V&D Fase 1

Hieronder vind je elk vak in Fase 1 van het Voedings- en dieetleer

Basisbegrippen chemie: lab

Basisbegrippen chemie: lab

2013 januari examen

Vraag 1

Naamgeving kunnen geven en splitsing in ionen

elementen kunnen geven en splitsing in ionen

Vraag 2

Redoxreactie uitwerken

Vraag 3

Vraag op m%

Vraag 4

Stoichiometrisch rekeken:

voor - tijdens -na

Vraag 5

Gegeven: N en #ml van een oplossing + M van tweede oplossing met H2SO4

Gevraagd: #ml nodig van tweede oplossing om eerste te bereiden

Basisbegrippen chemie: lab

2016 januari examen

oefening 1


a) Geef de naam van volgende moleculen. Geef ook de opbouwende atomen indien mogelijk

b) Geef het molecule weer die bij de volgende naam horen. Geef ook de opbouwende atomen weer indien mogelijk

oefening 2

Je krijgt een reactie. Jij moet hiervan:

- de halfreacties en E0 waardes opzoeken.
- redox reactie van schrijven.
- OT aanduiden bij de atomen waarbij deze veranderd
- de oxidator en reductor aan duiden
- de oxidatie en reductie aan duiden en aanduiden hoeveel elektronen er worden overgebracht.

oefening 3

Stoichiometrisch rekenen.

Ook omrekenen met de ideale gaswet

oefening 4

a) molariteit berekenen

b) normaliteit berekenen

c) verdunning berekenen

xoxo Dana en Elien

Basisbegrippen chemie: theorie

Basisbegrippen chemie: theorie

2013 januari examen


Vraag 1

2 elementen gegeven HI en ?

Welke is een ionische binding en welke een covalente?

Toon de elektronenconfiguratie en duidt de valentie elektronen aan.

Teken de Lewisstructuur van deze elementen

Vraag 2

Vragen in verband met de nulde orde (grafiek kunnen tekenen en grafiek over verloop van snelheid)

Verschil kunnen geven met eerste orde (grafiek kunnen tekenen en grafiek over verloop van snelheid)

Vraag 3

Toepassing op de wet van Le chaterlier.

Welke richting verschuift het evenwicht bij afname van temperatuur + uitleg.

Welke richting verschuift het evenwicht bij afname van volume + uitleg

Vraag 4

Verklaring van 4 woorden/ gegevens

wat is de sterkste oxidator en sterkste reductor van twee redoxkoppels + reactie kunnen geven.

Basisbegrippen chemie: theorie

2016 januari examen

Examen 1

Vraag 1

a) geef de elektronen configuratie van N, O, Co. Geef het aantal valentie elektronen en teken deze rond het atoom (bijvraag tijdens het mondeling: geeft de aangeslagen toestand van O)

b)Geef de Lewis-structuur van HN03. Duid de datief covalente bindingen aan.

Vraag 2

a) Geef het verband tussen de temperatuur en de reactiesnelheid. Geef hierbij de Maxwell-Boltzmann verdelingscurve en de botsingstheorie

b) Geef de vergelijking tussen concentratie en tijd bij een reactie van de 1e orde en geef deze grafisch weer.

Vraag 3

a) Geef de Kc vergelijking voor een reactie

b) Verstoren volgende factoren het chemische evenwicht? Zoja hoe en naar welke richting?

- de hoeveelheid van 1 van de reactieproducten verhogen
- het mengsel laten afkoelen

Vraag 4 a) Wat bedoelt men met... ( leg duidelijk en volledig uit)

- een zuuroxide (leg het woord zuur uit aan de hand van een reactie)
- een polair deeltje ( leg uit met een voorbeeld)
- de verdringingsreactie van...

b)Rangschikken van moleculen volgens stijgende Ph-waardes

Bij sommige gaf ze een Kb of Kc waarde somminge niet.

Examen 2

1. Elektronenconfiguratie tekenen van H, Cl, O en daar de covalente binding van HCl en HClO3 ( duid de gewone en datieve aan)

2. Katalysator bespreken + grafiek en Eerste orde grafieken geven

3. Kc van een reactie geven, le chatelier toepassen ( concentratie stijgen en temperatuur stijgen van exotherme reactie)

4. Definities

• E°1<E°2 geef de half reacties en de nulwaarden en de reactie duid de Sterkste ox en sterkste red aan.

• Zuur-base reactie tussen NH3 en H3PO4, leg aan de hand daar van uit wat zuur en base is

• Londen, dispersiekrachten uitleggen + vb

• 6 stoffen volgens stijgende pH rangschikken ( je krijgt een paar Kz en Kb )

Basisbegrippen chemie: theorie

2022 augustus examen

image-1661584648169.png

Bio-organische chemie

Bio-organische chemie

2011 juni examen

Reeks 1

Reeks 2

Bio-organische chemie

2016 juni examen

1) Ik kreeg Z-3-hydroxy-hept-5-een-2-on (of iets in die aard). Daar moest ik de structuur van tekenen en de naamgeving uitleggen. Dit molecule moest ik dan vergelijken met hept-5-een-2-on (of ook iets in die aard) en uitleggen welk van de twee beter oplosbaar zou zijn. Als laatste moest ik nog de structuur geven van het eerste molecule na afsplitsing van water.

2) Ik kreeg sucrose. Hierbij moest ik de bouwstenen geven, de binding, functionele groepen,.. Ook dan de naam, sucrose dus. Hierbij moest ik ook de asymmetrische koolstoffen op aanduiden. Een bijvraag hierbij was of dit suiker nog reducerend was en waarom wel/niet.

3) Een molecule in de sawhorse projectie. Ze vroeg hierbij over welke voorstellingsvorm het ging. Hierbij moest ik de absolute configuratie maken en ook zeggen welk molecule ik er in herkende.

4) Begrippen:


1) Gegeven een gecondenseerde formule van "naam" N-ethyl-4-methyl-pentaan-1-amine a) Teken de structuurformule van deze molecule en verklaar de nomenclatuur. b) Vergelijk het kookpunt van deze verbinding met die van N,N-diethyl-4-methyl-pentaan-1-amine c) Welk product wordt er gevormd als het gegeven molecule reageert met azijnzuur, waarbij H2O vrijkomt?

2) gegeven: tekening. a) Tot welke groep van de biomoleculen? Verklaar. (Het was een fosfolipide) b) funcitonele groepen benoemen c) duid asymmetrische koolstofatomen aan met *

3) D-galactose tekenen in fischerprojectie. En daarna omzetten naar haworthstructuur. Er is gegeven dat het op C-atoom 4 verschilt van glucose. - bijvraag: Hoe je weet of OH bovenaan of onderaan moet staan - bijvraag: functionele groep van die O recht boven (hemiacetaal)

4) Begrippen: VRAAG 4: - invertsuiker - plantensterolen - verschil tussen aspartaam en aspartaat - isomerie

Communicatieve en sociale vaardigheden

Communicatieve en sociale vaardigheden

2012 januari examen

1) welke functies heeft commuicatie ? Wat wordt bedoeld met meta-communicatie?

2) bespreek waardoor onrust in een groep ontstaat

3) casus waar je dus kennis maakt met de patiënt , hand geven enzo.


1. welke zijn de functies van communicatie (die nodig zijn voor een diëtist)

2. geef de voor- en nadelen van leiderschap ( wiel en spinschema)

3. minimum 8 open vragen toegepast op casus

Communicatieve en sociale vaardigheden

2013 januari examen

1.Waardoor wordt het werken in een team beïnvloed?


2. Wat moet een diëtiste allemaal zeggen bij een inkomend telefoongesprek van een patiënt?


3. Rollenspel: Wat moet je je patiënt vertellen voor je aan een screening begint.

Communicatieve en sociale vaardigheden

2017 januari examen

1. Wat wordt er bedoeld met 'niet-selectieve ' luistervaardigheden?

2. Maak een ICF schema met gegevens van een casuspatiënt

3. Screening: kennistest waar/niet waar vragen (van de website)

 

1. Bespreek SMART (a.d.h.v een gegeven voorbeeld) 2. Wat bedoelt men met 'een patiënt die zich in de contemplatiefase bevindt'? 3. Rollenspel: Mevr. pensaert, 55j, heeft last van darmklachten en sinds enkele maanden ook last van diarree. Doe de 'aanmelding' en de 'screening'.

1. je krijgt een smart-doelstelling, zeggen wat fout is en wat ontbreekt en deze juist formuleren 2. wat zijn de fases van de dietistische anamnese 3. rollenspel: je krijgt een verwijsbrief. doe de anamnese en vul het clientendossier in.

Fysiologie

Fysiologie

2009 juni examen

1. De maagzuurproductie:

2. Invuloefening over de hormonen:

3. Gegeven: tekening met zuurstofbidingscurve voor arterieel bloed (a)

4. Meerkeuzevragen:

5. Juist/fout vragen:

Fysiologie

2010 augustus examen

1. Geef een voorbeeld van een molecule dat via vrije diffusie doorheen het laterale membraan van het nefron heen kan. Leg uit waarom er aan de voorwaarde van diffusie is voldaan.

