Chemie Fase 1

Hieronder vind je elk vak in Fase 1 van Chemie

Algemene chemie

Algemene chemie

2011 januari examen

  1. ionische verbindingen uitlegen aan de hand van een voor beeld
  • deffinitie en uitleg tabel van Mendeljef van ionische-energie en elektronen-affiniteit
  • roosterenergie uitleggen
  1. Wat is hybridisatie, sp-, sp²-,sp³-hybrisatie uitleggen
  • oefening waarbij je de SN moet bereken, hoek moet geven, hybridisatie en lewis structuur moet geven
  1. 2 vragen waar bij je de ph moet berekenen
Algemene chemie

2014 december examen

Theorie

praktijk

Algemene chemie

2014 januari examen

Theorie

Oefeningen

Algemene chemie

2015 januari examen

Theorie

1) Lewisstructuur gegeven van CO2: (6p)

2)Chemisch Evenwicht (H6) (4p)

3) Thermochemie (H10) (5p)

4) 10 Meerkeuzevragen (zonder giscorrectie) (5p)

(zeker meerkeuzevragen van proefexamen bekijken; er zijn altijd enkele die daarop lijken)

Oefeningen

1) naamgeving + reacties

2) meest eenvoudige formule + brutoformule zoeken

(andere oefeningen weet ik niet meer)

Algemene chemie

2016 januari examen

Theorie

1)

2) Gegeven is synthese van ammoniak.

3) Gegeven zijn verschillende evenwichten en aflopende reacties met hier en daar de Kz waarde erbij.

4)

Oefeningen

1)

2) Gegeven was dichtheid van een stof met massa-procent en dichtheid met massa-procent van een andere stof. Hieruit moest je het volume berekenen van een vrijkomend gas. Temperatuur en druk waren gegeven, maar moest je niet gebruiken aangezien de temperatuur en druk constant bleef.

3) Een stof met 2 reagens en 2 producten in een evenwicht. Bij het reagens was de mol gegeven en bij één van de producten ook. Daarna werd er gegeven dat bij een volume verandering het andere product zoveel mol geproduceerd werd. Nu vragen ze wat het volume is a.d.h. van het aantal mol van het 2de product.

4) Gegeven was het massa-procent en dichtheid van een stof. Bereken met de ideale gaswet het volume van de hoeveelheid geproduceerd gas. (Niet compleet, enkele dingen vergeten :/)

Opmerking: Na de examenvragen op de examenwiki van voorbije jaren zelf te hebben bekeken ging ik ervanuit dat bepaalde hoofdstukken (gelijk het laatste) niet gevraagd zouden worden. Deze komen dus echter wel voor in de meerkeuzevragen, dus helaas moet je alles leren :(

Algemene chemie

2021 november Labo examen

toledotoets vragen labo 6

meerkeuze

 

verbind letter met cijfer

 

a)jodide

b)Cl2-water

c)fluoride

d)?

 

  1. ?
  2. kleurt paars bij n-hexaan
  3. komt tussen in reactie thiosulfaationen dat reduceert tot sulfaationen
  4. komt tussen in reactie thiosulfaationen dat oxideert tot sulfaationen
  5. is een redoxreactie
  6. is een verdringingsreactie
  7. reageert met Ca
  8. reageert met ?

 

Br2 is:

-een sterke reductor 

-een sterke oxidator



-oxiderend vermogen van Br2 lager is dan dat van I2

-Br2 een sterkere oxidator is dan I2

-??

Algemene chemie

2021 november Theorie & oefeningen examen

Oefeningen

Oefening 1

2 reacties zeggen of ze opgaan of niet, als ze opgaan ook zeggen wat voor reactie het is en de ionisatie vorm schrijven. De reactie is aan de linkerkant enkele gegeven in woorden.

Oefening 2

In een vat van 2L volgende: N2O4 dubbel pijl 2NO2, van beide 2 massa's gegeven en ook kev gegeven. Bereken wat de concentraties zijn van beide.

Oefening 3

Vraag over [Au(CN)4]- complex, staat normaal ook ergens tussen de oefeningen, zoals bij 1.5.2

Oefening 4

???

 

Theorie

Vraag 1

Gegeven: PCl3 en Cl2 reageren tot PCl5, je hebt dan een grafiek waar verschillende vragen bij worden gesteld:

  1. Als de concentratie van Cl2 verhoogt wat gebeurt er dan? Duid het verschil aan op de grafiek en verklaar?
  2. Wat zou er gebeuren met de reactie als de temperatuur verhoogt wordt?
  3. Wat gebeurt er met de reactiesnelheid van de reactie als de temperatuur verhoogt wordt? Geef dit ook weer met een verdelingscurve van...? (Moeilijke naam)
  4. ???

Vraag 2

Fe3+ en OH- reageren tot Fe(OH)3, dit is deel van heterogene hoofdstuk, laatste, 2 vraagjes hierbij:

  1. Leg uit wat er gebeurt als het reageert en verklaar in je uitleg 2 begrippen: oplosbaarheid en verzadigde oplossing?
  2. Wat gebeurt er als HCl wordt toegevoegd aan de reactie?

Vraag 3

PCl3 lewisstructuur tekenen, partiële ladingen aanduiden, geometrie van het molecule en de atomen geven, zeggen welke interacties er optreden wanneer PCl3 een vloeistof is, de configuratie van 17Cl geven en ook zeggen welke sets kwantumgetallen je voor de 2px kan geven. Waarom is PCl3 polair of apolair?

Analytische chemie I & II

Analytische chemie I & II

2011 juni examen

Theorie

1)a) Verklaar rechtstreekse en onrechtsreekse invloed van pH op de oplosbaarheid adhv de voorbeelden Mg(OH)2 en CaOx b) Verlkaar de invloed van elektrolieten op de pH 2) a) voor de redoxreactie van Fe2+ en Mno4- de K'ev berekenen b) titratie van Fe2+ 100ml 0.1M met MnO4- 0.02M bij ph 0, 2 en 4 na toevoegen van 0 ml, 90ml, 100ml en 110 ml MnO4- c) iets met thiosulfaat bij jodi en jodometrie


Vraag 1: a) de formule alfeiden voor de berekening van amfoteer H2PO4-

   vereenvoudigde formule + correcte formule

b) titratiecurve van H3PO4 met HCl tekenen en berekenen met vereenvoudigde formules

   alle belangrijke punten weergeven

c) juiste indicator kiezen voor elk equivalentiepunt van b)

   (tabel met indicatoren is gegeven)

Vraag 2: a) uitleggen wat een chelaatverbinding is + de stabiliteit van complex uitleggen i.f.v. de pH en de lading van de metaalionen b) titratiecurve van 10,0 ml Mg2+ 0,100M met EDTA 0,100M berekenen en tekenen.

   na toevoegen van 5ml, 10ml en 11ml EDTA

c) de werking van Eriochroom Zwart T uitleggen a.d.h.v. een titratie van Ca2+ via de directe methode


vraag1 a) relatieve oververzadiging ifv v_kiemvorming en V_aangroei b) werkomstandigheden voor kristallijne en colloïdale neerslag c) wrm gn colloïdale neerslag bij gravimetrische bepaling d) leg elektische dubbellaag uit adhv AgCl

vraag 2 a) afleiding van Kev van Fe2+ met Ce4+ b) titratiecurven van Fe2+ met Ce4+ c) leg redoxindicator uit d) leg werking van ferroine uit bij cerimetrie (Ce4+ met Fe2+)


vraag1: heel hoofdstuk 5 (kiemen - aangroei van neerslaande deeltjes) vraag2: berekenen van Kev van Fe2+ en Ce4+

Oefeningen

1) pH- berekeningen

a) H2SO4 + KOH
b)  HNO3 + KOH + NaCl

2) gegeven: K2CrO4-opl: 0. 0136m en 1.49N. bereken .... (zie oef 30 (die tabel) )

