen voor de weging 87 kg, hij wil in de categorie -90 kg vechten, wat is je advies?
- Wat is glycogeensuperstapeling? Leg schematisch uit en wat zijn de moeilijkheden?
- Een voetballer komt wil creatine gebruiken om meer kracht te hebben. Wat vertel je hem en wat zijn de voor- en nadelen? (Bijvraag: hoeveel % van de voetbalploeg zou er baat bij hebben? 30%)
- Een marathonloper doet mee aan een volledig marathon van 9 uur. Wat geef je hem als advies voor eten en drinken in de 24 uur na de marathon?
Januari 2012
- Door welke factoren wordt fysieke activiteit bepaald?
- Een topspurter wilt graag vetvrije massa aankomen met calcium en chroomsupplementen. Wat adviseer je hem?
- Wat is de VO2-max?
- Verschil tussen aërobe en anaërobe inspanning
- OPDRACHT VOLLEYBAL: Stel, de speelster die je begeleidt valt door een blessure 3 maanden uit. Welke aanpassingen zou je doorvoeren in haar menu?
- Een hordeloper op Belgisch niveau komt naar je toe met de vraag of hij zijn vetvrije massa kan verhogen door middel van supplementen of ergogene middelen. Wat zou je hem aanraden?
- Welke adviezen over vochtinname zou je een triatleet geven in de laatste 24u voor de start van de wedstrijd als je weet dat hij er ongeveer 9u over zal doen.
- Opdracht judoka: 3 dagen voor de wedstrijd weegt de judoka nog steeds 62kg en hij wil in de -60kg klasse spelen. Wat doe je? (Tip: hij mag tot 2% veilig vocht verliezen)
- Wat is glycogeensuperstapeling? Welke nadelen zijn eraan verbonden?
- Een triatleet loopt gemiddeld 9u wedstrijd per dag. Welke adviezen geef jij hem op vlak van eten en drinken na de wedstrijd?
Januari 2013
1) Afhankelijk van je opdracht judoka:
- De judoka weegt 3 dagen voor de weging 62 kg, hij wil in de categorie -60 kg vechten, wat is je advies?
- De judoka weegt 3 dagen voor de weging 63 kg, hij wil in de categorie -66 kg vechten, wat is je advies?
2) Een Belgische top-hordeloper wil optimaal bijkomen in vetvrije massa. Hij vraagt of het nuttig zou zijn om voedingssupplementen/ergogene middelen in te schakelen. Wat is je advies?
3) Een triatleet gaat meedoen aan een volledige triatlon. Deze zal 9 uur aan één stuk duren. Wat raad je aan de triatleet aan van drinken 24 uur voor de aanvang van de wedstrijd?
1) Afhankelijk van je opdracht judoka: Kies 1 van de 2, de andere moet je niet uitwerken.
- De judoka weegt 3 dagen voor de weging 62 kg, hij wil in de categorie -60 kg vechten, wat is je advies?
- De judoka weegt 3 dagen voor de weging 63 kg, hij wil in de categorie -66 kg vechten, wat is je advies?
2) Wat betekent periodisering in de trainingsleer en hoe past het begrip progressieve overload hierin?
3) Een marathonloper doet mee aan een volledige marathon van 9 uur. Wat geef je hem als advies voor eten en drinken na de marathon?
Voeding bij baby�s, peuters en kleuters, ouderen en mensen met eetstoornissen (3VX)
Overgenomen uit de oude MediaWiki-examenwiki (archiefversie van 2021-09-18). 0% van deze tekst stond al in de nieuwe wiki.
Inhoud
- 1 Januari 2019: Psychologie
- 2 Januari 2019: Voeding en Farmacologie
- 3 Januari 2019: Toegepaste Dieetleer
- 4 Januari 2018: Voeding en Farmacologie
- 5 Januari 2008 voedingsleer
- 6 Januari 2009 voedingsleer
- 7 Januari 2010 voedingsleer
- 8 Januari 2011 voedingsleer
- 9 Januari 2009 psychologie
- 10 Januari 2010 psychologie
- 11 Januari 2009 farmacologie
- 12 Januari 2010 farmacologie
Januari 2019: Psychologie
- Ontwikkelingspsychologie
- Geef de ontwikkelingspsychologie van deze casus weer
- Geef de mogelijke problemen aan die zich hebben voor gedaan
- Geef de oorzaken hypothetisch weer
- Hoe ga je je oorzaken onderzoeken, gebruik zo veel mogelijk wetenschappelijk ondersteunend materiaal
- Geef een fictieve diëtische diagnose
- Welke behandeling ga je uitvoeren. Geen voedingsadvies
- Ethiek
- Geef de ethische vraagstelling
- Geef het ethisch stappenplan weer voor deze vraag.