2. geef een voorbeeld van een molecule dat door osmose doorheen het membraan van een nefron kan verplaatsen. Leg uit waarom er aan de voorwaarde van osmose is voldaan.

3. Geef een voorbeeld van een ion dat door carriertransport doorheen het membraan van een nefron kan verplaatsen. Wat zijn de eigenschappen van dit transport? Wat is het gevolg hiervan voor de urine?

4. Invuloefening over de ademhaling

5. Invuloefening over het T4 hormoon.

Fysiologie

2010 juni examen

1. Hoe krijgt het centraal zenuwstelsel informatie over de sterkte van een prikkel? Leg uit met als voorbeeld zuur.

2. Er is een functioneel verband tussen het hormonaal en het vegetatief stelsel. Leg uit.

3. Invuloefening over de hormonen:

4. Geef de vertering en de opname van koolhydraten in de dunne darm. Maak eventueel een tekening van een enterocyt ter verduidelijking. Geef alle enzymen die hierbij een rol spelen en waar ze voorkomen.

5. Werking van de nier:

6. Geef de vergelijking van Henderson-Hasselbach en duid aan wat de weerspiegeling is van de nierfunctie en de longfunctie. Leg uit.

7. Als de pH van het bloed daalt, wat gebeurt er dan op gebied van ademhaling en nier. Leg uit.

8. Juist/fout vragen.

Fysiologie

2011 juni examen

1. Geef in chronologische volgorde de 6 stappen van indirecte prikkeltransmissie.

2. Geef een reeël/concreet voorbeeld van indirecte transmissie tussen 2 cellen die op een diffusieafstand van elkaar liggen en tussen 2 cellen die op een grote afstand van elkaar liggen.

3. Op welke manier worden de hersenen geïnformeerd over de sterkte van een smaakprikkel?

4. Invuloefening over de hormonen.

5. Negatieve feedbackregulatie uitleggen aan de hand van een concreet voorbeeld.

6. Leg het omgekeerde Bohr-effect uit.

7. Bespreek de werking van de cellen van de distale tubulus en van de verzamelbuisjes van de nier. + Tekening

8. Bespreek de vertering en absorptie van de koolhydraten.

9. Functie van de lever in het koolhydraatmetabolisme.

10. Juist/fout vragen

Fysiologie

2012 augustus examen

1. Wat is de bijdrage van de nier om de pH in het bloed te regelen? Leg uit aan de hand van een tekening.

2. Invuloefening over hormonen: ACTH, groeihormoon, cortisol.

3. Leg uit hoe diffusie van zuurstof in de alveolen mogelijk is.

4. Leg uit waarom de opname van zuurstof vergemakkelijkt wordt door de vrijstelling van CO2.

5. Hoe wordt HCL in de maag geproduceerd? + Tekening

6. Juist/fout vragen

Fysiologie

2013 juni examen

Examen 1
1. Geef de soorten transport over de celmembraan voor hydrofiele stoffen.

2. Meerkeuze vragen

3. De hormonen:

4. De maagzuurproductie:

5. Juist/fout vragen

Examen 2

1. Membraantransport:

2. Meerkeuzevragen: 6 vragen, 4 verschillende keuzes

3. De hormonen:

4. Werking van de nier:

5. De maagzuurproductie:

6. Juist/fout vragen (5 vragen)

 

Fysiologie

2014 augustus examen

Examen 1
1. grafiek van de actiepotentiaal gegeven met verschillende nummers (1 = depolarisatie, 2 = repolarisatie, 3 = drempelpotentiaal, 4 = rustpotentiaal, 5 = refractaire periode). Geef de naam en betekenis van de nummers en verklaar hoe ze ontstaan.

2. hormonen

3. fysiologie van de voeding: een heel proces uitleggen over de vertering van zetmeel, waar opgenomen, ...

4. begrippen invullen in een zin

Examen 2

1. Grafiek van de actiepotentiaal gegeven met verschillende nummers (1 = depolarisatie, 2 = repolarisatie, 3 = drempelpotentiaal, 4 = rustpotentiaal, 5 = refractaire periode). Geef de naam en betekenis van de nummers en verklaar hoe ze ontstaan.

2. Het humaan groeihormoon:

3. Door welke cellen wordt maagzuur geproduceerd? Welke transportprocessen zijn er nodig? Welke factoren oefenen een invloed uit op de productie van maagzuur?

4. De nier:

Fysiologie

2014 juni examen

1. Carriertransport:

2. De hormonen:

3. Bespreek de vertering van vetten doorheen de verteringsbuis (mond tot dikke darm).

4. Bespreek het transport van CO2 en O2 doorheen de membraan.

Fysiologie

2017 juni examen

1. transportmechanismen van distale tubulus van de nier uitleggen aan de hand van een figuur

2. 2 darmhormonen geven, effect en invloed van

3. hormonale en neurale regeling van de hypothalamus uitleggen aan de hand van een voorbeeld

4. invulvraag: tekstje aanvullen over de contractie van skeletspier

5. begrippen invullen

Inleiding tot de voedingswarenanalyse: lab

Inleiding tot de voedingswarenanalyse: lab

2011 april examen

Inleiding tot de voedingswarenanalyse: lab

2017 mei examen

Inleiding tot de voedingswarenanalyse: theorie en oefeningen

Inleiding tot de voedingswarenanalyse: theorie en oefeningen

2009 juni examen

Mondeling:
1. Reageren volgende zuur , basisch of neutraal?
a. nacl
b. ?
c. 1 mol NH3 en 1 mol NH4cl

2. Leg de reducerende suikers uit volgens de methode van luff-schoorl! Geef hierbij alle recties die plaatsvinden.

3. Leg de methode van Mohr uit.
a. teken buret + erlen
b. titratie + indicatorreactie
c. eindpuntsbepaling
d. geef de vergelijking hoe je concentratie hieruit kan bereken.

4. Leg volgende begrippen uit:
a. iodimetrie
b. primaire standaardoplossing
c. zuurgraad van meel
d. inversie van suiker

Schriftelijk: 4 oefeningen
1. een oefeningen met dat vereenvoudigen
2. bepaal massa van zwavelzuur bij ph=3.0
3. bepaal hoeveel gram borax je moet afwegen op analytische balans
4.bepaal M en N bij ...

Inleiding tot de voedingswarenanalyse: theorie en oefeningen

2010 juni examen

Vraag 1

- Hoe verloopt de titratie van een sterk zuur en een sterke base? Welke indicator wordt hiervoor gebruikt? Schets grafieken. Welke kleuromslag kunnen we waarnemen?

- Idem voor de titratie van een sterk zuur en zwakke base


Vraag 2 Leg volgende begrippen uit: onthard water, zuurgetal van olie, primaire standaardoplossing.

Menselijke biologie en celbiologie

Menselijke biologie en celbiologie

2009 januari examen (vroeger Celbiologie)

Hoofdvraag:

- Geef een overzicht van de genexpressie. Leg verband met DNA, RNA en proteïnes

 ( staat letterlijk in de cursus, maar meer details geven)

 

Bijvragen:

- je krijgt de tekening = 1 vetzuurketen

                  Wat is dit? Leg uit en waar komt deze voor

                  Is deze wateroplosbaar of niet? Verklaar.

- Geef de functie van centriolen. Wees volledig.

- Wat is TER?

   Geef de functie.

- Stelling juist of fout en geef verbetering indien fout, leg uit indien juist.

             Tijdens de interfase wordt het DNA continu vermenigvuldigd

 

(Michaël R.)

Menselijke biologie en celbiologie

2009 januari examen (vroeger Menselijke biologie)

Menselijke biologie en celbiologie

2010 januari examen (vroeger Celbiologie)

gegeven een dna streng, maak hiervan een aminozuur en leg de verschillende stappen uit

teken een eukaryote cel na de mitose en voor de cytokinese en n=4

juist of fout: ionen kunnen langs het plasmamembraan

Menselijke biologie en celbiologie

2012 januari examen (vroeger Celbiologie)

(Marthe)

hoofdvraag: beschrijf de functie van een tight junction en een darmepitheel cel. Toon ook aan met een tekening en benoem alle getekende onderdelen.

Bijvraag1 Waar komen deze voor in de cel. Zetmeel: H2O2: cholesterol: celplaat:

bijvraag 2 voor wat staat ATP? Waarvoor dient ATP in de cel ?

Bijvraag 3 wat is tRNA. Via welk proces wordt tRNA gevormd? Welke soort biomolecule is tRNA? Welke enzyme zorgt voor de synthese van tRNA? Wat is er kenmerkend aan tRNA?

Bijvraag 4 ( waar of niet waar en verklaar)

Een persoon met het syndroom van down(mongolisme) heeft 47 chromosomen.