3) pH van begin neerslag en kwantitatieve neerslag: gegeven concentraties Co en H2S

4) zie herhalingoef redox: oef 8b) N2 + N2O4 <-> NO

  leid af en bereken Kev
   Reactie spontaan? en Kwantitatief?
Vraag 1: gegeven: HNO3: 10,4 N en 50,0 m% a) tabel p.30 cursus
  bereken M, m, g/l, X, dichtheid

b) Verdunning:

   25ml HNO3 (10,4 M) wordt in een maatkolf van 500ml gebracht en aangelengd met H2O.
   Hiervan wordt 10ml gepipetteerd in een maatkolf van 200ml en aangelengd met H2O.
   Bereken de eindconcentratie van de HNO3-opl + #mg HNO3/100ml

Vraag 2: bereken de pH van het mengsel: 50,00ml NH4Cl 0,100M 10,00ml NH3 0,050M 20,00ml KOH 0,050M 10,00ml NaOH 0,050M

Vraag 3: Hoeveel ml HCL (0,0982M) moet men toevoegen aan Na3PO4 (0,100M) om de kleuromslag van MO waar te nemen?

Vraag 4: Redoxtitraties: aan 0,0200M Cu2+ wordt een overmaat Pb toegevoegd. a) Kev afleiden en berekenen b) bij evenwicht Esysteem berekenen + [Cu2+] berekenen

Analytische chemie I & II

2012 juni examen

theorie

1) alles van hoofdstuk 5 (kristallijne/colloidale neerslag) 2) - afleiding Kev bij complexen - titratie curve ijzer 2 en cerium 4 - alles over inwendige redoxindicatoren

oefeningen

1) vraag gelijk tabel p.30 2) complexometrische titratie van ijzer 2 en cerium 4 de concentratie van ijzer 3 fzo bepale 3) weetk ni meer

 

Analytische chemie I & II

2014 juni examen

Theorie (2vragen)

1. a) methode van Noyes, ma ni gwn da, specifiek het verschil tss 2 en 3 waardig positieve metaalionen in zuur en basisch milieu

b) uitrekenen bij welke pH CdS kwantitatief is neergeslagen en kijken of MnS bij die pH al begint neer te slaan

2. a) cerimetrie: Kev berekenen voor oxidatie van Fe2+ met Ce4+

b) titratiecurve (E ifv V) voor Ce4+ getitreerd met Fe2+ en E-waarde berekene bij 0, 10, 100 en 110ml toegevoegd titrans

OF

1) Oplosbaarheid

-> aangroei + kiemvorming met Q-s/s uitleggen (met grafieken)

-> colloidale kristallijne neerslag: hoe bekomen?

-> dubbele elektrische laag

-> gravimetrie: wrm geen colloidale neerslag?

2) Neerslagtitratie

-> bij 0ml, 90ml, 100ml (=EP) en 110ml -> pCr2O7 en pAG -> titratiecurve (met beide p-functies erin)

-> methode van Mohr en Fajans (indicators uitleggen)

OF

1) Factoren die de oplosbaarheid beïnvloeden

-> Je hebt een MI-neerslag (ik weet niet juist meer welk metaal) en daaraan voeg je KI toe. Leg de invloed van het gemeenschappelijk ion kwalitatief en kwantitatief uit.

-> Leg de rechtstreekse invloed van de pH kwantitatief uit a.d.h.v. Mg(OH)2 bij pH= 1, 5 en 12.

-> Leg de invloed van elektrolyten uit.

(TIP: Dit kwantitatief uitleggen doe je best door de oplosbaarheid s te berekenen)

2) Neerslagtitraties

-> Een titratiecurve van het type M2Z (Ag2CrO4) uitwerken (met de vereenvoudigde berekeningen: 0ml; 10 ml voor E.P., op E.P., 10 ml na E.P.).

-> Leg de werking van de indicator (K2CrO4) bij de methode van Mohr uit. Aan welke voorwaarden moet er worden voldaan? Wat gebeurt er als de pH te zuur/te basisch is?

-> Leg de werking van de indicator (fluoresceïne) bij de methode van Fajans uit. Aan welke voorwaarden moet er worden voldaan?

Oefeningen:

1. geg: H2SO4 25 m% en N=6,02; gezocht: de rest

2. pH berekenen, KOH, HCl en (COOH)2

3. MnO4-/MnO2 en Cu2+/Cu+, bereken MnO4-

OF

1. geg: verschillende stoffen waarvan jij nog de juiste M moet zoeken (zoals tabel oef 30)

gezocht: a) de concentratie die je bekomt als je deze stoffen samenbrengt (mengt)

b) hoeveel liter van deze concentratie (= gegeven) moet je erbij doen om een mengsel te bekomen met deze concentratie (=gegeven)

2. de pH berekenen van een mengsel van 3 stoffen

3. het volume berekenen dat nodig is aan HCl om PO43- te titreren tot een pH van 3,63. De concentratie PO43- en HCl zijn gegeven, het volume PO43- ook.


Juni 2014.

Analytische Chemie Theorie:

1.oplosbaarheid
a) Leg uit de invloed van rechtstreekse pH en onrechtstreekse pH das aan da hand van Mg(OH)2 en calciumoxalaat
b) Bij methode van Noyes, gebruiken we H2S als neerslagreagens. Wanneer zal een neerslag kwantitatief neerslaan? (leg da gwn uit met Cd2+/Mn2+
2. redoxtitraties.

a) Kev geven van Fe(2+) en MnO4- en ook uitleggen , eigenlijk dat gewoon in functie van de pH

b)zet de titratiecurve uit voor pH=0,... waarbij het volume van MnO4- uitgezet t.o.v. E-waardes. (Fe2+ + MnO4-) Bereken u reductiepotentialen bij 0mL, 90mL, 100mL, 110mL

c) verwoord de standaardisatie van S2032- met IO3- gewoon door reactievergelijkingen te geven. (zie labo!)

en ook wanneer en waarom gebruiken we zetmeel als specifieke redoxindicator.
Oefeningen: 
- 2 mengsel waarvan g de pH moest berekenen mengsel 1: NaOH + H3SO3 mengsel 2: HNO3 + NaCl 
- bereken de oplosbaarheid van PbI2 + hoeveel van de 5g gaat niet oplossen in 2L? 
- gaat de oplosbaarheid van PbI2 verhogen, verlagen, hetzelfde blijven bij toevoeging van NaI 0.100M 
- HNO3 m%=50% en N=10.4 . Geeft de molaliteit, dichtheid en molfractie. 
- Reductiepotentiaal bepalen
Analytische chemie I & II

2015 augustus examen

1. a) Leg uit welke factoren de oplosbaarheid beinvloeden, rechtstreekse pH en onrechtstreekse pH das aan da hand van Mg(OH)2 en calciumoxalaat b) Leg met de H2S methode van Noyes het neerslaan metaalionen uit en de invloed van de pH

2. A) Geef de redoxtitratie van Fe2+ 100ml 0.1M met MnO4- 0.02M bij ph 0, 2 en 4 na toevoegen van 0 ml, 90ml, 100ml en 110 ml MnO4- B) Leg de werking uit van een indicator die gebruikt wordt bij een jodi en jodometrie. Iets met thiosulfaat...