Geen theoretische bijvragen, dus gewoon eens aandachtig lezen.
Lector Ann De Decker
Januari 2019: Voeding en Farmacologie
- Theorie Voeding
- Verklaar het verschil in de aanbevelingen van zuigeling tot ouderen voor energie, eiwitten en andere belangrijke voedingswaarde.
- Leg PKU uit en geef de behandeling weer.
- Verklaar de fysiologie van verouderen en pas deze specifiek toe op: smaak en geur, het basaal metabolisme en het spijsverteringsstelsel.
- Farmacologie
Lector: Voeding: Ann-Marie Lauwers Farmacologie: Hilde Theunkens
Januari 2019: Toegepaste Dieetleer
heel het examen was meerkeuze. +1 als juist -1 als fout aangeduid en het min op een vraag is 0
verder waren er nog berekeningsvragen
- actualiteit, de nieuwe aanbevelingen rond Arseen
- zwangerschap
- ondervoeding bij ouderen
- eetstoornissen bij kinderen
- kansarmoede (waar goedkoop winkelen) en autisme
- overgewicht bij kinderen
Lector: Lieve Pensaert
Januari 2018: Voeding en Farmacologie
- Theorie voeding:
- MUco + dieet (/5)
- Zwangerschapsdiabetes (/5)
- Fysiologie van het verouderen + smaak en geur, verzadiging, basaal metabolisme en heel spijsverteringsstelsel (/10)
- Farmacologie:
- Werkingsmechamisme narcotisch analgetica, NSAID en Paracetamol + vraag ivm met nevenwerking: zeggen van wat die nevenwerkingen kunnen komen (/5)
- Duid aan: wat doet het geneesmiddel bij de ziekte Van Alzheimer (/2)
- Duid aan: persoon die kaas en paté inneemt en MAO inhibitoren, hij krijgt een ernstige hypertensieve aanval door wat komt het (duid de juiste stellingen aan) (/2)
- Corticosteroïden en B2 adrenoceptoragonisten samen innemen leg uit dat het veilig samen te gebruiken is
Januari 2008 voedingsleer
- Groeicurven en nefro.
- Aanbevelingen voor ouderen.
- Voedingsschema 0-1j en functionele immaturitei.
- Begrippen uitleggen:
- NMA
- Zwangerschapsdiabetes
- PEG
- Exclussiedieet
- Wat is het belang van aanbevelingen voor gezonde voeding bij ouderen?
- Wat is het belang van groeicurven bij kinderen met KEA?
- Geef het belang van de Guthrietest weer aan de hand van een voorbeeld.
- verklaar de volgende begrippen:
- MNA (ouderen)
*Toeschietreflex (borstvoeding)
*Functionele immaturiteit
*veilige voeding
*leptine (obesitas)
*Achalasie (braken)
- Wat is het belang van groeicurven bij nefropathie?
- Wat is het belang van de Guthrietest bij galactosemie?
- Verklaar:
a. Prolactine inhibiting factor
b. Maternele PKU
c. NEC
d. Secundaire voedselallergie
e. Ondervoedingsspiraal
f. CFTCP-eiwit
- Wat is het nut van ondervoeding op te sporen bij ouderen
- Wat is mucoviscidose (alles uitleggen)
- Wat is het nut van groeicurven bij kinderen met obesitas
- Bijvragen : icterus (geelzucht), subjectieve gezondheid, pseudoallergie, ondervoedingsspiraal , guthrie test
- COPD en hoe behandelen?
- vraag en aanbod borstvoeding
- verband groeicurven en obesitas
- woordjes verklaren
Januari 2009 voedingsleer
- Wat is het belang van groeicurven bij failure to thrive?
- Wat zijn de oorzaken van braken? Geef een correct voedingsadvies.
- Wat is de ondervoedingsspiraal? Bespreek preventie en curatieve voedingsinterventie.
- Verklaar: CFTR-eiwit (muco), restrictiedieet, FOS, veilige voeding, maternale PKU
Januari 2010 voedingsleer
- Leg het belang uit van een groeicurve bij kinderen met galactosemie.
- Wat zijn de oorzaken van diarree bij kinderen? Geef een correct voedingsadvies.
- Waarom is een goede voedingstoestand belangrijk bij ouderen. Geef preventieve en curatief (voedings)adviezen.