Menselijke biologie en celbiologie

2012 januari examen (vroeger Menselijke biologie)

Leg uit: afferent neuron epidermis hepatocyt chyl synoniem: buikholte tegenovergestelde van: intracellulair dorsaal Leg de wand van arteriool, arterie en vene uit aan de hand van basisstructuur +leg functie uit invuloefening weg die O2 aflegt bij de ademhaling...tot in alveolen Nefron teken + benoem delen en teken (uitvergroot)membraan glomerole en kapsel bowman galstelsel tekening benoemen delen pancreas microscopische opbouw uitleggen juist of fout

Menselijke biologie en celbiologie

2013 januari examen (vroeger Celbiologie)

Hoofdvraag (8punten)

1) is een insuline receptor een intergraal of een perifeer eiwit

2) ...

3) Gegeven het coderende streng van het DNA, geef de mRNA

4) Geef de aminozuursequentie van dit mRNA

5) Bevindt de insuline receptor van dit mRNA zich in het membraan of niet, verklaar

6) Wat gebeurt er als er een mutatie is met ... nucleotide

7) Leg DNA replicatie uit aan de hand van een schets (transcriptie, translatie)


Bijvraag 1 (4punten)

Juist of fout vraag (in totaal 20 vragen), giscorrectie: juist +0,2; fout -0,2; geen antwoord 0

1) Zuurstof kan vrij door het celmembraan diffunderen (dus zonder gebruik te maken van transporteiwitten)

2) Triglyceriden bestaan uit 1 glycerol molecule en 3 vetzuurstaarten

3) In de membranen van het ER komt geen cholesterol voor

4) Indien op de coderende streng van het DNA de code CGGC voorkomt, zal deze op het mRNA GCCG zijn

5) Het eerste aminozuur dat onstaat bij de translatie van een eiwit is steeds methionine

6) De gameten zijn de enige haploïde cellen in het menselijke lichaam

7) De profase is de eerste fase van de mitose


Bijvraag 2 (in totaal 4punten)

Vul aan (8 vragen)

1) Een andere (Latijnse) naam voor een hartspiercel is...

2) ... zijn opgebouwd uit glycerol, 2 vetzuren, een fosfaatgroep en een base

3) Een haploïde cel met 15 verschillende chromosomen bevat in totaal ... chromosomen

4) Het suikerrijke buitendeel van de celmembraan wordt de ... genoemd

5) ... is een nucleïnezuur dat een anticodon bevat


Bijvraag 3 (4punten)

Wat is afgebeeld op de foto. Met welke techniek is deze foto genomen. Maak een schets van dit celorganel en beschrijf het in 6 regels.

Menselijke biologie en celbiologie

2013 januari examen (vroeger Menselijke biologie)

Vraag 1: medische terminologie: Verklaring van Latijnse woorden, de Latijnse benaming geven, tegenovergestelde geven. In totaal 10 woorden

Vraag 2 Prikkelgeleiding van het hart uitleggen

Vraag 3

Leg het transport uit van de chylcellen van de dunne darm naar de lever. Je krijgt 15 plaatsen (ductus hepaticus, linker ventrikel, rechter ventrikel, linker atrium, rechter atrium, v pulmonalis, a pulmonalis, v cava superior, v cava inferior, v porta, v hepaticus, atria, a hepaticus, chylvaten,...) Hiervan moet je 11 plaatsen gebruiken, je mag geen plaats twee keer gebruiken.

Vraag 4 Geef de basisbouw van het spijsverteringskanaal. (mucosa, submucosa, muscularis en serosa uitleggen bij het spijsverteringskanaal) Geef de bijzonderheden van de opbouw van de maag (waarin dat de maag afwijkt van deze basisopbouw) en de bijhorende functies

Vraag 5 tekening van een nier. Wat zie je op deze tekening? Duidt alle onderdelen op deze tekening aan. Wat vindt men in nummer... (nierbekken)

Vraag 6 Juist/fout (Giscorrectie, juist= +1, fout=-0,5, ik weet het niet=0)

Menselijke biologie en celbiologie

2015 januari examen (vroeger Menselijke biologie)

1) Medische terminologie

2) Teken een Nefron en benoem de delen, In welk orgaan komt het voor en leg uit wat het verband is tussen het uitzicht van het orgaan

3) Bespreek de opbouw van een arteriool en link dit met de functie ervan

4) Invuloefening over de kleine bloedsomloop

5) Tekening van een leverlobje delen benoemen

6) Juist/fout (Giscorrectie, juist = +1, fout = -0,5, ik weet het niet = 0)

Menselijke biologie en celbiologie

2016 januari examen (vroeger Celbiologie)

1) DNA overschrijven

• van de gegeven template streng (gen van insuline) mRNA maken

• van de gevonden mRNA overschrijven/vertalen naar aminozuren

• een gegeven template streng van een rund deze ook vertalen en kijken naar het verschil tussen de bovenste en wat daar de gevolgen van kunnen zijn

• Wat bepaalt hoeveel insuline er uit de cel wordt gestuurd?

• Het proces van een gen naar een eiwit dat extracellulair gaat. Geef de celorganellen en cel procedures. (Translatie en transcriptie)

2) Juist of fout ( GIS correctie) (8)

3) Vul in (8)

4) Wat is actief transport, soorten en geef een voorbeeld en leg kort de werkwijze uit.

Menselijke biologie en celbiologie

2016 januari examen (vroeger Menselijke biologie)

1) termen verklaren/vertalen:

• medische termen  Nederlands ( elk woord afzonderlijk verklaren ) (11)

• Nederlands  medische termen (3)

• tegenovergestelde (3)

• term plaatsen in orgaan (4)

2) De functie(s) van albumine.

3) De gedeeltes van de grote hersenen benoemen: Nederlands en medische termen.

4) De aangeduide dingen benoemen, dorsaal en ventraal aanduiden, het verschil uitleggen tussen a en b. (ging nu over het sluiten en openen van de trachea dmv van strotklepje)

5) 9 juist of fout vragen (GIS correctie)


- medische terminologie

- functie albumine in het bloed verklaren

- hersenkwabben aanduiden op tekening Nederlandse en medische benaming

- juist/fout vragen

Menselijke biologie en celbiologie

2017 januari examen (vroeger Celbiologie)

1) Schets de verschillende fases van mitose en leg elke fase beknopt uit.

2) Juist/Fout met gis

3) Invulvraag.

4) Het celmembraan is selectief permeabel. Geef twee manier van transport doorheen het celmembraan en leg uit met glucose.

Menselijke biologie en celbiologie

2017 januari examen (vroeger Menselijke biologie)

1) Geef de oppervlaktevergrotingen van de dunne darm en waarom deze oppervlaktevergrotingen nodig zijn.

2) tekening van lymfeknoop: benoem de onderdelen. (staat letterlijk in boek)

3) donor heeft bloedgroep A en is rhesuspositief. Acceptor heeft bloedgroep B en is rhesusnegatief. Kan deze donor bloed geven aan de acceptor?

4) medische termen verklaren

5) juist of fout vragen met giscorrectie

Menselijke biologie en celbiologie

2022 januari examen

  1. Vertaaloefening medische/celbiologische terminologie ↔ NL + tegengestelde woorden + afkortingen voluit schrijven

  2. Leg de oppervlaktevergrotingen uit in de dunne darm en link dit met de functie ervan.

  3. Schematische weergave van transport van glucose doorheen de celwand. Je moet zeggen of dit passief of actief is en verklaren waarom + een andere benaming hiervan.

  4. Oefening over bloedtransfusie: Je krijgt een donor en acceptor, je moet aan de hand van antigenen en antilichamen uitleggen waarom deze transfusie kan of niet kan.

  5. 2 foto’s en je moet de aangeduide delen benoemen (in dit geval een aantal organen in de buikholte + de hersenen).

  6. Foto van een cel met chromosomen, je moet zeggen of die diploid of haploid is en hoeveel chromosomen je ziet.

  7. Juist/fout vragen met giscorrectie (waren niet zo moeilijk als je de cursus aandachtig hebt doorgenomen, soms maakte 1 klein woordje het verschil).

Menselijke biologie en celbiologie

2022 augustus

Vraag 1: Medische terminologie van latijn naar Nederlands en omgekeerd vertalen.

Vraag 2: Begrippen situeren in het lichaam (bv;  Waar ligt de papil van Vater?)

Vraag 3: Leg het epitheel en de doorlaatbaarheid van de dunne darm uit.

Vraag 4: Leg de Natrium Kalium pomp uit. ( vrij uitgebreid)

Vraag 5: bloedtransfusie compatibel?

Vraag 6: invulvraag

Vraag 7: delen van de mond benoemen aan de hand van een tekening

Vraag 8: juist of fout

Menselijke biologie en celbiologie

2023 januari examen

Veel aandacht besteed aan de woordenschat! 2 pagina's

1. Geef andere woorden voor .... (hersenvocht, interkinese, medulla oblongata, sfincter, osteoblast, chyl, pharynx, galblaas etc...)