Oefeningen:

1. oefeningen met m%, molfractie, d, formaliteit, normaliteit, molaliteit 2. Bereken de PH van H3PO4 + NaOH mengsel. 3. Redoxpotentialen

Analytische chemie I & II

2016 juni examen

theorie 1 vragen over oplosbaarheid (temperatuur, gemeenschappelijk ion, pH rechtstreeks kunnen aantonen via berekening met behulp van Ksp en elektrolyt) 2 redoxtitratie van cerium met ijzer en dan nog bijvraagjes over redoxindicatoren

Analytische chemie I & II

2016 juni examen

Theorie

1) a. Verband tussen oplosbaarheid en opslosbaarheidsproduct van stoffen met verschillende formule aantonen met AgCl en Ag2CrO4

b) Invloed van gemeenschappelijk ion aantonen met Ba(IO3)2 in aanwezigheid van KIO3.

2) Complexometrische titratie: Mg2+ met EDTA.

Oefeningen:

1) Oplosbaarheid en Verdunning

2) pH berekenen van een mengsel van 50ml NH4Cl 0,1M; 20ml NH3 0,05M ; 10ml NaOH 0,05M en 20ml KOH 0,05M

3) Cu2+ 0,2M reageert met een overmaat van Pb a) Kev afleiden en berekenen b) Esysteem en concentratie Cu2+ bij evenwicht berekenen

Analytische chemie I & II

2018 juni examen

Theorie 1. a) Het gemeenschappelijk ion effect kwalitatief uitleggen en kwantitatief uitleggen a.h.v. PbI2 dat oplost in 0,1 M KI. b) De rechtstreekse en onrechtstreekse invloed van de pH uitleggen bij de oplossing van Mg(OH)2 en calciumoxalaat.

2. a) De titratie van 100 ml AgNO3 0.1 M met Na2CrO4 0,05 M bij toevoeging van 0 mL, 90 mL, 100 mL en 110 mL titrans. Vervolgens dient men de pAg en pCrO4 te berekenen en in een grafiek weer te geven in functie van het volume toegevoegd titrans. b) De werking van de indicator fluoresceïne bij de titratie van Cl-ionen met Ag-ionen met de methode van Fajans theoretisch uitleggen.

Oefeningen 1. a) Een massa kaliumdichromaat (K2Cr2O7) wordt opgelost in een maatkolf van 50 mL en vervolgens wordt hiervan 5 mL gepipetteerd en in een andere maatkolf (verschillend volume) overgebracht en aangelegd. Dit wordt enkele keren gedaan telkens met verschillende volumes. Uiteindelijk dient men de concentratie kaliumdichromaat in mmol/L te geven en de concentratie chroom in mg/L. b) Het oplosbaarheidsproduct van Pb(OH)2 berekenen bij een bepaalde pH.

2. De pH berekenen van een mengsel van HCl, HBr, CH3COOH en CH3COONa. Alle volumes en concentraties zijn gegeven.

3. De evenwichtsconstante van een redoxreactie berekenen als de standaardreductiepotentialen van gelijkaardige redoxreacties zijn gegeven. (Deze reacties samen kunnen onrechtstreeks leiden naar de reactie waarvan je de evenwichtsconstante moet berekenen.)

Analytische chemie I & II

2015 juni examen (Vroeger Moleculaire architectuur)

lector: T. Mortier


vraag 1

5 moleculen gegeven. Bepaal de puntgroepen van deze moleculen.


vraag 2

2 moleculen gegeven. Puntgroepen bepalen, chiraliteit bepalen en polariteit bepalen.


vraag 3

2 escher figuren: symmetrie-elementen aanduiden, eenheidscel zoeken en de naam van de vlakgroep geven


vraag 4

2 eenheidscellen gegeven (projectie langs de c-as). Voer de symmetrie operatie uit en schrijf de coördinaten van de positie.


vraag 5

vraagstuk: bereken de hoek van {100}, {010}, {111} vlakken (orthomerisch). Golflengte, a, b en c = gegeven.


vraag 6

Geef de irreduceerbare representatie. Karaktertabel = gegeven.

Analytische chemie I & II

2016 juni examen (vroeger Nanotechnologie)

Lector: T. Mortier

vraag 1

Deeltje in een doos (1 dimensionaal) (inclusief Schrödinger)

vraag 2

a) Intrinsieke vs extrinsieke geleiders b) pnp/npn

vraag 3

Begrippen uitleggen: Diëlektrische functie, STM, oppervlakte plasmon resonanties, dispersie, ..

vraag 4

Oefening op threshold

juni 2015

lector: T. Mortier


vraag 1

Brust methode helemaal uitschrijven en vergelijken met citraat reductie methode


vraag 2

SEM uitleggen en vergelijken met TEM


vraag 3

5 begrippen: dispersie, oppervlakte plasmon resonanties, STM, diëlektrische functie, en nog iets (uitleggen + situeren)


vraag 4

Oef: de tresholdfrequentie bepalen me de werkfunctie gegeven en dan uitgaande van eenn bepaalde straal de snelheid van de elektronen berekenen bij het foto-elektrisch effect

Analytische chemie I & II

2021 januari Labo examen (Analytische I)

image-1640714515868.png

Analytische chemie I & II

2022 Januari Examen Analytische chemie I theorie en oefeningen

Theorie:

Vraag 1:

2 EP van 0,1M Na2CO3 getitreerd met 50ml HCl berekenen door de vereenvoudigde formule af te leiden (verwaarlozingen verklaren) en per EP een indicator toewijzen. (Grafiek gegeven, tabel van indicatoren gegeven)

Vraag 2:

Galvanische cel met Cu en Ag gegeven, lijndiagram opstellen, kathode/anode benoemen, thermodynamische potentiaal berekenen, redoxreactie opstellen, evenwichtsconstante berekenen

 

Oefeningen:

Vraag 1:

10ml HClO4 0,8M

10ml NaClO4 0,5M

10ml NaOH 0,4M

10ml HClO 1,7M

pH van mengsel berekenen + alfa (ionisatieconstante) van de z/b reactie berekenen

Biomoleculen en celbiologie

Biomoleculen en celbiologie

2011 juni examen

Reeks 3

antwoorden tussen [...] achter de vraag.

Mondeling

Vraag 1: Gegeven = structuur van een molecule.

a) Wat voor een molecule is dit? [fosfatidylamine]
b) Duidt de verschillende delen aan [glycerol, vetzuur 1 (leek op linolzuur, maar de 2e dubbele binding zat op C13), vetzuur 2 (palmitinezuur)
   en choline]
   Bijvragen: - Welke delen van de molecule zijn hyrdofiel[De ester met de fosfaatgroep = de kop = polair] en hydrofoob [de vetzuren = apolair] en waar in de cel bevinden ze zich. [Plasma Membraan (kunnen schetsen)]
              - Hoe komen deze verbindingen tot stand? [afsplitsing van H2O, vorming van ester]

Vraag 2: Teken het disacharide sucrose (saccharase)

Teken eerst de samenstellende componenten (liniair en cyclisch). [alfa - D - glucopyranose en beta- D -fructofuranose Dit is een 1-2 verbinding]
Teken dan hoe de verbinding tussen deze componenten tot stand komt. [glycosidische binding]
Teken tot slot het volledige disacharide.
 Bijvragen: - Wat weet je over D-/L-conformaties? [positie van de -OH op voorlaatste C]
            - Wat weet je over alfa- en beta-suikers? [positie van de -OH op de C naast O in ringstructuur]
            - Als je een lineaire structuur hebt, hoe kan je zien of de OH-groepen naar boven of naar onder staan in de cyclische vorm? 
            - Wat weet je over reducerende suikers? Duid de reducerende elementen aan. [bij de monosachariden is het reducerende element de OH-groep die betrokken wordt bij de glycosidische binding, bij sucrose zijn die OH-groepen weg dus geen reducerend suiker meer]

Schriftelijk

Vraag 1:

Teken het dipeptide Glu-Phe zoals het voorkomt in een basisch milieu. [ Opassen hoe glutaminezuur bindt want er is een uitzondering met de zijketen ]

Vraag 2:

Teken cholesterol.

