2LF Biomedisch onderzoek: immunologie

Uit Diana's examenwiki

Theorie algemene immunologie juni 2017

1) Bespreek MHC moleculen (functie, structuur, genetica, ...).

2) Bespreek een lymfeknoop en de circulatie van de lymfocyten.

3) Bespreek TH-17 cellen.

  - Functie in het normale immuunsysteem
  - Gevolgen bij deficiëntie
  - Welke interleukinen hebben invloed op de TH-17 cellen
  - Welke zijn de effectorcellen

4) Bespreek de immuniteit ter hoogte van de darm.

  - Welk isotype immunoglobuline is het belangrijkste
  - Welke cytokinen hebben invloed
  - ...

5) Bespreek overgevoeligheid type 2.


Theorie algemeen immunologie augustus 2016

1. bespreek een lymfeknoop

2. bespreek neutrofiel

3. bespreek overgevoeligheid type 4


Theorie Immunologie technieken 2016

1. handleiding van ELISA kit bepalen insuline gehalte in plasma/serum

a) teken de inhoud van het welletje na het toevoegen van het conjugaat

b) is dit een competatieve of sandwich elise

c) is deze elisa direct of indirect

e) benoem alle onderdelen van het conjugaat

d) bij deze elisa wordt gebruik gemaakt van monoklonale antilichamen. leg monoklonaal antilichaam uit.

f) Waarvoor staat "hook effect" helemaal onderaan in de handleiding? Hoe beïnvloedt dit het resultaat? Wat voor effect heeft dit op de dosis-responscurve? Hoe kan je dit voorkomen?

g) teken dosis-respons curve


2) Een dierenarts onderzoekt een ziek paard. Uit een passieve latex-agglutinatietest blijkt dat er viruspartikels van het West Nile virus aanwezig zijn in het serum van het paard. De anti lichaam titer bedraagt 1,02*10³ M.

a) Bespreek het verloop van deze test.
b) De dierenarts wil een beter zicht krijgen op de ziekte, en wil daarom het absolute virusgehalte bepalen in het serum. Welk van onderstaande tests is hiervoor het best geschikt? (Mancini - Ouchterlony - Widal - geen bijkomende test nodig na de eerste).
c) Het antwoord in vraag b is niet specifiek genoeg. Geef een mogelijke test die wel specifiek is (naam alleen is voldoende) en argumenteer waarom deze test specifieker is dan de vorige aangegeven test.

3) verklaar de volgende begrippen

a. Hapteen

b) nitrocellulose membraam

c) postzone

d) nog een paar maar die ben ik vergeten


Lab immunologie 2016

1. er is een agglutinatie test gedaan met inhiberende suikers. het laatste postitieve welletje bevat 1,33 microgram/ml suiker. de stockoplossing van de suiker is .... er is gebruik gemaakt van titer plaat met 11 welletjes. a) schets de welletjes en teken de welletjes met agglutinatie. b)

2. wat is het verschil tussen een air displace pipet en een positive ... pipet.

3. foto van preparaat met precitipatie lijnen. a) welk experiment (ouchterlony) b) geef aan welk welletje wat bevatte adv de precitipatie lijnen,

4. vraag over complement binding



Algemene immuno augustus 2015

1) Hoe kan men aan de hand van een infectie een onderliggend probleem van een immuundefect achterhalen?

2) Bespreek de receptoren van de fagocyterende cellen.

3) Bespreek het complementsysteem.

Algemene immuno juni 2015

1) Bespreek de verwerking van exogene antigenen.

2) Bespreek positieve en negatieve selectie van T-cellen.

3) Bespreek type 2 hypersensitiviteit.


Algemene immuno juni 2014

1) Bespreek de signaaltransductie? (of werkingsmechanisme) van B-lymfocyten

2) Bespreek het complementsysteem

3) Bespreek de receptoren van de fagocyterende cellen

4) Bespreek a) TAP deficiëntie en b) Hyper igM


Algemene immuno augustus 2013

1) Bespreek het verschil tussen primaire en secundaire immuunrespons.

2) Bespreek de verwerking van exogene antigenen.

3) Wat is een complementsysteem en hoe wordt dit geactiveerd?

4) Het repertorium van BCR is 10^11.

a) Waarom moet dit zo groot zijn?
b) Hoe bekomt men diversiteit bij BCR?
c) Hoe bekomt men diversiteit van MHC-complexen?