2. Geef de volledige naam van deze afkortingen: malt, cod, rer, atp

3. Geef het tegenovergestelde van: visceraal, craniaal

4. Benoem de aangeduide delen op de gegeven tekening van darmstelsel

5. Wat is de functie van deze klier? (Afbeelding gegeven: acinaire klier)
+ duid de aangeduide delen aan op de gegeven tekening

6. Wat is de functie van een lysosoom? (Afbeelding gegeven) en benoem de aangeduide delen.
Is diffusie de enige manier van passief transport? Leg uit aan de hand van de tekening van de lysosoom.

7. Tekening van het hart: benoem de gevraagde delen, duid een afferent bloedvat aan, schrijf erbij wat links en rechts van het hart is

8. 3 zinnen waarbij er openingen zijn en je het juiste woord moet invullen. "De nervus vagus is een onderdeel van het ..... zenuwstelsel"

9. Afbeelding van een cel met chromosomen
duid aan: haploïde of diploïde cel? 3 of 6 chromosomen?

10. Is deze bloedtransfusie compatibel? Leg uitgebreid uit
Gegeven: bloedgroep donor en acceptator + rhesusnegatief of positief

11. Ongeveer 10 juist/fout stellingen (met giscorrectie)
Voorbeelden:

"Lymfeknoop is gemaakt uit bindweefsel"
"De precentrale gyrus is sensorisch"
"Luchtpijp ligt ventraal gelegen tegenover de oesopgahus"
"In de anafase in de mitose worden de microtubuli korter en worden de chromosomen gesplitst"

Psychologie - deel 1

Psychologie - deel 1

2009 juni examen

1. Wat betekent bij een professionele relatie tussen diëtiste en patiënt ‘onevenwicht’? Geef een vb uit praktijk
2. Voedselperceptie; leg uit en geef 3 bevindingen die uit exp. zijn gekomen
3. bejaarde valt veel af. Familie contacteert u. Wat stel je jezelf af in verband met ontwikkelingspsychologie? Wat vraag je aan familie en waarom? Welk advies geef je aan familie en waarom?

Psychologie - deel 1

2011 juni examen

1. Een 45-jarige man komt op consultatie met zijn vrouw en de vrouw wilt dat hij vermagerd. Geef de ontwikkelingspsychologie en welke vragen zou je hem stellen? En welke advies geef je hem?
2. Wanneer ontstaan uw smaakvoorkeuren? Smaakontwikkeling, leg uit!
3. Persoonlijkheidskenmerken en is het relevant voor de dietiste.

Psychologie - deel 1

2012 juni examen

1. Wet van de nabijheid uitleggen.
2. Naast eten omdat je honger hebt zijn er nog andere reden om te eten. Geef ze en leg uit.
3. Baby van 8 weken en de moeder maakt zich ongerust over de ontwikkeling. ontwikkelingspsychologie geven en wat je gaat geven van informatie en advies aan de moeder

1. Wat is het verschil tussen intrinsieke motivatie, extrinsieke motivatie, interne motivatie en externe motivatie en geef bij elk een voorbeeld.
2. Een vrouw van 34 is op korte tijd 5kg bijgekomen en wilt die 5kg weer kwijt. Geeft de ontwikkelingspsychologie. welke vragen stel je en waarom? welk advies geef je?
3. Leg uitgebreid uit wat visuele, auditieve en tactiele kenmerken met voedselperceptie te maken hebben.

1. Geef de 3 deelaspecten van de professionele relatie
2. Geef de ontwikkelingspsychologie van een puber/adolescent. Een leerkracht uit het secundair belt je omdat ze ongerust is over een meisje dat steeds magerder wordt en brede kleren draagt. Welke vragen stel je? Welk advies geef je?
3. Wat weet je over smaak -en reukvoorkeuren?

1. verschil tussen waarneming en video-opname + 2voorbeelden
2. een vrouw van 24 kwam in aantal maanden 4kg bij. kijken naar ontwikkelingspsychologie. welke vragen zou je stellen? welk advies zou je geven?
3. s-O-S-O-R + voorbeeld

1. een meisje van 14 ziet er mager en wit uit haar moeder belt u op en vraagt voor advies geef de ontwikkelingspsychologie en welke vragen ga je stellen en welke adviezen geef je?
2. geef 3 voorbeelden van voedingsmiddelen waar heb bijt gedrag en iets van voedingsadaptatie ofzo iets invloed heeft en leg uit aan de hand van die film
3. iets over hoofdstuk 6

1. Waarnemingen zijn geen gewaarwordingen. Leg uit.
2. Leg de basishoudingen van een dietist uit en geef voorbeelden.
3. Ontwikkelingspsychologie van een kindje van 20 maanden. In de wachtzaal roept en tiert kind dat het een koek wil. Ouders hebben geen koek en zijn ten einde raad. Thuis wil het kind niet eten aan tafel en de ouders maken zich hierover ongerust.

Psychologie - deel 1

2014 juni examen

1. Geef alle informatie over de reflexen van een zuigeling + welke zijn belangrijk voor de voeding?
Bijvraag: Waarom worden we met deze reflexen geboren?
2. Verklaar: psychologie is een wetenschap + methodenleer + significantie uitleggen
3. Een vrouw van 60 jaar belt je op ivm met toenemend gewicht. Ontwikkeling, vragen en tips

Psychologie - deel 1

2016 juni examen

1. Wanneer ontstaat smaakvoorkeur?
2. Persoonlijkheid: de verschillende persoonlijkheidskenmerken
3. casus: vrouw komt samen met haar man van 45 op consultatie. Hij ziet er wat zenuwachtig uit. De vrouw zegt dat hij wil vermageren.

Theorie voeding

Theorie voeding

2009 juni examen

  1. Hoe wordt groei gemeten? Hoe moet je dit interpreteren?
  2. Hoe ziet een marokkaans middagmaal eruit? met welke factoren moet je als diëtiste rekening houden?
  3. Welke 3 manieren bestaan er om mensen te stimuleren tot gezond gedrag? Geef van elk een voorbeeld voor mensen met ongezonde eetgewoonten.
Theorie voeding

2010 juni examen

  1. Geef de contra-indicaties voor borstvoeding
  2. Met welke factoren den je rekening te houden indien je een voedingsadvies opstelt voor een Marokkaanse vrouw tijdens de ramadan?
  3. Houdbaarheidsdatum: Op welke manier kan deze weergegeven worden? Welk informatie geeft het
Theorie voeding

2012 juni examen (vroeger Voeding en voedingswarenkennis)

Vroeger was dit vak Voeding en voedingswarenkennis dat nu is opgesplitst in Voedingswarenkennis en Theorie voeding, De vragen zijn dus door elkaar in dit examen

Vraag 1

‎1) Leg de zeven stappen van de zevensprong uit en pas stap 1 tot 4 toe op volgende tekst.

2) Joodse spijswetten uitleggen en waar moet je op letten bij het opstellen van een dagschema.

3) Leg de regels uit om zo min mogelijk moeilijkheden te hebben bij het eten even van peuters.

Vraag 2

1) zeg iets over het marokaanse middaglmaal en waar moet een dietiste rekening mee houden bij opstellen van een dagschema voor hun.

2) zeg budgetvriendelijke tips voor alleenstaande moeder.

3) wat bedoelen ze met ' voeden naar vraag' en zeg de richtlijnen.

Vraag 3

1) casus van de vrachtwagen chauffeur: voeding NU, uitleggen

2) bespreek nutrienten en energie tijdens zwangerschap en borstvoeding

3) aandachtspunten en voordelen van groeps GVO

Vraag 4

‎1) Een voorbeeldtekst over een man, de 4 gevolgen van Mindfullness geven en op te tekst toepassen

2) Bespreek de voorkeur voor borstvoeding (voordelen voor moeder, baby + contra- indicaties

3) Op welke 3 manieren kan je iemand met een ongezonde levenshouding aanzetten tot een gezonde levenhouding? Geef telkens 1 voorbeeld toepasbaar op een persoon dat ongezond eet.

Theorie voeding

2013 januari examen (vroeger Voeding en voedingswarenkennis)

Vroeger was dit vak Voeding en voedingswarenkennis dat nu is opgesplitst in Voedingswarenkennis en Theorie voeding, De vragen zijn dus door elkaar in dit examen

 

Vraag 1

Geef 5 voorbeelden van zeer magere (0-5g vet) vleessoorten en 5 voorbeelden van zeer vette vleessoorten (>10g vet).

Wat is DFD en PSE?

Wat zijn de kenmerken van kalfvlees? (ook hoe ze gevoederd worden)

Vraag 2

Leg grondig biologische landbouw uit. Bijvraag: hebben ze een bepaalde tijd om hierop over te schakelen, hoelang?

Vraag 3

Geef de nutritionele waarden van melk.

Leg UHT-melk uit.

Geef telkens twee voorbeelden voor <10% kaas, 10-20% kaas, 20-30% kaas en > 30% kaas.

Wat is het verschil tussen + en % vetgehalte bij kazen?