Vraag 3: Invuloefening in een Kolom

Geef voor Alanine, Serine en Lysine de zijketen, duid aan of ze polair/apolair en/of zuur/basisch zijn. [Alanine, -CH2. Serine: -CH2-OH, apolair.
Lysine: -(CH2)4-NH3+, polair, basisch]

Vraag 4: Multiple choice - gegeven: 2 structuren.

Duid aan om welk molecule het gaat en tot welke groep het behoort. [structuur 1: dCTP, nucleïnezuur. structuur 2: galactosamine, suiker]

Vraag 5: Leg uit in maximaal 3 regels:

- Beta-vouwblad 
- Euglobuline

Andere reeks

Mondeling

schriftelijk

Biomoleculen en celbiologie

2012 januari examen

Vraag 1: teken linol-2stearinezuur.

gewoon beginnen met glycerol en daar 1 keer linolzuur en 2 keer stearinezuur op zetten.

bijvraag was hier wat er met het smeltpunt zou gebeuren als er minder dubble bindingen zouden in zitten =>  die zou verhogen omdat de vetzuren zo dichter op mekaar gestapeld kunnen worden.

Vraag 2: schets zetmeel, uit welke sachariden en disachariden bestaat het? wat is het verschil met glycogeen en cellulose?

Vraag 3: teken TTP

Vraag 4: wat zijn beta-keratinen (voldoende uitleg geven)

dan waren er nog 2 vragen maar die weet ik niet meer, maar hier komt het op neer:

Biomoleculen en celbiologie

2012 juni examen

schriftelijk:

1) geef de volgende tetrapeptidebinding: ASP-CYS-PHE(O, kweet et ni meer)-GLY in meest basische pH

a) geef eerst bouwstenen b) hoe en welke binding wordt gevromd c) geef eigenlijke molecule

2) teken de structuur van galzuur/galzout

3)teken beta D-galactose

4) kreeg ge kaderke me verschillende vetzuren en dan moest gij da aanvulle me hoeveel en waar de dubbelebinding voorkwam + hoeveel c-atomen

5) kreeg ge NOG is een kaderke me verschillende structuren moet ge kunne benoeme (zo specifiek mogelijk) en aanduiden bij welk hoofdstuk da hoort

6) leg uit: bouwstenen(en geef de lijst), uitzouten van eiwitten (geef grafiek) en dan nog een heel moeilijk woord da eindigt op glycaan dacht ik

mondeling:

1) kregen we afbeelding van de structuur van fosfolipde en moest ge zegge wa da was en de verschillende onderdelen benoemen

2) teken een dinucleotide GU a) eerst bouwstenen b) welke en waar wordt er binding gevormd c) teken de structuur


LEER JE STRUCTUREN EN JE KAN HET

ik had vorig jaar enkel de theorie geleerd en de structuren gwn eens bekeken mt als resultaat dat ik gebuisd was. dit jaar heb ik enkel de structuren geleerd ( en de nodige uitleg natuurlijk) en het ze zij dat het een perfect examen was :-)

Biomoleculen en celbiologie

2013 juni examen

lector: Sara Moens


Vraag 1: a) Teken een triglyceride (bestaande uit linoleenzuur, oliezuur en palmitinezuur).

b) De natuurlijk voorkomende vetzuren zijn in cis/trans vorm (schrappen wat niet past) + leg deze vorm uit.

c) Als het aantal dubbele bindingen stijgt, daalt/stijgt het smeltpunt (schrappen wat niet past) + leg uit.


Vraag 2: a) Teken het aminozuur (een van de 11 aminozuren die je moest kunnen tekenen, ik weet niet meer juist welke).

b) Teken de vorm die voorkomt bij pH = 7 (je krijgt de pKz waarden).

c) Bereken het isoelektrisch punt en leg uit hoe je dit hebt gedaan.


Vraag 3: a) gegeven: een structuur (deze was galzuur). Geef de zo volledig mogelijke naam van deze structuur.

b) Waar wordt dit gemaakt en uit wat wordt dit gemaakt?

c) Welke functie heeft het?


Vraag 4: a) Teken het dinucleotide A - C zoals het voorkomt in RNA.

b) Wat is het verschil tussen DNA en RNA?


Vraag 5: Het suiker (naam weet ik niet meer) verandert op de C3 en C4 van fructose (de H en OH zijn hier dus omgewisseld). Teken de Fisher en Haworth projectie van dit suiker.


Vraag 6: Je krijgt een polysacharide bestaand uit 1 soort monosacharide. a) Geef de zo volledig mogelijke naam van dit suiker.

b) Teken de bouwste(e)n(en) van dit suiker.

c) Wat is de aangeduide binding? (Dit was de binding tussen de 2 monosachariden)


Vraag 7: a) Teken SER - GLY - GLN - LYS

b) Hoe noemt de gevormde binding?

c) Leg uit hoe deze wordt gevormd.


Vraag 8: Vul het kadertje aan. Je krijgt 5 structuren en moet deze zo volledig mogelijk benoemen + aanduiden tot welke groep (nucleïnezuren, suikers, ...) ze behoren.


Vraag 9: Leg deze woorden uit: bouw-elementen, alpha-keratine, ...

Biomoleculen en celbiologie

2016 augustus examen

.1. a) L-Asn en L-Lys tekenen.

b) pI berekenen (Pz gegeven)

c) Tekenen bij deze pI.

.2. a) Teken 1-linolo-2-stearino-3-oleïne

b) Is het smeltpunt hoger/gelijk aan/lager dan die van tristearine?

Leg uit

.3. a) Teken Cys-Gly-Tyr-Glu

b) Systematische naam?

c) Teken bij pH=9

.4. Structuur gegeven (galzuur)

Wat weet je over de biosynthese?(Plaats voorkomen, voorlopers?)

Functie?

.5. Polysacharide gegeven met 3 suikers (galactose, glucose en fructose)

Deze 3 apart tekenen en benoemen

De twee bindingen tussen deze suikers benoemen

.6. Dinucleotide van U-C tekenen in RNA

Verschil tussen DNA en RNA in structuur?

Verschil aantonen met tekening van molecule

.7. Kader met 4 structuren

Naam + soort geven

.8. 4 woorden definiëren (bouw-elementen, Edmans degradatie,Collageen,VLDL)

Biomoleculen en celbiologie

2017 augustus examen

Vraag 1: L vorm van cysteine en asparagine, pI berekenen, + toestand bij deze pI.


Vraag 2:


Een galzuur is gegeven, zeggen welke soort biomolecule het is, vanwaar het vandaan komt, zeggen wat voorlopers zijn...

Vraag 3: Tekenen van Dinucleotide van RNA met UG, zeggen waarin deze verschilt van DNA ( ribose deoxyribose)...

Vraag 4: Tekenen van 1 oli 2 linoleen 3 stearaat zeggen wat verschil in smeltpunt is met Tristearaat dus invloed van dubbele bindingen jwz x

Vraag 5: peptide van 5 AZ is gegeven, verschillende aminozuren tekenen (dus de molecule splitsen eigenlijk, niet zo moeilijk) maar wel met de naam. Petptide opnieuw tekenen bij pH = 11

Vraag 6: Een tekstje zever over een suiker van galactose en fructose, fisher projectie van galactose en fructose tekenen, daarna howorth projectie van de disacharide volgens een 1,4 binding. Zeggen of deze reducerende eigenschappen heeft.

Vraag 7 4 structuren gegeven, naam en soort biomolecule zeggen

Vraag 8: Uitleggen wat oligo elementen zijn uitzouten van eiwitten en nog 2 andere maar die ben ik vergeten sorry mezelf voor in juni volgend jaar :(

Biomoleculen en celbiologie

2018 juni examen

1) Teken L-cysteïne en L-asparagine in de fischerproject (niet geïoniseerd). Bereken de pI van L-asparagine (pKa-waarden zijn gegeven) +leg uit hoe je die bekomt en teken deze molecule op die pHTeken L-cysteïne op de pH's van 4, 7 en 10.

