3CC Kunststof- en polymeerchemie - deel 2

Uit Diana's examenwiki

'''Mondeling examen Januari 2017 (H. Roex)''' (Examen 1 van de getrokken examenbladen)

Vraag 1: Blends & ... a. Wat is een compatabilisator? b. UCST en LCST uitleggen c. Thermische voorwaarden voor mengen bespreken

Vraag 2: Additieven en Rheologie a. Brandcyclus gegeven met in het midden tussen de pijlen stippelijntje (zelf invullen). Waar spelen fenolen een rol en waar fosfieten? geef bijhorende reacties c. Iets over synergie bij brandvertragers d. Vloeistofcurve tekenen voor newtoniaanse vloeistof en shear thinning e. wat is shear thinning?

Vraag 3: Vormgeving a. Een voorwerp is gegeven. Zeggen hoe het is gemaakt (vb: plastic beeldje). Deze techniek uitleggen. b. Leg de zones van een schroef uit die gebruikt wordt bij het spuitgieten en extrudors c. Hoe kan men krimp tegengaan?


Vraag 4: Thermische analyse a. leg TGA uit, (best ook de temperaturen zeggen waarbij elke component verdampt) b. TGA curves gegeven van een kunststof (PA-60) en PA-60 met een antioxidant, in zuurstof en in stikstof atmosfeer. (ook de afgeleide van de TGA gegeven). Zeggen of de antioxidant gewerkt heeft of niet.


Mondeling examen Januari 2016 (H. Roex)

Examen 1

Je moest een kaartje trekken en dit bepaalde dan je examenvragen.

1. (5p)
a. Het logE-T diagram van een heterogene en homogene blend geven en deze vergelijken.
b. 3 methoden geven om de mechanische eigenschappen van een heterogene blend te verbeteren.


2. (5p)
a. Duid aan in de kader wat het effect van toevoeging van rubberen deeltjes of korte vezels bij PP is op de Tm en Vicat temperatuur.
b. Geef een methode om deze twee temperaturen te bepalen en leg kort uit.
c. Welke UV-stabilisator zou je kiezen en waarom: benzotriazool of HALS?


3. (5p)
a. Geef de verschillende zones in een extrudor en leg deze kort uit.
b. Waarom is de compressiezone bij een amorf polymeer met hoge molecuulmassa langer dan deze bij een met een lage molecuulmassa?
c. Na extrutie kan 'die Swell' optreden. Leg uit wat dit is en geef een oplossing.
d. Geef twee andere problemen die optreden en geef ook hier een mogelijke oplossing voor.


4. (5p)
a. Leg kruip uit aan de hand van een exposure-responscurve.
b. Curve en twee stoffen gegeven. Analysetechniek: DSC.
b.i. Geef het blokcopolymeer en het willekeurig copolymeer (uit de twee geven stoffen kiezen welke stof welk copolymeer is) a.d.h.v de gegeven curve.
b.ii. Duidt de verschillende overgangen aan op de curve.


Examen 2

Vraag 1:
a. Hoe bros polymeer taaier maken?
b. Welk mechanisme geldt hier + grafiek
c. Welke mechanische eigenschappen veranderen?
d. Leg spray lay up uit .


Vraag 2:
Stress strain curve gegeven van 3 stoffen
a. Duidt aan welke curve bij de volgende stoffen hoort: epoxidehars, glasvezel, composiet leg uit
b. UL 94 uitleggen (principe, opstelling, resultaten)


Vraag 3:
a. Excitatie en respons voor ideaal visceuze en ideale vaste stof wanneer een spanning wordt aangebracht
b. Leg uit hoe dit voorwerp wordt gemaakt: plastiek folie rond petflesje waarop merk van water enz staan


Vraag 4:
TGA grafiek gegeven van 2 polymeren en hun blend
a. Leg TGA uit
b. Welke polymeer is het meest stabiel?
c. Zijn polymeren volledig gedegradeerd?
d. Homogene of heterogene blends?





Bij het begin moesten er examenvragen getrokken worden. Dit zijn de examenvragen van 1 van de vele examenpapieren die er lagen.

1. (8p)
a. Waarom wil met polymeer blends maken? (1p)
b. Wat is het verschil tussen homogene en heterogene blends? Toon aan met een grafiek. (2p)
c. Heterogene blends hebben een zwakkere mechanische eigenschappen op bepaalde plaatsen? Waar zitten deze zwakkere plaatsen? (0,5p)
d. Een oplossing is om een compatibilisator toe te voegen. Geen een structureel voorbeeld en geef de functie er van. (1,5p)
e. Geef 2 technieken om te onderzoeken of je met een heterogene of homogene blend zit. Geef een optische techniek en een thermische techniek. (1p)
f. Leg de zelf gegeven thermische techniek uit met behulp van een grafiek. (2p)


2. (5p)
a. Geef de stress-strain curve van een harde thermoplast vb PS en een textielvezel (vb nylon of polyacrylonitrile).
b. Duid aan: treksterkte en breukrek
c. Leg het verschil uit.
d. Geef de techniek om dit te bepalen en leg deze uit.


3. (3p)
a. Bij sommige polymeren worden additieven toegevoegd. Waarom wordt Al(OH)3 toegevoegd?
b. Leg uit wat het doet.


4. (4p)
a. Leg aan de hand van het schema uit hoe Kalanderen werkt. (Schema is gegeven)
b. Schrap wat niet past: Kalanderen wordt gebruikt voor amorfe/semi-kristallijne polymeren.
c. Wat is het “kalandereffect” en hoe kan je het oplossen?