Vraag 4

Hij toont een granensoort, de naam en wat zijn de belangrijkste eigenschappen

Theorie voeding

2015 examen

Workshop Voeding: Theorie

vraag 1 geef 5 dingen waar men op moet letten bij het opstellen van een weekmenu

vraag 2 soepen verbinden

vraag 3 uit welke winkel komen volgende producten (de verschillende soorten boter)

vraag 4 welke vleeswaren zijn mager en welke niet

vraag 5 Welke saus is het vettigst? ( mayonaise, vinaigrette, yoghurtsaus)

vraag 6 geef de nutritionele waardes van volgende producten vraag 7 hoeveel wegen volgeden producten (ook producten die je niet letterlijk hebt gezien)

vraag 8 welke kaas komt uit de Aldi en is ook nog voorkeurs?

vraag 9 begrippen uitleggen roux achiducsaus vinaigrette ...

vraag 10 4 manieren om sausen te binden

Theorie voeding

2016 januari examen (vroeger Voeding en voedingswarenkennis)

Vroeger was dit vak Voeding en voedingswarenkennis dat nu is opgesplitst in Voedingswarenkennis en Theorie voeding, De vragen zijn dus door elkaar in dit examen

Blad 1:

• Wat zijn intensieve en extensieve zoetstoffen en geef van elke 4 vb

• Wat is tagatose, hoe wordt het genoemd als merkproduct? (merkproduct = tagatesse)

• Wat zijn polyolen?

• Wat is stevia? Geef de naam van stevia in de Aldi. ( Mountain stevia )

Blad 2:

• Geef de nutritionele waarden van brood.

• Geef de ingrediënten ervan en hun functie.

Blad 3:

• Geef 2 nitraatrijke en 2 nitraatarme groenten.

• Geef de nutritionele waarden van kikkererwten en sojabonen + haal ze uit de potje

• Wat zijn plantensterolen en stanolen geef van elk een voorbeeld.

Extra blad:

Blad met nutritionele waarde een hele voorkant en stukje achterkant

Extra vraag:

Haal tapioka uit de potjes en zeg wat het is. Leg uit wat het beneolabel is.

JANUARI 2016 BLAD 1 - Leg het productieproces van yoghurt in detail uit. Leg hierbij uit wat linksdraaiend en rechtsdraaiend is. - Geef 2 voorbeelden van stand yoghurt + beetje kunnen uitleggen. - Geef 2 voorbeelden van roer yoghurt + beetje kunnen uitleggen. - Geef 2 voorbeelden van rechtsdraaiend. - Vetgehalte van mager, halfvolle en volle yoghurt.

BLAD 2 - Wat is PSE en DFE. - Wat kan je vertellen over kalfsvlees (denk hierbij aan de voeding dat die gekregen heeft.) - 5 Voorbeelden kunnen geven van mager vlees, 5 voorbeelden kunnen geven van vetrijk vlees.

BLAD 3 - Bastanddelen van cornflakes - Bijlage: 6 factoren kunnen geven (1ste bijlage in cursus) - Waarom gaan we vis pocheren en niet koken (Omdat het anders makkelijker uiteen gaat vallen ofzoiets)

- 3 potjes uit al de verschillende potjes kunnen halen die hij vraagt. + Uitleg over kunnen geven. - Agaragar - Tapioca - Kuzu

+ Blad met nutritionele waarden.

Theorie voeding

2017 januari examen (vroeger Voeding en voedingswarenkennis)

Vroeger was dit vak Voeding en voedingswarenkennis dat nu is opgesplitst in Voedingswarenkennis en Theorie voeding, De vragen zijn dus door elkaar in dit examen

a. Wat moet er allemaal op een etiket zijn

b. Wat is reeds verandert aan deze wet, wat moet er nu verplicht ook op een etiket zijn

c. Geef de calorieën/100g van: Ketchup, Nutella choco, Ballade choco, honing, effi confituur, Mayonaise, Cruesli

d. Eigenschappen van kikkererwten en Sojabonen

e. 14 allergenen kunnen geven

f. Wat zijn plantenstanolen en plantensterolen + voorbeeld

g. Geef een vetstof van X% Eov/Mov/VV

h. Kenmerk van het merk Ballade

i. Twee nitraatrijk en -arme groenten

+ Blad nutritionele waarden

- geef nutritionele waarde van schaal- en schelpdieren

- geef verschillende functies die voedingswaarden kunnen beïnvloeden

- vragen uit filmpje

-productie proces yoghurt uitleggen, wat is links draaien, wat is rechts draaien, stand en roer yoghurt + voorbeelden, voorbeeld van yoghurt met hoofdzakelijk rechtsdraaiende melkzuren

- productie proces van kaas uitleggen

- verschil pro- en prebiotica

- omschrijving kuzu

- geef nutritionele waarde van aardappelen en wat is een galzige aardappel , wat is solaline

- geef min. 10 principes van biologische landbouw

- potjes: verschil tussen shoyu en tamari

BLAD 1:

a)wat is hypotoon, istoon en hypertoon leg uit + telkens 2 merknamen

BLAD 2:

a) wat is seitan?

b) geef de vetgehaltes van vis + 3 voorbeelden

BLAD 3:

a)wat zijn extensieve en intensieve zoetstoffen, leg uit + voorbeelden

b) wat zijn polyolen

c)wat is tagatese + voorbeelden

d) wat is stevia + voorbeelden

BLAD 4:

lijst met 30 nutritionele waarden

potjes: lijnzaad en bulger: geef een beetje uitleg bij elk potje

Theorie voeding

2017 juni examen

  1. Wat is halal vlees? Wat is tartiflette? Wat is het verschil tussen gewone en Griekse yoghurt? Wat is ayran? Wat is buratta?
  2. Alcohol% en in grammen berekenen- Anamnese
  3. Evaluatie van een anamnese
  4. Dagschema verbeteren
  5. Meerkeuzevragen met giscorrectie
  6. vraag van kcal en grammen geven van voedingsmiddelen bv vit C gehalte van peterselie
  7. ...

Toegepaste fysica

Toegepaste fysica

2010 juni examen

Vraag 1

- Leg de begrippen latente warmte en soortelijke warmtecapaciteit uit.

- Geef met een grafiek weer hoeveel energie je nodig hebt om een blok ijs van -12°C om te zetten naar eenzelfde hoeveelheid water van 25°C

-Wat is een calorie

Vraag 2: Juist of fout

-Wanneer je een draad opwarmt stijgt de weerstand.

-In een luster werkt 1 lamp nier meer en de andere 3 lampen werken nog. Wanneer je de kapotte lamp vervangt, stijgt de weerstand van de kring.

-De bodem van een kookpot moet gemaakt zijn van ferromagnetisch materiaal indien je wilt werken met een inductiekookvuur.

-2 draden met dezelfde stroomzin trekken mekaar aan

-netwerk van een huis beoordelen of het een goed netwerk is of niet

Toegepaste fysica

2011 januari examen

Mondelinge gedeelte

1) Met een hydrometer kan men de dichtheid van bijvoorbeeld melk meten -Leg de werking van dit toestel uit. Bijvragen van de leerkracht: Waarom drijft de hydrometer? Wat zit er in het bovenste buisje van de hudrometer?(lucht) Teken eens een hydrometer.

De werking van de hydrometer is gebasseerd op de wet van Archimedes. -Formuleer deze wet -Toon aan dat de kracht van Archimedes het gevolg is van hydrostatische druk. Gebruik bij je redenering onderstaande figuur: (Figuur = een kubus waterbak met daarin een klein blokje dat net niet drijft)

2) Zijn onderstaande stellingen juist of fout en je antwoord dient steeds gestaafd te worden. -De figuur stelt een voorwerp voor waarop 2 krachten inwerken. Deze krachten zijn aangeduid met zwarte pijlen. De witte pijl is de resulterende kracht. (Figuur = Rechthoek met daarin een zwarte pijl door de links-onderhoek van de rechthoek met als zin naar boven, en de 2e zwarte pijl loopt van het midden van de rechthoek naar beneden met als zin naar onder. De witte pijl bevindt zich tussenin en is dubbel zo lang als de andere pijlen met als zin naar onder.)

-Door een buis stroomt een vloeistof. Deze stroming verloopt stationair. De baan die de vloeistofdruppels volgen worden stroomlijnen genoemd. Deze stroomlijnen kunnen elkaar niet snijden.

-De afhankelijkheid tussen de resulterende kracht F op een voorwerp en de versnelling a van het voorwerp worden in de grafiek getoond. (Grafiek: y-as=a en x-as=F de curve loopt lineair van links boven naar rechts onder (dwz hoe kleiner de versnelling, hoe hoger de kracht F))

-Dankzij de wet van Bernoulli zijn mensen in staat om hun sinussen te ledigen wanneer ze verkouden zijn.