2) Teken 1-linoleen-2-oleïne-3-stearaat en vergelijk het smeltpunt met die van tri-stearaat. Welke is hoger/lager en waarom? Je krijgt geen punten als je zegt welke hoger/lager is zonder uit te leggen waarom.

3) Teken D-arabinose (Er wordt gegeven dat dit een C2-epimeer van D-ribose is) in open ketenstructuur. Teken vervolgens deze molecule ook in ringstructuur/Haworthprojectie in zowel alfa-furanosevorm als bèta-pyranose vorm.

4) Teken het dinucleotide van RNA U-G. Wat is het structureel verschil tussen DNA en RNA? Teken ook de bouwstenen die verschillen.

5) Er wordt een molecule gegeven. Welke? (hier: galzuur) Wat is de biosynthese van deze molecule (structurele samenstelling, voorlopers, enz.)? Wat is de functie van deze molecule?

6) Er wordt een molecule gegeven. Welke? (hier: oligopeptide van 7 aminozuren) Teken alle bouwstenen van deze molecule volledig uit. Welke soort binding hebben wij tussen deze bouwstenen? Teken deze binding tussen twee willekeurige bouwstenen.

7) Er zijn 4 moleculen gegeven. Geef de meeste specifieke naam van deze molecule en duid aan tot welke groep ze behoren (vetten, proteïnen, suikers of nucleïnezuren). Je krijgt geen punten als je aanduidt tot welke groep het hoort zonder een naam te geven. (Histamine, glucuronzuur, terpeen, disaccharide)

8) Leg de volgende begrippen uit: wassen, hyperchroomeffect, alfa-keratinen (met voorbeeld) en oligo-elementen (met voorbeeld).

Biomoleculen en celbiologie

2021 Augustus examen

Welk suiker zit er in GMP? Teken het lineair en circulair, teken/schets het volledige molecule, geef de volledige naam.

Leven in beeld (Cel- en microbiologie)

Leven in beeld (Cel- en microbiologie)

2012 januari examen

Januari 2012 (1)

Dit is een schriftelijk examen.

Hoofdvraag: Leg Meiose 1 volledig uit. Bijvragen:

- chiasmata

- kinetochoor

- axonema

- ...

- endergone reacties zijn G>0

- Microtubuli wordt aangemaakt in de spoelfiguur

- ..... Chemie-diffusie.......

-................

Januari 2012 (2)

hoofdvraag: gegeven is de matrijsketen, zet deze om in RNA geef hierbij om welke molecules het gaat, ...

bijvraag 1: -teken de cel na de telofase maar voor de cytokinese, 2n=4, -is dit mogelijk in de meiose : ja/nee, -..

bijvraag 2: verklaar volgende begrippen d.m.v. de celorganellen of structuren te benoemen -chiasmata, -mesosoom, -ORI, -...,

bijvraag 3: -geef de vergelijking van de fotosynthese, -waar vinden de overige deelreacties plaats in de plant, -...

stellingen:

Geef aan of de stelling waar is of niet waar is. Indien de stelling waar is, verklaar dan kort waarom. Indien deze stelling niet waar is, herformuleer deze dan kort zodat ze waar is.

-als een dierlijke cel in een hypertone oplossing word gebracht ondergaat deze een lyseen, -...

Leven in beeld (Cel- en microbiologie)

2014 januari examen

Lector: Karolien Van den Bergh

Hoofdvraag: Het Golgi-apparaat

a) Teken + duid alle structuren aan

b) Geef de 3 functies

c) Geef de 3 bestemmingen van de eiwitten die vertrekken vanuit het Golgi-apparaat

d) Leg uit hoe het tRNA naar het membraan van de rER gaat om vervolgens naar het Golgi-apparaat te gaan


Bijvraag: rRNA

a) In welk celorganel wordt dit aangemaakt?

b) Hoe noemt het eiwit dat gebruikt wordt voor de synthese ervan?

c) In welke stap wordt het gemaakt? (benaming hiervan)

d) In welk eukaryoot celorganel bevindt het zich?

e) Komt dit ook voor bij de prokaryote cellen?


Bijvraag: chloroplasten en mitochondriën

a) Geef de 3 gemeenschappelijke functies

b) Geef de naam van de 2 processen die hier plaatsvinden

c) Geef de reactievergelijkingen van deze 2 processen

d) Geef de anaerobe reactievergelijking die zwavelbacteriën uitvoeren


Bijvraag: meerkeuzevragen


Bijvraag: je krijgt verschillende woorden

a) Wat? (functie en wat het is)

b) Waar? (waar in de cel bevindt het zich)

Leven in beeld (Cel- en microbiologie)

2016 januari examen

1) Gegeven is een ATP molecule. Geef de volledige naam hiervan, de naam als er maar 1 fosfaatgroep zou opzitten (Monoadenosinefosfaat) en in welk organel dit wordt aangemaakt.

2) Teken een mitochondrium en duid de onderdelen hierop aan.

3) Geef de theorie hoe dit celorganel (mitochondrium dus) is ontstaan en geef voorbeelden a.h.v. de vorige vraag. (endosymbiose)

4) Gegeven is een tekening van een ATP pomp, duid verschillende delen hierop aan.

5) Gegeven is een tekening van chromosomen in de metafase. Duid de verschillende delen aan (microtubuli, kinetochoor en centriolen) en in welke fase bevind zich dit? (Ja, metafase, maar dit moest je zelf zoeken natuurlijk)

6) Teken de opbouw van microtubuli

7) Cellulaire respiratie, geef de 3 stappen, hoeveel ATP wordt gevormd per stap, waar, leg in grote lijnen uit. Leer dit niet in detail.

8) Wat is rRNA? volledige benaming, welke andere RNA's zijn er? Enzyme voor RNA synthese en duid aan op 3 verschillende tekeningen welk RNA het is. En waarvoor dient rRNA?

9) 10 meerkeuzevragen, geen GIS-correctie, slecht één antwoord, anders 1 punt af!

10) Begrippen uitleggen. Waar en wat?

Leven in beeld (Cel- en microbiologie)

2017 januari examen

Hoofdvraag

Bespreek een celcyclus van een dierlijke cel met n=4. Maak hiervoor duidelijke tekeningen waarop je alle structuren benoemt

Bijvraag 1

Via welk proces wordt mRNA gesynthetiseerd in de cel? Welk enzym katalyseert de synthesereactie? Waar in de eurkaryote cel vindt dit proces plaats? Welke functie heeft het mRNA in de cel? Komt mRNA ook voor in prokaryote cellen Waarom wel of waarom niet?

Bijvraag 2

Lokaliseer de volgende begrippen in de cel door het benoemen van de celstructuur of het celorganel. 1. Tonoplast. 2. Homologe chromosomen. 3. Synthese voor eiwitten.

Bijvraag 3

Geef de algemene vergelijking van de ademhaling. Waar is dit proces gelokaliseerd in de cel. Wees volledig. Wat is het doel van de ademhaling.

Bijvraag 4

Wat is passief transport. Geef een voorbeeld van passief transport doorheen het celmembraan dat je volledig uitlegt. Geef een tekening waarop je alle getekende structuren benoemt

Stellingen

Geef aan of de stelling waar is of niet waar is. Indien de stelling waar is, verklaar dan kort waarom. Indien deze stelling niet waar is, herformuleer deze dan kort zodat ze waar is. 1. Glycogeen is een voorbeeld van een polysacharide bij planten 2. Tijdens de mitose worden de homologe chromosomen van een paar uit elkaar getrokken in de anafase

Microbiologie

Microbiologie

2018 juni examen

[MONDELING]

1) Je krijgt een celwand en moet zegge of het grampositief of negtief is. Er zijn dinge aangeduid die je moet benoemen en functie van geven. (Teichonzuur, NAM/NAG, fosolipe, peptidoglycaanlaag, periplamsatische ruimte,...)