- Begrippen: opvolgmelk, restrictie, SENECA, pseudo-allergie, microlon, orthorexia
- Leg het belang uit van een groeicurve bij kinderen met nefropathie
- Correct voedingsadvies bij COPD
- Werkingsmechanisme van vraag en aanbod uitleggen
- Begrippen: eersteleeftijdsmelk, guthrietest, MNA, zwangerschapdiabetes, pseudoallergie, maternale PKU
- leg belang uit van groeicurve bij kinderen met nefropathie
- obstipatie bij kinderen? geef een correct voedingsadvies
- wat is polymere en semi- elementaire sondevoeding?samenstelling- verschillen- toepassingen?
- begrippen: opvolgmelk, SENECA, pseudo allergie, microcolon, orthorexia, restrictie dieet
- leg belang uit van groeicurve bij PKU
- voedingsadvies bij dementie
- sondevoeding
- begrippen: PIF, eetbuistoornis, subjectieve gezondheid, zwangerschapsdiabetes, colostrum, gold
Januari 2011 voedingsleer
Januari 2009 psychologie
Wat is negatieve capaciteit
Geef de eetstoornissen bij kleuters noem op leg uit, behandeling, oorzaken, frequentie, etc
Geef de relatie tussen seksualiteit en eetstoornissen?
Geef de psychische stoornissen naast eetstoornissen die een invloed hebben op het eetgedrag?
Wat zijn de oorzaken van voedingstekorten bij bejaarden?
Eetgedrag wordt bepaald door leerprocessen. Verklaar doorheen de cursus.
Wat weet je over rumineren
Casus over meisje 16j 1m72, weegt nu nog 42kg, dieetgeschiedenis heeft ze verteld enzo.. Waaraan lijdt ze? Welke aandachtpunten houdt je als dietiste in je achterhoofd? Wat geef je haar als advies?
Casus vrouw 50 j, sinds enkele maanden 4 kg bijgekomen. Ze komt bij jou als dietiste op consulatie. Wat zijn de aandachtpunten als je denkt aan ontwikkelingspsychologie? Welke vragen ga je haar stellen en waarom? Wat geef je haar als advies mee?
Januari 2010 psychologie
3 vragen:
- baby die te vroeg geboren is problemen met voeden. Waaraan kan dit liggen? Wat kan je als diëtist doen als die ouders u zouden contacteren?
- 2 soorten AN bespreken + wat weet je over de behandeling (volledig)
- behandeling bij kinderen met obesitas
3 vragen (sept)
- Schets situatie: man 26j, adhd en mentale achterstand, ... Aan wat kan dit liggen? (differentiaal diagnose) Wat doen als ouders contact opnemen?
- Bespreek herstel bij AN.
- 5 psychische stoornissen bespreken (geen eetstoornissen) die invloed hebben op eetgedrag. Wat doen bij vermoeden van deze stoornissen?
Januari 2009 farmacologie
Casus met een zwangere vrouw 18 weken, paracetamol en antibiotica, ze wil de medicatie niet nemen maar ze heeft koorts, wat geef je haar als advies, leg uit de werkingsmechanismen voor en nadelen etc etc
Mao inhibit icm met oude kaas, en chiantywijn, (juist niet juist)
En dan drie redenen geven voor dosisaanpassing bij bejaarden?
Casus van mr. Voets, 70j, artoseproblemen en neemt dus pijnstillers. Hij heeft veel last van maagpijn. Nu was hij gaan opzoeken op internet vanwaar da kon komen nu kwam hij terecht bij een ander GM, een alternatief voor dat van hem een selectief NSAID. Leg alles ervan uit: werking, nevenwerkingen, en vergelijk beide geneesmiddelen en pas toe op de klachten die mr. Voets ondervindt.
Waar of niet waar + verklaar: laxantia-afhankelijkheid van contactlaxantia bij anorexia nervose patiënten is niet enkel een psychologische verslaving.
Factoren die belangrijk zijn bij het geven van borstvoeding
Januari 2010 farmacologie
2 vragen:
- Casus: neuroleptica en SSRI bespreken (persoon met overgewicht linken aan GM & waarom regelmatige bloedafname?)
- Bespreek 3 factoren waarom dosisaanpassing noodzakelijk kan zijn bij ouderen
2 vragen (sept)
- Levodopa en anticholinergica (15 pntn)
- Voor- en nadelen van aerosols bij mucoviscidose, linken aan de nevenwerkingen van GM (5 pntn)