Schriftelijk gedeelte (oefeningen)

1) Uit een reservoir met water loopt via een buiske aan de rechterkant water. Het water heeft een dichtheid van 1000kg/m^3. Op plaats A is de opp van het water enorm groot. Op plaats B kent men het volgende: De diameter van de buis is 1cm -Bepaal a) De snelheid van het water op plaats B b) Het debiet ter hoogte van plaats B

2) Marie trekt haar speelgoedolifantjes vooruit. Dit gebeurt wrijvingsloos. Het gaat om 2 olifanten die verbonden zijn met een touw. Spankracht in het touw op plaats A = 0,4N Spankracht in het touw op plaats B = 1N Massa van olifant 2 (de grote) = 300g -Bereken de massa van olifant nr 1.

3) Louis vuurt met oudjaar een vuurpijl af. Op t1 geldt het volgende: t1 = 3s Vx(t1) = 12,5m/s Vy(t1) = 4,9m/s Op T2 bereikt de vuurpijl zijn hoogste punt. -Bereken: a) De beginsnelheid van de pijl in verticale richting b) T2 c) De hoogte die de pijl bereikt op t2 d) De hoek alpha waaronder de vuurpijl werd afgevuurd.


Januari 2012 Daan Heeren Theorie:

1)-Wet van bernouilli -leg uit adhv de wet van bernouilli hoe je een hartinfact krijgt -leg uit adhv de wet van bernouilli hoe je een bloedstolsel krijgt 2) juist of fout 1.Een stof heeft het meeste energie in vloeistof fase:FOUT: Gasfase Bijvraag teken de grafieken van de energie voor de 3 fasen en welke 3 bewegingen kunnen gassen en vloeistoffen doen.

2. De 3 grafieken van een EVRB: Dit zijn de grafieken van een ERB: FOUT bijvraag teken deze grafieken.

3.Grafiek met een curve zoals die van de wrijfkracht: Dit is de curve van een veer die uitgerokken wordt. Fout: Fv= -k.x dus een negatieve rechte door de oorsprong.

4. Buis uit dynamica van fluida waar je de contuiniteits vergelijkien s1.v1=s2.v2 moet toepassen.

5. trapvormig vat: de druk is het grootst in punt A: Fout: druk zet zich onverminderd voort principe van pascal.

Oefeningen:

1)oefening op schuine worp: kogel die afgevuurd wordt: Voy=? Vy(t2)=? (maximale hoogte) X(t3)=? (afstand waar de kogel land) oefening komt exact in de oefeningen voor.

2)oefening op dynamica 2 blokken die voortgetrokken worden door een touw.

-bereken de spankracht S - bereken de versnelling a

oefening komt exact in de oefeningen voor.

3) oefening met een blok die van een helling schuift exact zoals in de cursus.

-bereken kinetische energie aan de voet van de berg -bereken de snelheid aan de voet van de berg

oefening komt exact in de oefeningen voor.

Toegepaste fysica

2012 juni examen

1) leg de brug van Wheatstone helemaal uit 2) Juist of fout: - door een snelkookpan gaat water koken op een temperatuur lager dan 100°C

           - Iemand met lange benen heeft een grotere weerstand dan iemand met korte benen
           - als ik een glazen overschaal op een inductiekookplaat zet dan kan ik hiermee koken
           - een oefening op magnetisme 
           - een grafiek en je moest zeggen of het juist was of niet, ging over de condensator en de afstand tussen 2 condensatoren.

Mensen van in de namiddag:


Mijn examen, in de voormiddag:

Schriftelijk


Examen dag 2

Theorie: 1) leg inductie koken uit, 2 fenomenen en de voordelen van inductie koken 2) Juist of fout: a)een snelkookpan kookt op minder dan 100°C b)2 cilinders L=2 R=0.5 en L=1 R=0.25 zijn even geleidend? c)het lichaam heeft een capaciteit? d) rechterhand regel toepassen op een elektron dat in een magnetisch veld komt e) R=R1+R2 geeft de vervang weerstand voor weerstanden in parallel?

Oefeningen: 1) oefening op foutenleer zoals met het fruit en vitc 2) condensatoren: vervangcondensator zoeken 3) warmte leer, pot met water waar je groenten in doet->de evenwichtstemperatuur zoeken.

Toegepaste fysica

2013 juni examen

examen 1) Vragen van Fysica: Theorie: -Wheatstone brug kunnen uitleggen (op 10 van de 20ptn) Dan vijf stellingen en zeggen of het waar of niet waar is en beargumenteren, elk op 2ptn..: - iets met een lorentzkracht (richting en zin), -Kookt water bij lagere temp in snelkookpan? -Stelling met de definitie van een calorie -Elektrische veldlijnen kunnen elkaar nooit snijden? -Mensen met lange benen hebben doorgaans een grotere elektrische weerstand?

Oef: vervangcapaciteit berekenen, Stromen berekenen (kirchoff), foutenleer (bmi berekenen, exact zoals bij het laatste labo). Deze staan elk op tien punten.

examen 2) hoofdvraag : leg soortelijke warmtecapaciteit uit aan de hand van hoe een vaste stof wordt gemeten met een caloriemeter en leg uit wat een calorie is. 5 juist/fout: - over de bio impedantie meting en vetmassa - 2 cilinders, je krijgt de lengte en de straal moet zeggen welke meeste weerstand heeft - negatieve lading in de buurt van een stroomdraad en dan zegge hoe de kracht gaat (door uw rechterhandmethode) - een elektrisch veld is 0 als de potentialen overal hetzelfde zijn - Water kookt enkel bij 100 °C

Toegepaste fysica

2015 januari examen

. Verklaar de volgende begrippen: cohesiekracht, adhesiekracht en actieradius.

2. De cohesiekracht is groter dan de adhesiekracht van een vaste stof en een vloeistof. Stel dit grafisch voor en gebruik daarbij de volgende begrippen: cohesiekracht, adhesiekracht, actieradius, contacthoek alpha, vaste stof en vloeistof.

3. Onderwaterweging: bereken de dichtheid, de vetmassa en de vetvrije massa van een persoon.

4. Duid de juiste stellingen aan.

5. Teken de grafiek van Gay-Lussac.

6. Teken de grafiek van Boyle-Marriot.

7. De fysica van het cavasculair systeem: leg de tekening uit aan de hand van de fysische wetten.

8. Grafiek i.v.m. de verspeiding/ligging van de gasdeeltjes: is de stelling waar die bij deze grafiek is gegeven? Motiveer je antwoord!

Oefeningen:

Dit zijn 3 oefeningen die net hetzelfde zijn zoals die van in de cursus, alleen met andere gegevens.

Toegepaste fysica

2016 januari examen

1) Vul de grafieken aan van doorsnede, snelheid & bloeddruk.

2) Leg de snelheidsgrafiek uit

3) Bereken het vermogen van een persoon die studeert met een dichtheid…

4) Onderwaterbeweging formules invullen dichtheid en dan vetvrije massa en ook vetpercentage en dat dan bekijken in een tabel of hij veel of weinig vet heeft.

5) Duid de juiste stellingen aan het zijn er 10 maar het staat maar op 5 punten

6) 2 formules gegeven uitleg over geven. ( oppervlakte spanning en viscositeit )

7) Oef 1: over de katapult attractie ( gespannen aan een rekker )

8) Oef 2: de snelheid berekenen waarbij het bloed het bloedvat verlaat dmv een naald

9) Oef 3: een flesje dat je laat zweven door samen te drukken ( volume samendrukbaar meten en volume lucht die er dan nog in zit )

Toegepaste fysica

2016 juni examen

VRAAG 1: wheatstone brug
gegeven wheatstone brug (anders getekend dan in cursus):
- galvanometer op juiste plaats tekenen
- waarom galvanometer in wheatstonebrug
- met welke formule kunnen we de gevraagde weerstand berekenen - verklaren hoe je aan deze formule komt

VRAAG 2: bomcalorimeter
- 3 delen zijn aangeduid (de metalen draagdjes, ruimte met 02 en de thermische isolatie) en je moet deze benomen + uitleg geven.
- er moeten 4 dingen gemeten worden. Benoem + leg uit
- warmtebilan opstellen en geven hoe je H kan vinden

VRAAG3: Wet van Pouillet
formule is gegeven
- benaming ρ
- eenheid ρ
- uileggen wat ρ is.
- tekening bij wet van Pouillet en aanduiden van S en L

VRAAG 4: BIA
- 2 tekeningen gegeven van 2 toestellen om BIA te meten. Aanduiden welke het beste resultaat geeft.
- verklaren waarom + eenvoudige tekening geven hoe BIA wordt gemeten (ampèremeter en voltmeter tekenen)

VRAAG 5: Meerkeuzevragen
duid de juiste beweringen aan

OEFENINGEN
1) magnetisme: 2 geleidende draden naast elkaar
2) Weerstand: bereken de vervangcapaciteit
3) foutenleer:
- massa van Jules zonder kleren (met gegeven: massa van J met kleren en massa van kleren)
- dichtheid van Jules (met een gegeven volume in l) --> resultaat moet ik kg/m3 zijn

Toegepaste fysica

2017 januari examen

teken grafieken van het cardiovasculairsysteem (stroomsnelheid en....), leg stroomsnelheid uit in bloedvaten, aorta vgln met capilaire en aorta vgln met vena cava + benoem alle grootheden en eenheden

15 meerkeuzenvragen met giscorectie (-0,25)

oefening 1:

arbeid berekenen die een kraan moet uitoefenen om een container op te heffen tot een hoogte van 10m en de container heeft een massa van 27 ton

de kabel breekt, wat is de maximale hoogte die hij nog bereikt voor hij op de grond valt

oefening 2:

hydrostatica

hoogte van water berekenen en druk in vat b (open u-vormige buis met water, aangesloten op vat A aangesloten op manometer met kwik hoogteverschil in kwik = 12cm, aangesloten op vat B)

Voedings- en productkennis 1

Voedings- en productkennis 2

Voedingsleer - deel 1

Voedingsleer - deel 1

2009 juni examen

Reeks 1

Geef alle directe methoden om het lichaamsvetcomponent te meten.