2) MRSA is resistent tegen een peniciline. Leg werking peniciline uit normaal. Geef manier waarop bacteriën zich resistent maken. (Pomp, andere acceptor, andere reactie, afstoten,...)

[SCHRIFTELIJK]

2) Ontsmetting en sterilisatie

a. leg verschil uit tussen desinfectans en antiseptica

b. leg Fenol uit al desinfectans en antiseptica

c. Geef een niet chemische sterilisatiemiddel


3) Leg uit

a. Biofilm

b. Antisepticum/desinfectantia

c. Zoönose

d. Waterafficiteit

4) uitleg gegeven, begrip geven

5) stikstof cyclus uitleggen en tekenen

Microbiologie

2017 juni examen

[MONDELING]

1) Teken een grampositieve bacterie in detail en duid aan: Teichon, nucleoïd, NAM en hapanoïde. Leg de 4 termen in groot en breed uit. Ze zal hier over doorvragen, gelijk uitleggen wat de peptidoglycaanlaag doet.

2) Waar of niet waar?


a. Bij melkzuurfermentatie wordt melkzuur gefermenteerd en wordt CO2 en H2O vrijgezet.

b. Bij gebruik van penicilline zal lactobacillus resistent worden.

3) Je krijgt een celwand en moet zegge of het grampositief of negtief is. Er zijn dinge aangeduid die je moet benoemen en functie van geven. (Teichonzuur, NAM/NAG, fosolipe, peptidoglycaanlaag, periplamsatische ruimte,...)

4) MRSA is resistent tegen een peniciline. Leg werking peniciline uit normaal. Geef manier waarop bacteriën zich resistent maken. (Pomp, andere acceptor, andere reactie, afstoten,...)

[SCHRIFTELIJK]

1) Micro-organismen en temperatu

a. Geef het afsterven van bacteriën in functie van temperatuur en geef hier een woord uitleg bij waarom.

b. Geef de 5 groepen (Psychrofiel, psychrotroof,...) en hun groeitemperaturen


2) Ontsmetting en sterilisatie

a. leg verschil uit tussen desinfectans en antiseptica

b. Alcohol als ontsmettingsmiddel uitleggen

c. Geef een niet chemische sterilisatiemiddel


3) Leg uit

a. Chemotaxis

b. Biofilm

c.antisepticum/desinfectantia

d. Zoönose

e. Waterafficiteit

4) uitleg gegeven, begrip geven

5) stikstof cyclus uitleggen en tekenen

Microbiologie

2016 juni examen

MONDELING

1) Teken een grampositieve bacterie in detail en duid aan: Teichon, nucleoïd, NAM en hapanoïde. Leg de 4 termen in groot en breed uit. Ze zal hier over doorvragen, gelijk uitleggen wat de peptidoglycaanlaag doet.

2) Waar of niet waar?

a. Bij propionzuurfermentatie wordt propionzuur gefermenteerd en wordt CO2 en H2O vrijgezet. --> Niet waar

b. Een virus bevat naakt DNA --> Niet waar, enkel vanaf het in de gastheercel is ingespoten

Tip: - Zorg dat alles perfect voorbereid is, letterlijk op de vraag antwoorden is niet genoeg. Heb hier inzicht over en geef meer informatie, dan komt het wel goed :)

- Ze geeft wel aanwijzingen op het mondeling examen erlangs zit, let hier goed op ;)

SCHRIFTELIJK

1) Micro-organismen en temperatuur

a. Geef het afsterven van bacteriën in functie van temperatuur en geef hier een woord uitleg bij waarom.

b. Geef de 5 groepen (Psychrofiel, psychrotroof,...) en hun groeitemperaturen

2) Antibiotica

a. Geef de werking van penicilline weer

b. Geef 2 andere werkingsmiddelen van antibiotica

c. Geef 2 redenen waarop een bacterie resistent zou kunnen worden tegen antibiotica

3) Leg uit

a. Chemotaxis

b. Conjugatie

c. Denitrificatie

d. Vaccinatie

e. zoögenese

4) Geef de woorden

Grondlegger medische micro-biologie: Robert Koch

2 bacteriesoorten die sporen vormen: ....

Etc, ik weet ze niet meer allemaal

Microbiologie

2015 augustus examen

MONDELING

1) groeicurve tekenen + elke fase uitleggen + in welke fase worden er endosporen gevormd? (geef ook bacteriën)


2) Waar/niet waar

a. peptidoglycaanlaag zorgt voor bescherming tegen osmotische druk (+ verklaar)

b. Bacteriën die aan Lithotrofie (Nitrificatie) doen, zijn belangrijk voor de stikstofcyclus


SCHRIFTELIJK


1) Ontsmetting en sterilisatie

a. leg verschil uit tussen desinfectans en antiseptica

b. Alcohol als ontsmettingsmiddel uitleggen

c. Geef een niet chemische sterilisatiemiddel


2) Virussen:

a. Geef algemene structuur, benoem de onderdelen en waaruit ze opgebouwd zijn.

b. Leg uit: lytische infectie door bacteriofaag

c. Leg uit hoe lytische infectie een rol kan spelen in de verspreiding van AB-resistentie


3) Leg uit in max. 5 regels:

a. Biofilm

b. LPS

c. Sulfonamide

d. ...


4) Omschrijving gegeven, jij moet begrip/naam invullen

a. Melkzuurfermentatie

b. Auxotroof

c. Pasteur

d. ...

Microbiologie

2015 juni examen

MONDELING

1) Afbeelding van gramnegatieve bacterie (hoofdstuk 3, peptidoglycaanlaag etc); delen benoemen + functies


2) Waar of niet waar

a. Penicilline is een goed (selectief toxisch) AB

b. Bacteriën die aan nitraatademhaling doen, zijn van belang in de stikstofcyclus.


SCHRIFTELIJK

1) Groei

a. Bespreek de invloed van temperatuur op de groei van micro-organismen (+ grafiek)

b. Geef een overzicht op basis van de groei in een temperatuurgebied


2) Virussen:

a. Geef algemene structuur, benoem de onderdelen en waaruit ze opgebouwd zijn.

b. Leg uit: lytische infectie door bacteriofaag

c. Leg uit hoe lytische infectie een rol kan spelen in de verspreiding van AB-resistentie


3) Leg uit in max. 5 regels:

a. Chemotaxis

b. Stationaire (groei)fase

c. Wateractiviteit

d. Protozoa

e. Commensalisme


4) Omschrijving gegeven, jij moet begrip/naam invullen

- Robert Koch

- Saccharomyces Cerevisiae

- auxotroof

- heterotroof

...

Microbiologie

2021 April examen

(rood zijn antwoorden) ;)

Vraag 1 

gegeven: 

prokaryote cel en een afbeelding van een gram - bacterie dus dunne peptidoglycaanlaag,..

T

Kreeg een tbl en moest verschillende onderdelen bv het genoom een sterool (hapenoiden), lipopolysachariden,... aanduiden op de tekeningen 

dan in tabel moest je van elk de functie geven.