5) De type 1 allergische reacties bestaan uit een vroege en een late fase. Bespreek

6) Verklaar: TAP-defficiëntie, hoe immuuncomplexen worden verwijderd uit de circulatie, DiGeorge syndroom, allelische exclusie en waar toegepast, receptor editing


Juni 2013

  1. Waaruit bestaan de granulen van eosinofielen en mestcellen? Wanneer komen ze vrij? Wat is hun effect? Waartegen bieden ze bescherming? Bij welke aandoening zijn ze belangrijk?
  2. Bespreek de verwerking van een (recombinant) eiwitvaccin en een levend viraal vaccin, geef hierbij duidelijk de voor- en nadelen weer.
  3. Met welke mechanismen voorkomt het lichaam autoimmuunaandoeningen?
  4. Hoe verdedigt het lichaam zich tegen virusgeïnfecteerde cellen? Maak een onderscheid tussen aangeboren en adaptieve immuniteit. Leg ook uit hoe de effectormechanismen werken om de geïnfecteerde cellen te doden.
  5. Verklaar: Di george syndroom, TAP deficiëntie, M cellen, Genetische shift en Genetische drift, alternatieve pathway van complementactivatie
  6. Meerkeuzevragen (met giscorrectie).

Immunologische technieken (theorie) Juni 2013

1) In bijlage een handleiding van een ELISA-kit voor het opsporen van insuline met behulp van monoklonale muis anti-insuline.

a) Gaat het hier om een homogene test? Argumenteer.
b) Is deze ELISA volgens het competitieve of het sandwich-principe? Argumenteer je antwoord en schets de dosis-responscurve.
c) Wat zijn calibratorstalen en waarvoor worden ze gebruikt?
d) Waaruit bestaat het conjugaat? Schets en benoem alle onderdelen.
e) Algemeen: waarvoor staat HAMA in de context van immunologische technieken? Kan dat hier belangrijk zijn? Hoe zou je te werk gaan om eventuele schadelijke gevolgen te voorkomen?
f) Waarvoor staat "hook effect" helemaal onderaan in de handleiding? Hoe beïnvloedt dit het resultaat? Schets (moleculen in de wells) wat er dreigt te gebeuren indien de concentratie boven de waarde X gaat. Wat voor effect heeft dit op de dosis-responscurve? Hoe kan je dit voorkomen?

2) Een dierenarts onderzoekt een ziek paard. Uit een passieve latex-agglutinatietest blijkt dat er viruspartikels van het West Nile virus aanwezig zijn in het serum van het paard. De titer bedraagt 1,02*10³ M.

a) Bespreek het verloop van deze test.
b) De dierenarts wil een beter zicht krijgen op de ziekte, en wil daarom het absolute virusgehalte bepalen in het serum. Welk van onderstaande tests is hiervoor het best geschikt? (Mancini - Ouchterlony - Widal - geen bijkomende test nodig na de eerste).
c) Het antwoord in vraag b is niet specifiek genoeg. Geef een mogelijke test die wel specifiek is (naam alleen is voldoende) en argumenteer waarom.

3)

a) Wat zijn polyklonale antilichamen en waarom worden ze zo genoemd?
b) Hoe worden polyklonale antilichamen aangemaakt? Wat kan je doen om de kans op succes te verhogen?

4) Verklaar de volgende begrippen:

a) FITC
b) Hapteen
c) Postzone
d) Nanobody
e) Vacuüm blotting
f) Nitrocellulosemembraan

Juni 2009

  1. Beschrijf de structuur van een antilichaam (IgM, IgA, IgE, IgD, IgG), leg hiertussen de verschillen uit.
  2. Beschrijf de hypersensitiviteitsreactie II en geef een voorbeeld.
  3. Hoe ontstaat de grote diversiteit tussen BCR en TCR en leg het verband uit tussen MHC-moleculen. Hoe bekomt men ook een grotere diversiteit met MHC-moleculen.
  4. Hoe gebeurd de rijping en de selectie van de thymocyten.
  5. Infectie met een opportunistische bacterie.( kort uitleggen)
  6. Verklaar kort: Ti AG, RNA editering, Chronische Granulomatose ziekte en respiratory burst,...