Geef alle methoden om het mineraalgehalte in het lichaam te meten.

Geef de voor-en nadelen van koolhydraten in de voeding. Geef de voedingsaanbeveling van koolhydraten en achtergrondinformatie.

Een jongen van 18 maanden weegt 8 kg en is 81 cm groot. Wat is zijn voedingstoestand ?

Wat is PDCAAS ? Geef ook de formule.

Wat is BMR ? Hoe meet je dit ?

Wat is AI ? Hoe noemen we dit voor België ?

Benoem alle structuren van de aminozuren en duid de essentiële en niet-essentiële aminozuren aan.

Geef de definitie voor voedingsvezel.

 

Reeks 2

2 hoofdvragen
- leg het glucosemetabolisme uit. welke onderlinge relatie is er met andere macronutriënten ( Schema + tekening). Wat doen voedingsvezels en wat zijn de fysiologische aspecten van ervan. (geef de belangrijkste voedingsvezels (niet oligosaccahiden!)

- Geef al de manieren om de FFM te meten. leg allemaal kort uit en laat de formules zijn de eventueel nodig zijn om de FFM te berekenen.

(gehoord van medestudent: Let het principe uit hoedat men aan de adwaterfactoren komt? Wat zijn het ?


veel bijvragen:

bijvragen macronutriënten
-structuren van AZ zijn gegeven. duid de niet-essentiële AZ en semi-essentiële AZ aan en geef de correcte naam
-geef de naam+afkorting van alle essentiële vetzuren.
-wat is vacceenzuur. formule.
-geef 2 polysacharadine met een vertakte zijketen
-geef de 2 meest voorkomende limiterende AZ. wat is het ? in welk voedingsmiddel komen ze het meeste voor.
-hoe kan je het gehalte aan MOV doen stijgen. Geef ook een voorbeeld van een voedingsmiddel met veel MOV

Andere bijvragen
-voor wat staat PDCAAS? Leg kort uit en geef de formule om dit te bereken.
-voor wat staat A.I? Wat de naam die hier in België voor wordt gegeven?
-voor wat staat BMR? hoe berekenen je dit?
-wat is een voedingsvezel. wat zijn de aanbevelingen hiervoor.
-wat wordt er berekend als je met dubbel gemerkt water een onderzoek doet.
-wat is de 40K methode. wat wordt er dan berekend?
-hoe gaat men het N gehalte bepalen bij een klinisch onderzoek?
-beoordeel de voedingstoestand: een jongen van 18 maanden, 8kg en 51 cm
-oefening: gegeven: lengte gewicht en leeftijd en fysieke arbeid. bereken de energiebehoefte en de eiwitbehoefte bij vegetarische voeding.
-oefening: gegeven; O2 455 l, CO2 583 l, N 25g. wat is de calorieopnamen?
-geef schematisch alle componenten van het cellulaire niveau. welk verband is er onderling?

Voedingsleer - deel 1

2010 juni examen

Voedingsleer - deel 1

2012 juni examen

De open vraagjes:

-PDCAAS kunnen uitleggen + de formule kunnen geven. -eiwit-turnover .. leg uit. -De indeling op moleculair niveau vergelijking met de indeling op weefselniveau ... - Vertering van eiwitten -in schema vorm kunnen geven (waar het plaats vindt- welke enzymen er inwerken- wat er gebeurd- eindproduct dat gevormd wordt) -DRA , betekenis + uitleg ervan -Dan krijg je enkele 'woorden' bv verzadigde vetzuren, vertering, absorptie , .. en daaronder staan dan zinnekes en ge moet kunnen zeggen wat bij wat hoort (ma zijn geen moeilijke) - tabel met kolom essentieel en niet essentieel, krijg je enkele namen van bv eiwitten en moet je die in juiste kolom plaatsen. - een sporter zorgt er dmv zijn sportdieet voor dat er meer energie beschikbaar is in de spieren .. juist of fout + verklaar. - Cholesterol zit in alle voeding .. juist/fout + verklaar

Oefeningen

1)Vraag over vrouw die iets aan haar gewicht wil doen. Je krijgt haar leeftijd, gewicht, lengte en PAL waarde gegeven. -ideale energie inname berekenen

Dan als vervolg op die oefening krijg je haar werkelijk inname gegeven en moet je bepalen hoe lang ze er over zal moeten doen indien ze naar een gewicht van een BMI van 25 wil.

- 2 voorbeelden geven waarmee ze haar gevoelig van verzadigheid tijdens maaltijd sneller kan doen opwekken zodat ze minder veel gaat eten.

- ze beslist om naast haar aangepaste voeding ook nog 30m te gaan fietsen (16km/h) , zal ze daarmee sneller haar ideale gewicht behalen ? Zo ja hoeveel sneller , zo nee waarom niet?

- Als ze stopt met roken, zal haar dat dan ook helpen om te vermageren ? Leg uit ..

2) je krijgt gegevens over een kindje meisje 40maanden , haar gewicht, haar lengte .. en je moet aan de hand van die gegeven haar voedingspatroon beoordelen adv groeicurven (op de manier zoals WHO het doet)

Meerkeuzevragen - waarvan is het zoetigheidsgehalte het hoogst glucose, sucrose, maltose ,...

Ja van de meerkeuze vragen (waren er 15) weet ik precies ni meer veel , ma die waren echt ni zo moeilijk, het was meestal dat je 4stellingen kreeg en je moest aanduiden welk NIET klopt. Dus dat viel wel mee.

Voedingsleer - deel 1

2022 januari examen

  1. 25 meerkeuzevragen met GIS-correctie (gemakkelijk, iets moeilijker en echt detailvragen)

  2. Een 5-tal juist/fout stellingen die je moet toelichten indien fout. Goed de zinnen lezen want het zit hem soms in kleine details. De exacte zin weet ik niet meer maar ging over IVNAA, de stelling was volledig juist maar in plaats van in vivo stond er in vitro, waardoor de stelling bijgevolg ook niet meer juist was.

  3. Oefening op energieinname (atwaterfactoren), energieverbruik (hier met tracerdilutie BMR bepalen, niet vergeten 10% DIT bij te rekenen), energiebalans uitrekenen en tot slot nog een oefening over indirecte calorimetrie (O2 bereken uit gegeven CO2 en RQ)

  4. Vragen over antropometrie:
    • Wat is growth faltering?
    • Waarom meten we de hoofdomtrek bij kinderen en wat kunnen we hieruit afleiden?
    • Hoe wordt een normale groei bij kinderen bepaald?

  5. Geef de 3 soorten zetmeel en licht toe

  6. Geef de rol van lipiden in het lichaam en in de voeding (4 per categorie)

  7. Rangschik de macronutriënten van meest verzadigend naar minst verzadigend.

  8. Wat is energiedensiteit en wat is de link met verzadiging?

  9. Vragen over water:
    • Welke 2 mechanismen zijn er in ons lichaam om de vochtbalans in stand te houden?
    • Wat is perspiratio insensibilis?

  10. Een aantal zinnen waar een woord is weggelaten en je moet invullen wat past.

Het waren belachelijk veel vragen maar er wordt niet verwacht dat je per vraag een immens uitgebreide uitleg geeft, heeft bij velen minstens 2u in beslag genomen.

Voedingsleer - deel 1

Samenvatting voedingsleer 1

Voedingsleer samenvatting 2023-01-09 12_08_40.pdf

 

Voedingswarenkennis

Voedingswarenkennis

2012 juni examen (vroeger Voeding en voedingswarenkennis)

Vroeger was dit vak Voeding en voedingswarenkennis dat nu is opgesplitst in Voedingswarenkennis en Theorie voeding, De vragen zijn dus door elkaar in dit examen

Vraag 1

‎1) Leg de zeven stappen van de zevensprong uit en pas stap 1 tot 4 toe op volgende tekst.

2) Joodse spijswetten uitleggen en waar moet je op letten bij het opstellen van een dagschema.

3) Leg de regels uit om zo min mogelijk moeilijkheden te hebben bij het eten even van peuters.