 

Vraag 2

Hele groeicurve van een batch cultuur tekenen + 

assen benoemen,

2 de vraag was de eerste fase van de groeicurve uitleggen en uitleggen wat een batch cultuur is,

rare vraag erbij was iets met schimmels hoe die groeien in een batch cultuur in de eerste fase van de curve

 

Vraag 3

Hele pagina over penicilline antibioticum;

Uitleggen wat de functie van penicilline is (Cross-links)  - Dan de structuur beschrijven van een      peptidoglycaanlaag uit wat die is opgebouwd  

-waarom penicilline een ‘selectieve toxiciteit’ heeft;

- 2 manieren geven hoe een bacterie cel resistent kan w tegen penicillines 

bv

  1. efflux pomp ( terug naar buiten pompen van de antibiotica) 
  2. β-lactamase enzym knipt de β-lactam ring van penicilline kapot waardoor het inactief w gemaakt

 

Vraag 4

Uitleggen wat een serumtherapie is en wat het doet;

een voordeel geven en een nadeel

 

Vraag 5

Was een vraag nog met corona virus en dan kreeg je zo een virus afbeelding en moest je de onderdelen benoemen en in een tabel dan de opbouw van die onderdelen bespreken en de naam

van het soort biomoleculen er in aanwezig is.

 

Vraag 6

Betekenis woordjes geven;

  1. Anaerobe ademhaling ( nitraatademhaling reacties tekenen + energie opbrengst)
  2. Conjugatie
  3. zoönose



Vraag 7

Een hele pagina woordenschat; herinner een paar nog:

  1. Naam gistcellen geven; saccharomyces cerevisiae
  2. 2 endosporenvormende bacterien; Bacillus en Clostridium
  3. naar een hogere concentratiegradient toe bewegen; Chemotaxis
  4. grondlegger van de medische microbiologie; Robert Koch
  5. een bacterie dat nog voldoende kan groeien op koelkast temp; Listeria
  6. bacteriën die graag een hoog zoutgehalte hebben; halofiel
  7. Virus bij bacteriën; Bacteriofaag
  8. Groei is totaal onafhankelijk van O2; Aertolerant anaeroob
  9. Porkaryoten die in zeer extreme omstandigheden kunnen leven; Archae bacteriën
  10. Bacteriën die samen zitten en hebben er allebei goede invloed op; Synergisme/Mutualisme
Microbiologie

2021 Augustus examen

Vraag 1

Bacterie benoemen

Grampositief of gramnegatief?

Binnen en buitenkant van de cel, volgende erop aanduiden en functie benoemen: Lipoteichonzuur, Fimrae, Histonen

Vraag 2

Grafiek tekenen met temperatuur invloed. Wat gebeurt er als de temperatuur er onder is, of erboven? (Invriezen en denaturatie)?

Vraag 3

Verschillende voorbeelden met temperatuur van organismen -> zeggen wat de algemene term hiervoor is

Vraag 4

Penicilline valt aan op welk celweefsel; uit wat bestaat dit celweefsel; waarom is penicilline **selectief toxisch**

Vraag 5

Bacteriofaag zal ervoor zorgen dat het lichaam resistent wordt voor de bacterie, verklaar

Organisme dat kleiner dan 2 en 10% zuurstof nodig heeft ( microaerofiel)

Vraag 6

Begrippen:

Naam voor gist

Vraag 7

Voor- en nadelen van vaccinatie, virusdeeltje benoemen en opbouw van de verschillende delen zeggen; biomoleculen ervan ( zie apart blad covid)

Onderzoeksvaardigheden I

Onderzoeksvaardigheden I

2014 juni examen

Dit examen viel vroeger onder het vak Veiligheid & Hygiëne

lector: Hilde Roex


Algemene kennis

1. Geef de twee oorzaken van RSI. Geef bij elke oorzaak een voorbeeld.

2. Geef 2 ergonomische hints voor:

a) pipetteren

b) microscopisch labowerk

 

Chemische veiligheid

1. Geef 3 tips om veilig te werken met een trekkast.

2. Meerkeuzevragen over eigenschappen van azijnzuur + informatie dat op het MSDS staat (adhv MSDS dat je krijgt).


Biologische veiligheid

1. Bioveiligheidskabinet type 2: Wat/wie wordt er beschermt + leg uit adhv een schets van de airflow.

2. Hoe kan je aëresol-vorming beperken tijdens het enten? (2 tips geven)

3. Wat moet er in het labo type 2 extra zijn van labo type 1? (2 dingen geven)

4. Weet ik niet meer


Preventiemaatregelen

Geef voor volgende situaties telkens 1 risico en de bijhorende preventiemaatregel (je mag PBM maar 1x gebruiken):

a) centrifuge

b) werken met een cryogene stof

c) werken met hepatitis B

d) een vacuüm-destillatie

e) werken met een transgene plant en niet-transgene planten

Onderzoeksvaardigheden II

Onderzoeksvaardigheden II

2014 juni examen

lector: Gunther Fleerackers


1) Je krijgt gegevens over de steekproef (het gemiddelde, de variantie en n). Vervolgens moet je een schatting maken over de variantie van de populatie (n gegeven) e dit argumenteren.

2) Een voorbeeld geven van een glaswerk dat de uniforme verdeling volgt + uitleggen waarom + de formule voor de standaard afwijking geven.

3) een oefening op betrouwbaarheidsintervallen

4) een oefening op het tekenen van een boxplot

5) een oefening op het opstellen van een visgraatdiagram

6) een oefening op standaardonzekerheid (van een verdunning)

7) een 'theoretische' oefening op hypothesetoetsen: je moet ze niet uitwerken, maar uitleggen welke toets je moet gebruiken en dit argumenteren

8) een oefening op hypothesetoetsen

9) een oefening op hypothesetoetsen

Onderzoeksvaardigheden II

2015 augustus examen

1. van steek proef naar populatie, schat populatie variantie, steekproef variantie gegeven

2. histogram % onder grafiek berekenen

3. Geef een voorbeeld van een uniforme verdeling. leg uit waarom uniforme verdeling

4. maak een visgraad diagram van de concentratie in mol/L

5. uitwerken hypothese toets (2 a 3 opdrachten)

6. geef betrouwbaarheidsinterval kleine steekproef

7. geef de 3 belangrijke punten van een kwaliteitssysteem


Examenopdracht?

- Waarom aan voorwaarden voldaan van gepaarde T-toets?

- welke methode is nauwkeuriger? (variantie) geef hypothese toets en werk uit

- laat zien dat methode A de juiste concentratie meet.

Onderzoeksvaardigheden II

2016 augustus examen

1. De lector statistiek start een studie naar de lengte van de studenten in het eerste jaar professionele bachelor in de chemie die aanwezig zijn in de theorielessen. Voor deze populatie van 22 studenten is de gemiddelde gemeten lengte 1,720 m met een variantie van 0,120 m. De lector wil met deze studie een uitspraak maken over de lengte van alle studenten (totaal: 83). Hoe groot zou je de variantie schatten van de grotere populatie? Schrijf duidelijk je redenering op.

2. In een labo algemene chemie wordt door 67 studenten de moleculaire massa bepaald van salicylzuur met de methode van Dumas. De begeleidende lector weet uit ervaring dat wanneer de waarde bekomen wordt tussen 135 g/mol en 141 g/mol de student goed gemeten heeft dus geslaagd is. Onderstaand dichtheidshistogram geeft de verdeling van de meetwaarden van de 67 studenten. Bereken hoeveel studenten geslaagd zijn.

3. Geef de betekenis van de P-waarde in de methode van hypothesetoetsing.

4. In een wijnonderzoek wil men nagaan of tijdens het rijpen van de Rioja wijn in de fles de aanwezigheid van vluchtige zuren toeneemt. Hiervoor heeft men stalen genomen van de wijn 1 jaar na het bottelen en 3 jaar na het bottelen. De metingen werden uitgevoerd volgens dezelfde methode. Je mag dus veronderstellen dat de varianties gelijk zijn. Als nulhypothese wordt aangenomen dat de hoeveelheid vluchtige zuren niet toeneemt. De analist heeft volgende resultaten van de hypothesetoets: t = 1,91 t(crit) = 1,71 P = 3,42 significantieniveau = 5

5. Twee methoden voor het bepalen van de hoeveelheid paracetamol (mg) in pijnstillers worden met elkaar vergeleken. Hierbij worden verschillende pijnstillers telkens door beide methoden gemeten.

  methode A 84,63 ; 84,38; 84,08; 84,41; 83,82; 83,55   methode B 82,15; 83,72; 83,84; 84,20; 83,92; 84,16
        A. Welke hypothesetoets is geschikt om na te gaan welke methode het meest precies gewerkt heeft? Argumenteer je keuze.
        B. Geef de formule voor toetsingsgrootheid.

6. Geef een voorbeeld van glaswerk dat je gebruikt in het labo waarvoor je de uniforme verdeling moet gebruiken om de standaard onzekerheid te bepalen. Leg duidelijk uit waarom je de uniforme verdeling moet gebruiken en geef de formule voor de standaard onzekerheid.

7. Een laborant dient een standaard oplossing te maken van 0,4 mM kaliumpermanganaat. Hiervoor weegt hij 315,8 mg kaliumpermanganaat af na tarrering op balans van het type ML54. Deze balans heeft volgens de producent een tolerantie van 0,5 mg. De massa wordt kwantitatief overgebracht in een maatkolf van (100 +/- 0,4)mL en wordt aangelengd met demi water. De oplossing wordt verdund door 2,0 mL met een volumetrische pipet van (2,000 +/- 0,006)mL over te brengen naar maatkolf van (100,0 +/- 0,4)mL en wordt aangelengd met demi water. Molaire massa kaliumpermanganaat = 158,04 g/mol en mag als een constante gezien worden. Bereken de exacte concentratie met bijhorende standaard onzekerheid van de verdunde oplossing. Rapporteer het resultaat volgens de geijkte manier.

8. Voor een experiment moet je nauwkeurig kopersulfaat (vaste stof) oplossen in 100 mL basisch oplosmiddel. Het basische oplosmiddel is exact 0,2 mM ammoniak oplossing. Geef in een visgraatdiagram de verschillende bronnen van onzekerheid voor de concentratie (mol/l) weer.

9. Leg het verschil uit tussen herhaalbaarheid en reproduceerbaarheid.

10. Voor routineonderzoek wordt er dagelijks een controlestaal gemeten om na te gaan of de methode onder controle is. Onderstaande controlekaart geeft de eerste helft van de maand mei weer. Is de methode steeds onder controle? Zo nee, op welke dag moet het routineonderzoek onderbroken worden voor validatie van de methode? Argumenteer welke controleregel van toepassing is.

Onderzoeksvaardigheden II

2016 juni examen

1. Wanneer is de mediaan aangeraden in plaats van het gemiddelde?

2. Tijdens een onderzoek is er een cumulatieve verdeling opgemaakt

    A. Bepaal: mediaan, Q(0,25), Q(0,75) duidt dit aan op de grafiek (zo nauwkeurig mogelijk aflezen)
    B. Teken boxplot
    C. Hoeveel mogelijke uitschieters + argumenteer

3. geef de betekenis van de P-waarde in de methode van de hypothesetoetsing

4. Een productiemanager weet uit vroegere metingen dat de hoeveelheid aan onzuiverheden in een fles van 10L zwavelzuur een normale verdeling volg met standaardafwijking van 3,8 g. massa onzuiverheden in 9 willekeurig gekozen flessen worden gemeten in g: 18,2; 13,7; 15,9; 17,4; 21,8; 16,6; 12,3; 18,8; 16,2. Bekeken het 95% betrouwbaarheidsinterval voor µ van de hoeveelheid onzuiverheid.

5. Twee studenten krijgen de opdracht om na te gaan of BRITA-filter wel degelijk chloor uit leidingwater filtert. Hiervoor zetten ze een experiment op waarbij door neerslagtitratie met zilvernitraat en kaliumdichromaat als kleurindicator de hoeveel chloride kan bepaald worden in water. Ze nemen zes kannen leidingwater waarvan ze het chloride-gehalte bepalen voor en na filtratie. Resultaten in (in mM) weergegeven: voor 1,74; 1,86; 1,21; 1,16; 1,33; 1,62 na 1,17; 1,11; 1,33; 1,44; 0,91; 0,87

    A. Geef hypothesen (H0 en H1) van de hypothesetoets om na te gaan of het chloride-gehalte na filtratie met BRITA-filter is verlaagd.
    B. Hypothesetoets geeft volgende resultaten: f = 2,31  f(crit) = 1,81   P = 2,18%   alfa = 5,00%. Formuleer een volledig besluit op basis van de resultaten.

6. Voor een experiment moet je nauwkeurig calciumcarbonaat (vast) oplossen in water, geen in een visgraatdiagram de verschillende bronnen van onzekerheid voor de concentratie (mol/L) weer.

7. Een laborant moet een nauwkeurige verdunning van ammoniak maken. Op het ogenblik van bereiding is de temperatuur in het labo (20 +/- 2)°C. Giet geconcentreerd ammoniak (14 +/- 0,04)M in maatbeker (400 mL) pippeteer 0,5 mL geconcentreerd ammoniak met een volumetrische pipet (0,500 +/- 0,005)mL over naar maatkolf (250 +/- 0,15)mL en leng aan met demi water. De volumetrische uitzettingscoëffiënt van vloeistof: 2*10^-4 1/K. Bereken de concentratie met bijhorende standaardonzekerheid van de verdunde oplossing. Rapporteer het resultaat volgens de geijkte manier met uitgebreide standaardonzekerheid.

8. Aan twee studenten wordt gevraag om een 0,1M natriumhydroxide-oplossing te maken en te standaardiseren met kaliumwaterstofftallaat om zo nauwkeurig mogelijk de concentratie te kennen. Waarnemingen: Student A 0,098; 0,096; 0,099; 0,093; 0,094 Student B 0,090; 0,101; 0,103; 0,080; 0,094; 0,100; 0,091.

     A. Welke hypothesetoets is geschikt om na te gaan welke student het meest precies gewerkt heeft?
     B. Geef de formule voor de toetsingsgrootheid.

9. Som de drie elementen van een kwaliteitssysteem op + leg kort uit.

10. Voor routineonderzoek wordt dagelijks een controlestaal gemeten om na te gaan of de methode onder controle is, onderstaande controlekaart geeft de eerste helft van de maand mei weer. Is de methode altijd onder controle? Zo nee op welke dag moet het routineonderzoek onderbroken worden voor validatie van de methode? Argumenteer welke controleregel van toepassing is.[[

Onderzoeksvaardigheden II

2021 juni examen

meerkeuze.PNG

meerkeuze2.PNG

meerkeuze3.PNG

Andere vragen:

 

variantie berekenen (=var.s())

mediaan (=mediaan())

4x titreren met afwijking wat is de afwijking dan na 4x (gwn afwijkingen optellen)

rendement bepalen van massa Hop ( je krijgt massa volle beker, massa lege beker en massa van extractie en dan ook de afwijkingen)

vraagstuk met A en T bepalen (ik dacht dat het T en P was ?) 

eigenlijke concentratie berekenen met 95% interval

rico en snijpunt (=richting() & =snijpunt()) 

een grafiek waarvan je moest zeggen of deze voldoet aan de “controle” (x-kaart van module 5 (controlekaarten) )

Hoe kan je ervoor zorgen dat de spreiding van de meetgegevens geen invloed heeft op de sx. Meerkeuzevraag.

  1. a1=Y0
  2. Ygem=Y0 
  3. SS=
  4. ??

 

Module 8, oefening 3 (kwam letterlijk op het examen + in deze oef rico en snijpunt berekenen en betrouwbaarheidsinterval, ma ni tekenen en geen interpolatie) :