Vraag 2

1) zeg iets over het marokaanse middaglmaal en waar moet een dietiste rekening mee houden bij opstellen van een dagschema voor hun.

2) zeg budgetvriendelijke tips voor alleenstaande moeder.

3) wat bedoelen ze met ' voeden naar vraag' en zeg de richtlijnen.

Vraag 3

1) casus van de vrachtwagen chauffeur: voeding NU, uitleggen

2) bespreek nutrienten en energie tijdens zwangerschap en borstvoeding

3) aandachtspunten en voordelen van groeps GVO

Vraag 4

‎1) Een voorbeeldtekst over een man, de 4 gevolgen van Mindfullness geven en op te tekst toepassen

2) Bespreek de voorkeur voor borstvoeding (voordelen voor moeder, baby + contra- indicaties

3) Op welke 3 manieren kan je iemand met een ongezonde levenshouding aanzetten tot een gezonde levenhouding? Geef telkens 1 voorbeeld toepasbaar op een persoon dat ongezond eet.

Voedingswarenkennis

2013 januari examen (vroeger Voeding en voedingswarenkennis)

Vroeger was dit vak Voeding en voedingswarenkennis dat nu is opgesplitst in Voedingswarenkennis en Theorie voeding, De vragen zijn dus door elkaar in dit examen

Vraag 1

Geef 5 voorbeelden van zeer magere (0-5g vet) vleessoorten en 5 voorbeelden van zeer vette vleessoorten (>10g vet).

Wat is DFD en PSE?

Wat zijn de kenmerken van kalfvlees? (ook hoe ze gevoederd worden)

Vraag 2

Leg grondig biologische landbouw uit. Bijvraag: hebben ze een bepaalde tijd om hierop over te schakelen, hoelang?

Vraag 3

Geef de nutritionele waarden van melk.

Leg UHT-melk uit.

Geef telkens twee voorbeelden voor <10% kaas, 10-20% kaas, 20-30% kaas en > 30% kaas.

Wat is het verschil tussen + en % vetgehalte bij kazen?


Vraag 4

Hij toont een granensoort, de naam en wat zijn de belangrijkste eigenschappen

Voedingswarenkennis

2016 januari examen (vroeger Voeding en voedingswarenkennis)

Vroeger was dit vak Voeding en voedingswarenkennis dat nu is opgesplitst in Voedingswarenkennis en Theorie voeding, De vragen zijn dus door elkaar in dit examen

Blad 1:

• Wat zijn intensieve en extensieve zoetstoffen en geef van elke 4 vb

• Wat is tagatose, hoe wordt het genoemd als merkproduct? (merkproduct = tagatesse)

• Wat zijn polyolen?

• Wat is stevia? Geef de naam van stevia in de Aldi. ( Mountain stevia )

Blad 2:

• Geef de nutritionele waarden van brood.

• Geef de ingrediënten ervan en hun functie.

Blad 3:

• Geef 2 nitraatrijke en 2 nitraatarme groenten.

• Geef de nutritionele waarden van kikkererwten en sojabonen + haal ze uit de potje

• Wat zijn plantensterolen en stanolen geef van elk een voorbeeld.

Extra blad:

Blad met nutritionele waarde een hele voorkant en stukje achterkant

Extra vraag:

Haal tapioka uit de potjes en zeg wat het is. Leg uit wat het beneolabel is.

JANUARI 2016 BLAD 1 - Leg het productieproces van yoghurt in detail uit. Leg hierbij uit wat linksdraaiend en rechtsdraaiend is. - Geef 2 voorbeelden van stand yoghurt + beetje kunnen uitleggen. - Geef 2 voorbeelden van roer yoghurt + beetje kunnen uitleggen. - Geef 2 voorbeelden van rechtsdraaiend. - Vetgehalte van mager, halfvolle en volle yoghurt.

BLAD 2 - Wat is PSE en DFE. - Wat kan je vertellen over kalfsvlees (denk hierbij aan de voeding dat die gekregen heeft.) - 5 Voorbeelden kunnen geven van mager vlees, 5 voorbeelden kunnen geven van vetrijk vlees.

BLAD 3 - Bastanddelen van cornflakes - Bijlage: 6 factoren kunnen geven (1ste bijlage in cursus) - Waarom gaan we vis pocheren en niet koken (Omdat het anders makkelijker uiteen gaat vallen ofzoiets)

- 3 potjes uit al de verschillende potjes kunnen halen die hij vraagt. + Uitleg over kunnen geven. - Agaragar - Tapioca - Kuzu

+ Blad met nutritionele waarden.

Voedingswarenkennis

2017 januari examen (vroeger Voeding en voedingswarenkennis)

Vroeger was dit vak Voeding en voedingswarenkennis dat nu is opgesplitst in Voedingswarenkennis en Theorie voeding, De vragen zijn dus door elkaar in dit examen

a. Wat moet er allemaal op een etiket zijn

b. Wat is reeds verandert aan deze wet, wat moet er nu verplicht ook op een etiket zijn

c. Geef de calorieën/100g van: Ketchup, Nutella choco, Ballade choco, honing, effi confituur, Mayonaise, Cruesli

d. Eigenschappen van kikkererwten en Sojabonen

e. 14 allergenen kunnen geven

f. Wat zijn plantenstanolen en plantensterolen + voorbeeld

g. Geef een vetstof van X% Eov/Mov/VV

h. Kenmerk van het merk Ballade

i. Twee nitraatrijk en -arme groenten

+ Blad nutritionele waarden

- geef nutritionele waarde van schaal- en schelpdieren

- geef verschillende functies die voedingswaarden kunnen beïnvloeden

- vragen uit filmpje

-productie proces yoghurt uitleggen, wat is links draaien, wat is rechts draaien, stand en roer yoghurt + voorbeelden, voorbeeld van yoghurt met hoofdzakelijk rechtsdraaiende melkzuren

- productie proces van kaas uitleggen

- verschil pro- en prebiotica

- omschrijving kuzu

- geef nutritionele waarde van aardappelen en wat is een galzige aardappel , wat is solaline

- geef min. 10 principes van biologische landbouw

- potjes: verschil tussen shoyu en tamari

BLAD 1:

a)wat is hypotoon, istoon en hypertoon leg uit + telkens 2 merknamen

BLAD 2:

a) wat is seitan?

b) geef de vetgehaltes van vis + 3 voorbeelden

BLAD 3:

a)wat zijn extensieve en intensieve zoetstoffen, leg uit + voorbeelden

b) wat zijn polyolen

c)wat is tagatese + voorbeelden

d) wat is stevia + voorbeelden

BLAD 4:

lijst met 30 nutritionele waarden

potjes: lijnzaad en bulger: geef een beetje uitleg bij elk potje

Wiskunde en informatieverwerking

Wiskunde en informatieverwerking

2010 december examen

Word: Kop en voetteksten, secties, bladnummering, tabs, …
Ppt: 3 pagina’s namaken en opmaken via sjabloon
Excel: nummerlijst van 20000 tot 1 en helft ervan in een andere opmaak zetten

Wiskunde en informatieverwerking

2011 januari examen

Examen is enkel schriftelijk, duurt 2uur en bestaat uit 4 vragen, die elk opgedeeld is in 3 of 4 delen. Grafisch rekentoestel toegelaten

Vraag 1

a) Een pakje boter van 500g bevat 38% vet, waarvan 1/4e van verzadigd is. Hoeveel gram onverzadigde vetten bevat het pakje boter dan? b) Femke weegt na 3 dagen 2,500kg. Vanaf haar geboorte is ze al 15% vermagerd, hoeveel woog Femke bij haar geboorte?

Vraag 2

Jan en Roos volgen een 14weken durende dieetporgramma, De eerste 9 weken valt Jan 3 kg af per week, van week 9 tot 12 stopt hij met het programma en blijft zijn gewicht constant. De laatste weken komt hij 1,7kg bij per week. Roos volgt het voledige programma en valt 1kg af per week. a) Teken een grafiek en in die grafiek teken je de 2 curves van Jan en Roos. Gegeven dat het lineaire functies zijn. b) Stel voor elke persoon een functievoorschrift op c) Wanneer wegen ze evenveel? En waarom wegen ze dna evenveel?

Vraag 3

Gegeven een gehaktschotel bevat bacterien, gegeven de functie: B(t)= 10000e^0,1t a) Wat is de groeifactor? Is het een stijgend of een dalende exponentiele functie? En waarom is dit zo? b) Hoeveel bacterien bevat de schotel na 6uur? c) Wanneer bevat de gehaktschotel 100000 bacterien?

Vraag 4

De gemiddelde vrouw is 266 dagen zwanger. Hier zit een standaartdeviatie op van 16 dagen. a) Schets het schema van Grauss en duid de belangrijkste delen aan b) Hoeveel procent van de vrouwen hebben een zwangerschap dat tussen de 250 en 266 dagen ligt? c) Vul in: 2,5 % van de zwangerschappen duren maar ... dagen. En leg uit hoe je dit weet. Duid dit ook aan op de schets.